Als de kinderen
James A. Long

 

In de christelijke Schrift lezen we dat meester Jezus zegt: ‘Wanneer u niet wordt als de kinderen, zult u het koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan’. Deze uitspraak is zo eenvoudig dat we jarenlang hebben verzuimd er de aandacht aan te schenken die ze verdient.

Tot wie sprak hij? Tot kleine kinderen? Tot jongens en meisjes? Beslist niet. Hij sprak tegen volwassenen, tegen hen die materiële en geestelijke problemen hadden en die naar de meester waren gekomen om hulp. Hij kende hun strijd en hij zag in hun gezicht precies wat men nu in het gezicht van mannen en vrouwen overal in de wereld kan zien.

In tijden van crisis worden we zó in beslag genomen door de gebeurtenissen van het ogenblik, dat we uit het oog verliezen dat de toestand waarin we dan verkeren er slechts één is uit een lange reeks, het hoogtepunt van jaren, misschien wel van levens. Als we dit niet inzien, verliezen we het verband van de dingen uit het oog en beroven we ons van de waarde van die vroegere ervaringen die, als ze goed worden begrepen, kunnen bijdragen tot de oplossing van ons dilemma. Verblind door verwarring denken we niet alleen door anderen, maar ook door het leven zelf te worden misbruikt. Als gevolg hiervan schuiven we de schuld op onze buren, onze collega’s, misschien zelfs op onze familieleden en beste vrienden, de regering of de hele wereld – op alles en iedereen behalve op onszelf. Dat moet Jezus hebben gelezen in de ogen van hen tot wie hij deze woorden richtte. Hoezeer was hun bewustzijn verduisterd; hoe dicht waren de vele sluiers die ze hadden laten vallen tussen wat ze waren als kind en toen de meester hen zag.

Wij allen hebben het ons in het leven moeilijker gemaakt dan nodig was. Duizenden jaren lang hebben we ons beroemd op onze kennis, onze eruditie, en ons begrip van de waarheid. Niettemin hebben de leraren van de mensheid ons altijd eraan herinnerd, dat de hartenleer de voorkeur verdient boven de leer van het oog: de kennis die het hart is aangeboren, de intuïtie, de geestelijke wil van de mens boven de kennis die zuiver intellectueel is en verband houdt met de menselijke wil. Kunnen we niet inzien dat de levensraadselen niet worden opgelost door het verstand alleen, maar door de intuïtie; niet door sentimentaliteit, maar door onderscheidingsvermogen?

Wie van kinderen houdt, staat verbaasd over de zuivere intuïtie waarvan zij blijk geven, en soms staan we versteld over hun scherpe waarnemingsvermogen. Iedereen weet dat de moeilijkste vragen om te beantwoorden die zijn die kleine kinderen stellen, omdat zij, vreemd genoeg, recht afgaan op de kern van fundamentele problemen waarmee de filosofen in de wereld vaak geen raad weten. En we zullen onze kinderen nooit kunnen tevredenstellen door alleen het verstand of het sentiment te laten spreken; maar hoe schitteren hun ogen als we een beroep doen op hun ingeboren intuïtie en onderscheidingsvermogen.

Waarom spoorde de meester zijn volgelingen aan om als kinderen te worden als ze het koninkrijk der hemelen wilden verwerven? Wilde hij hen doen terugkeren tot hun kwajongensstreken en hen letterlijk laten handelen en denken als kinderen? Natuurlijk niet. Hij deed een beroep op die eigenschappen die kenmerkend zijn voor het kind. Laten we onszelf als voorbeeld nemen. Wat gebeurt er met ons als we opgroeien? We doorlopen de school, en als we geluk hebben misschien een universiteit. We beginnen het gevoel te krijgen dat we heel wat kennis opdoen. Maar wat doen we eigenlijk met die kennis, of die nu schools of praktisch, religieus of wetenschappelijk is? In veel gevallen wordt ze alleen in ons brein opgeslagen voor eventueel later gebruik. Dit gaat jarenlang door, totdat we voor belangrijke beslissingen komen te staan, of in de maalstroom van de wisselvalligheden van het leven worden geworpen; wat doen we dan? In onze onrust, en zelfs na ernstig nadenken, proberen we uit ons mentale archief die dingen te lichten, die naar we menen ons probleem zullen oplossen, maar we komen tot de ontdekking dat ze geen enkele oplossing bieden die onszelf, of anderen die misschien erbij betrokken zijn, voldoet.

Hoe komt dat nu? Als we het resultaat van elke ervaring in ons hart hadden opgeslagen, in het blijvende deel van ons bewustzijn, dan zouden we in ernstige aangelegenheden, in plaats van verstandelijk over een oplossing te piekeren, tot de ontdekking komen dat het hart het heeft overgenomen en ons op een volkomen natuurlijke manier naar de juiste oplossingen zal voeren. De intuïtie zou dan onze gids zijn geworden, en het verstand haar gehoorzame dienaar, de uitvoerder van haar aanwijzingen – niet haar meester.

Het lijkt misschien een zware opgave voor diegenen onder ons die ouder zijn en al vele, misschien zelfs ernstige fouten hebben gemaakt, om in korte tijd aan de kinderen gelijk te worden. Maar dat is het niet. Meester Jezus wist dat het niet te moeilijk was, anders had hij de mensen uit zijn tijd niet ertoe aangespoord. En het lukt des te beter als een mens eenmaal het besluit heeft genomen zijn leven in dienst te stellen van anderen.

Laten we ons deze eenvoudige vraag stellen: wat is het in het bewustzijn van het kind, waardoor zijn intuïtie en onderscheidingsvermogen zo prachtig functioneren? Het is nog maar pas van de andere oever gekomen. En jong als het is, wordt het niet geplaagd door gedachten aan verleden of toekomst, zodat het werkelijk een maagdelijk bewustzijn heeft waarmee het zich kan voorbereiden op zijn toekomstige ervaringen. Het verscheen in het leven, zoals Wordsworth het zo kernachtig uitdrukte: ‘trailing clouds of glory’ (wolken van glorie meevoerende).

Wat brengt een kind vooral met zich mee? Het is vertrouwen – de ware grondslag waarop de geestelijke groei van de wereld moet worden gebouwd. Welk mens die ook maar enige liefde heeft in zijn hart, kan dat onvoorwaardelijke vertrouwen niet herkennen in de ogen van een kind, dat de wereld met een nieuwe blik bekijkt, en zijn ouders ziet als wezens hoger dan hijzelf, tot wie het altijd zijn toevlucht kan nemen? Maar op zijn weg door het leven ontmoet het steeds minder vertrouwen in het hart van hen met wie het moet samenwerken. Het gevolg is dat het in verwarring raakt en misschien zelfs verbitterd wordt.

Als kinderen worden! Er is een eenvoudige manier om dit te verwezenlijken, die door de eeuwen heen onveranderd is gebleven: Mens, ken uzelf! Voor hen die de tempel van Apollo bezochten of die naar de orakels van het oude Griekenland luisterden en erin geloofden, was deze aansporing niet nieuw. Ze is van alle tijden en heeft nu nog even grote betekenis als toen ze voor het eerst werd uitgesproken. De enige manier waarop we onszelf kunnen leren kennen, is door ons bewustzijn te onderzoeken. Als we dit eerlijk kunnen doen, zullen we niet langer anderen de schuld van onze beproevingen geven. Maar ons mentale archief zit zo boordevol feiten, en we zijn zo ingenomen daarmee, dat de weg naar het hart, waar we de intuïtie en steun kunnen vinden, erdoor wordt versperd. Besluiten we eenmaal onszelf recht in de ogen te zien en de volle verantwoordelijkheid voor onze omstandigheden te aanvaarden, dan zullen de goden zich neerbuigen om ons te helpen op onverwachte ogenblikken, op een onverwachte manier en door middel van mensen van wie we dat het minst hadden verwacht. Dit is een onaantastbare wet die in feite ten grondslag ligt aan de beroemde woorden van Hercules tot zijn wagenmenner: ‘Zet je schouder tegen het wiel; de goden helpen hen die zichzelf helpen’. Tenzij we worden als de kinderen, zullen we nooit die toestand van bewustzijn bereiken waarin we ten volle de betekenis beseffen en de steun voelen van de geestelijke krachten die de mensheid beschermen.

        – Mens, Vonk der Eeuwigheid, blz. 114-8¶

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency