Boekbesprekingen
Sarah Belle Dougherty

 

Lost Discoveries: The Ancient Roots of Modern Science – from the Babylonians to the Maya [Ontdekkingen die verloren zijn gegaan: De wortels van de moderne wetenschap – van de Babyloniërs tot de Maya] door Dick Teresi, Simon & Schuster, New York, 2002; 464 blz., isbn 0684837188, gebonden.

De wetenschap, zo wordt ons in het algemeen gezegd, ontstond bij de Grieken rond 600 v.Chr.; ze ontwikkelde zich in de Europese Renaissance, en werd geperfectioneerd in het moderne westen. Omdat leraren belangstelling kregen voor culturele verscheidenheid, werden in de jaren tachtig in verschillende schooldistricten multi-culturele wetenschappelijke onderwijsprogramma’s gestart, maar jammer genoeg bevatten vele daarvan verwrongen, onnauwkeurige, en speculatieve informatie. In de vroege jaren negentig aanvaardde Dick Teresi, wetenschappelijk schrijver en medeoprichter van het tijdschrift Omni een opdracht om de onjuiste multiculturele wetenschap die op Amerikaanse scholen werd onderwezen aan de kaak te stellen en de feiten in kaart te brengen.

Ik begon te schrijven met als doel aan te tonen dat het zoeken naar bewijsmateriaal van een niet-blanke wetenschap onvruchtbaar werk is. Ik was echter van mening dat het van verantwoordelijkheid getuigde om te proberen die magere voorbeelden van authentieke niet-westerse wetenschap te vinden die er misschien waren. Zes jaar later vond ik nog steeds voorbeelden van oude en middeleeuwse niet-westerse wetenschap die de oude Griekse kennis evenaarden en vaak overtroffen.
    Mijn gevoel van verlegenheid over het uitvoeren van een opdracht in de vooronderstelling dat niet-Europeanen weinig tot de wetenschap hebben bijgedragen, heeft plaatsgemaakt voor de vreugde van het ontdekken van bergen bewijsmateriaal van menselijke activiteiten die niet naar waarde waren geschat, vierduizend jaar wetenschappelijke ontdekkingen door volkeren die ik volgens mijn opleiding moest negeren.     – blz. 15

In deze ongebruikelijke geschiedschrijving stelt de auteur de lezer op de hoogte van zijn onderzoek op het gebied van de wiskunde, astronomie, kosmologie, natuurkunde, geologie, scheikunde, en techniek, waarbij hij bijdragen uit Egypte, het oude Nabije Oosten, de islam, India, China, het oude Amerika, en Oceanië bespreekt. Het boek lijkt eerder op een wetenschappelijk werk dan op ‘New-Age’-literatuur, en het manuscript werd op feitelijke nauwkeurigheid nagekeken door negen vooraanstaande wetenschappers, waarvan sommige een niet-westerse en andere een westerse inslag hadden. In die gevallen waarin hun interpretatie verschilde van die van de schrijver, zijn hun opmerkingen vaak opgenomen in de omvangrijke eindnoten. De bibliografie geeft een vertrekpunt voor verder onderzoek naar specifieke onderwerpen.

Waarom wordt ons geleerd dat alleen de Grieken een wetenschappelijke benadering van de natuur hadden ontwikkeld – vooral als men bedenkt dat de Grieken zelf de oorsprong van hun cultuur en kennis toeschreven aan de Egyptenaren en Feniciërs, en veel van hun grootste denkers erkenden dat ze in Egypte, het Nabije Oosten en India hadden gestudeerd? Teresi legt uit dat de oude opvatting in Europa werd aanvaard tot geleerden in de 18de en 19de eeuw, die bezorgd waren over het Egyptische pantheïsme en afkerig van Semitische invloeden, stelden dat de Griekse en Romeinse cultuur en de lokale ontwikkeling van haar wetenschappelijke en andere denkwereld, een zuiver Indo-europese oorsprong hadden. Tegen de 20ste eeuw was deze nieuwe opvatting een onbetwist ‘feit’ geworden.

Tegenwoordig blijven veel academici de wetenschappelijke kennis van niet-Europese culturen afwijzen omdat ze òf slechts ‘praktisch’ is òf onvoldoende ‘abstract’, of dat ze is vermengd met religieuze opvattingen, terwijl dit met de Griekse en oudere Europese wetenschap niet het geval is. Typerend is een neerbuigende houding: ‘Morris Kline, de bekendste geschiedschrijver van de wiskunde, heeft de Babylonische en Egyptische wiskunde gekenschetst als het ‘gekrabbel van kinderen’. Hij noemde de Indiase wiskundigen ‘dwazen’’ (blz. 87), ondanks de verfijnde wiskunde van alle drie de culturen vergeleken met die van de oude Grieken en middeleeuwse Europeanen. De Middeleeuwen waren niet wereldwijd een periode van duisternis, want buiten Europa gingen geleerden en onderzoekers onafgebroken door met hun studie en experimenten. Terwijl tot vrij recent aan middeleeuwse islamitische geleerden alleen het behoud van klassieke kennis werd toegeschreven, maakt de auteur duidelijk dat ze niet alleen een synthese maakten van klassieke, Indiase, en Chinese wetenschap en techniek, maar ook op talrijke gebieden wetenschappelijke vooruitgang boekten die vanaf de Middeleeuwen tot aan de Renaissance naar Europa doorsijpelde – bijdragen die over het algemeen nog steeds worden genegeerd.

De specifieke niet-Europese ontdekkingen die het grootste deel van het boek uitmaken zijn te talrijk om op te noemen. In India, bijvoorbeeld, bestond de atoomtheorie al eeuwen voordat ze in Griekenland verscheen. Indiase wiskundigen gebruikten niet alleen de nul en bedachten algebra, logaritmen, trigonometrie, en de voorlopers van onze huidige getallen, maar ontwikkelden ook een vorm van differentiaal- en integraalrekening eeuwen vóór Leibniz en Newton. Deze ontdekkingen werden overgenomen en verder ontwikkeld door middeleeuwse moslims die onder andere de decimale breuken uitvonden (bijvoorbeeld 0,5 in plaats van 1/2). De drie ontdekkingen die Francis Bacon het kenmerk van het begin van de moderne wereld noemde – buskruit, het magnetisch kompas, en de boekdrukkunst – kwamen alle uit China. Toen Gutenberg de Mainzer Bijbel in 1456 liet drukken, hadden Chinese bibliotheken al edities van talrijke boeken die waren gedrukt in een verstelbaar lettertype, een technologie die tussen 1040 en 1050 was ontwikkeld. De Chinezen bewaren nog steeds duizenden gedrukte teksten uit elke periode, tot 2000 jaar terug.

Een recensie kan slechts een oppervlakkige bespreking geven van de overvloedige informatie die deze meesterlijke onderzoeker onthult, en de waarnemingen en intuïtieve gevolgtrekkingen van oude denkers die geen moderne wetenschappelijke technologie hadden, zijn opmerkelijk. Lost Discoveries geeft de lezer een boeiende en enthousiaste inleiding tot de rijke wetenschappelijke geschiedenis van niet-westerse culturen.

oude culturen/beschavingen


 

The Letters of H.P. Blavatsky: Volume 1, 1861-1879, samengesteld door John Algeo, Quest Books, Theosophical Publishing House, Wheaton, IL, 2003; 634 blz., isbn 0835608360, gebonden.

Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) is de centrale figuur in de moderne theosofische beweging. Ze was medeoprichter van de Theosophical Society en auteur van veel van de theosofische basisliteratuur, waaronder De Geheime Leer (1888) en De Stem van de Stilte (1889). De veertien delen van haar Collected Writings bevatten artikelen en brieven die ze schreef om te worden gepubliceerd, documenten die waren geschreven voor haar leerlingen en stukken uit haar plakboeken. Aan deze reeks voegt Theosophical Publishing House nu haar verzamelde persoonlijke correspondentie toe, te beginnen met 136 brieven die zijn geschreven tussen 1861 en januari 1879, vlak voor de periode waarin zij met H.S. Olcott uit Amerika vertrok, via Europa reisde en in India aankwam. De periode omvat Blavatsky’s verblijf in Amerika, het oprichten van de Theosophical Society, en het schrijven van haar eerste boek, Isis Ontsluierd. De meeste brieven zijn gericht aan haar kennissen, Olcott, en een paar theosofen uit de begintijd; aan mensen zoals A.N. Aksakoff, professor Hiram Corson en generaal F.J. Lippitt die belangstelden in spiritisme; en aan twee hindoes die waren betrokken bij de Arya Samaj, gesticht door Dayanand Sarasvati, en waarmee de Theosophical Society zich korte tijd had verbonden.

Alle brieven in dit prachtige boek zijn zorgvuldig gecontroleerd aan de hand van de gesigneerde originelen, indien deze beschikbaar waren, of vergeleken met de meest gezaghebbende gedrukte versies. De meeste worden ingeleid met een noot, en de eindnoten van elke brief geven meer informatie over het betreffende onderwerp en bronvermeldingen. Als een tekst uit verschillende bronnen afwijkingen vertoont of als de authenticiteit ervan wordt betwijfeld, dan wordt dit gemeld in de noten. Ondanks zo’n tekstkritische benadering komt het boek prettig over. Veertien informatieve korte artikelen, waaronder een korte schets van de eerste dertig jaar van Blavatsky’s leven, geven achtergrondinformatie over onderwerpen die in de brieven centraal staan. Deze artikelen voorzien de brieven eerder van een noodzakelijke context dan dat ze oude discussiepunten van geleerden ophalen of dat ze te veel in detail treden. Handig is dat vreemde en ongebruikelijke woorden en uitdrukkingen worden vertaald of omschreven waar deze in de tekst verschijnen, en een nuttige woordenlijst-index omvat personen, organisaties en termen die op verschillende plaatsen voorkomen. Het boek bevat tevens een bibliografie.

De samensteller en zijn assistenten hebben hun taak met veel eerbied voor het onderwerp opgevat, en de nauwkeurige uitvoering daarvan heeft geleid tot een waardevolle bron voor mensen die interesse hebben voor H.P. Blavatsky en de vroege theosofische geschiedenis.


De redactie wil graag de volgende brief over deze boekbespreking met u delen.

Brazilië, 4 augustus 2004

Zoals u weet heeft de Theosophical Publishing House in Wheaton, Illinois, vorig jaar een boek gepubliceerd getiteld The Letters of H.P. Blavatsky, geredigeerd door John Algeo. In dit eerste deel komen her en der verspreid bijna twintig van de zogenaamde Solovyov-brieven voor. Solovyov was een welbekende en bittere vijand van de theosofische beweging en van HPB persoonlijk. Hij heeft veel valse beschuldigingen tegen haar gemaakt, zoals Sylvia Cranston in haar bewonderenswaardige biografie, HPB: Het bijzondere leven & de invloed van Helena Blavatsky aantoont. Verdere informatie over dit onderwerp is te vinden in Blavatsky and Her Teachers door Jean Overton Fuller en When Daylight Comes door Howard Murphet.

De meeste van de brieven die ‘verkregen’ en ‘bijeengebracht’ zijn door Solovyov, zijn gericht aan A.N. Aksakoff, en wekken de indruk dat HPB een verachtelijk persoon met een moreel en intellectueel beperkte visie is, en door geld wordt geobsedeerd. Jammer genoeg laat Algeo, die bekendstaat als een zorgvuldige taalkundige en onderzoeker, na te vermelden dat Solovyov, de enige bron van deze teksten, deze brieven hoogstwaarschijnlijk geheel of gedeeltelijk heeft vervalst.

Doordat deze vervalste brieven vermengd zijn met authentiek materiaal, richten ze schade aan door hun verschrikkelijke hoewel verborgen aanvallen op HPB. Als u vindt dat er iets kan worden gedaan om de lezers in het algemeen te waarschuwen over de ware aard van de teksten van Solovyov, laat me dat dan alstublieft weten.   – Carlos Cardoso Aveline



Theosofie (H.P. Blavatsky)

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency