Elke zon die wij aan de middernachtelijke
hemel waarnemen, elk menselijk schepsel, elke dhyani-chohan van wie
wij de nabijheid misschien instinctief aanvoelen, is niet alleen een
zich ontwikkelend en vorderend wezen – in het bijzonder in de
gevallen van de sterren en de goden – maar is ook een wezen
dat, gedreven door hemelse liefde en goddelijke wijsheid, elk overeenkomstig
zijn eigen karmische vermogens en voorzover het daartoe in staat is,
halt heeft gehouden op zijn pad, om hulp te bieden aan de menigten
minder ver gevorderde wezens die moeizaam achter hem aan komen.
Zo is een ster, onze zon bijvoorbeeld, niet alleen
een zich ontwikkelende god in zijn goddelijke en geestelijke en mentale
en psychische en astrale aspecten, maar ook een wezen dat zich als
het ware van zijn hemelse troon naar ons toebuigt en in onze eigen
stoffelijke gebieden verschijnt om ons te helpen, ons licht te geven,
ons omhoog te stuwen.
– G. de Purucker, De
Vier Heilige Jaargetijden, blz. 51
In de tijd van de zomerzonnestilstand, vaak aangeduid als de Grote
Zelfverzaking, doet een mens met een ziel als een Christus de plechtige
gelofte om afstand te doen van zijn verdere ontwikkeling teneinde anderen,
die hun eigen ontwikkeling volgen, te helpen. Dit is de bodhisattva-gelofte:
het volgen van het pad van mededogen.
Ieder van ons kan in de beslotenheid van zijn diepste wezen bewust
ervoor kiezen een ontvangstkanaal te worden voor licht, opdat het naar
de wereld kan uitstralen. En als de gelofte om tot inzicht te komen
eenmaal diep in de ziel is doorgedrongen, schijnt het alsof een draad
van Ariadne ons de weg wijst en weten we dat we ‘de kosmos moeten
aanvaarden’ – misschien zuchten we daarbij, maar we zullen
moeten werken mèt en nooit tegen de werkingen van de kosmos in
onszelf en in onze omgeving.
Wat wordt bedoeld met zelfverzaking? Laten we het eenvoudige voorbeeld
nemen van iemand die begaafd is op verschillende gebieden, muzikaal,
artistiek of literair – en er is iets in hem dat erop gebrand
is om één of meer van deze talenten te ontwikkelen. Maar
er wordt een roeping in hem wakker, en zonder aarzelen ziet hij af van
zulke privédoelen. Iets diepers brengt hem ertoe zijn persoonlijke
ambities en aspiraties te vergeten en zich beschikbaar te stellen waar
dit het meest nodig is.
De boeddha van mededogen die ons het meest vertrouwd is, is Gautama.
Toen hij de verlichting bereikte onder de bodhiboom, zo vertelt ons
de legende, verbleef hij negenenveertig dagen in een toestand van verwondering
waarin hij in verzoeking werd gebracht om te denken, ‘Wie zal
begrijpen wat ik te bieden heb? Hoe kan ik aan anderen uitleggen wat
ik ervaren heb?’ Toen liet de machtige Brahma snel een gedachte
in zijn hart vallen: ‘Als maar weinigen, of zelfs maar één
mens begrijpt . . .’ Dus kwam Gautama terug naar de wereld als
boeddha, ‘verlicht’, en gaf zijn eerste leerrede,
‘Het draaien van het Wiel van de Wet’, aan de vijf monniken
met wie hij al eerder samen was opgetrokken.
Er volgden vijfenveertig jaar van geestelijk onderricht waarin Gautama,
nu Boeddha, de Middenweg tussen twee uitersten onderwees, de Vier Edele
Waarheden over de oorzaak van het lijden en het wegnemen van de oorzaak
van het lijden, en het Edele Achtvoudige Pad: juist inzicht, juiste
aspiratie, juist spreken, juist gedrag, juiste manier om in zijn levensonderhoud
te voorzien, juiste inspanning, juiste aandacht, juiste concentratie.
Het Paliwoord voor ‘juist’ is samma, dat ‘vervolmaakt,
uiterst’ betekent. Lang nadat de Boeddha met zijn discipelen sprak,
toen zij van dorp naar dorp liepen, werden de boeddhistische heilige
geschriften opgeschreven. Het allerbelangrijkste wat tot ons is gekomen
is dat ieder van ons de boeddha-natuur in zich heeft. Vooral de Mahayana-school
legt nadruk op het meedogende aspect van de bodhisattva, ‘hij
van wie de kern wijsheid is’.
Zonder twijfel deed Gautama vele levens daarvóór de gelofte
om Tathagata te worden – een van hen die ‘aldus zijn gekomen’
of ‘aldus zijn gegaan’: ‘Ik zal het uiteindelijke
nirvana niet ingaan voordat alle wezens zijn bevrijd’. Hij was
één in een opeenvolging van boeddha’s en bodhisattva’s
die verschijnen uit een drang om zielen wakker te schudden uit hun onwetendheid.
Een van de geboden van de Boeddha aan zijn medebroeders was: Als jullie
de hoogten willen bereiken, moeten jullie ‘hevig ernaar verlangen
om te leren’. Evenzo wordt in de Bhagavad-Gita Arjuna
aangespoord om ‘op te staan en te strijden!’ Wij moeten
de slaap van de dood niet blijven slapen: de stroom van het leven gaat
altijd voorwaarts, en als we onszelf toestaan om futloos te worden,
geestelijk of anderszins, dan gaan we achteruit.
In tegenstelling tot de zomerzonnestilstand, wordt de herfstnachtevening
de Grote Overgang genoemd, die betrekking heeft op het binnengaan van
nirvana en het voor altijd verlaten van de wereld van de mensen, zoals
dat het geval is met de pratyekaboeddha’s (pratyeka betekent
‘voor zichzelf’). Dit zijn verheven geestelijke wezens,
maar nog niet in overeenstemming met de weg van mededogen. Zij hebben
nog niet de volle wijsheid of macht van de ‘volledige of volmaakte
boeddha’s’, de boeddha’s van mededogen. De kennis
van de pratyeka of ‘voor zichzelf werkende’ boeddha’s
is te vergelijken met het licht van de maan, terwijl die van de ‘volledige’
boeddha’s overeenkomt met de duizendvoudig stralende zonneschijf
in de herfst.
Hoe is het mogelijk dat iemand die het boeddhaschap heeft bereikt niet
heeft geleerd om te geven om de ander? Veel boeddhistische en theosofische
geschriften leggen grote nadruk op mededogen om te beseffen dat nu het
moment is om ons motief te onderzoeken en ons af te vragen: ‘Wat
willen we in het diepst van ons hart?’ Als we op die vraag een
oprecht en eerlijk antwoord kunnen geven, zullen we weten hoeveel van
ons gevoel van betrokkenheid op onszelf is gericht en hoeveel op anderen.
Als we uitsluitend, volledig altruïstisch gemotiveerd zouden zijn,
dan zouden we inderdaad schijnen als de duizendvoudig stralende zonneschijf
in de herfst.
Het pratyekapad is een begrensd pad. Het is voorstelbaar dat tijdens
de lange duur van zijn evolutie iedere boeddha van mededogen ooit een
pratyekaboeddha is geweest of wel eens iets van dat soort gedachten
in zich heeft gehad. Dit diepe gevoel van één-zijn met
iedereen brandt niet werkelijk in ons tenzij we hebben geleden, tenzij
we vele keren hebben ‘gefaald’ en zelfzuchtig en egoïstisch
zijn geweest. Maar in wezen zijn we zelfs nu kosmische organismen, deel
van de offerdaad die het universum tot aanzijn bracht. Dat ieder wezen
‘heeft halt gehouden op zijn weg of langzaam vooruitgaat op zijn
pad om anderen te helpen’ is een schitterend denkbeeld. Al wat
hoger is buigt zich omlaag, zoals al wat minder ver gevorderd is opwaarts
kijkt; een stroom van bewustzijn in twee richtingen. Er is een kosmisch
doel, een kosmische liefde, een interesse en zorg van het hele universum
voor het kleinste atoom – en die is er ook voor ieder mens. Het
is hartverwarmend te beseffen dat er een netwerk van mededogen en altruïsme
bestaat in de mensheid en in de kosmos. Dit is de basis van onze hoop
en ons streven.
Laten we erop vertrouwen dat dit prachtige jaargetijde van de zomerzonnestilstand
invloed zal hebben op onze wereld, die in een diepere zin de betekenis
zal moeten leren van ware zelfverzaking. Niet als iets droevigs of plechtigs,
maar als een vreugdevol geven van wat voor ons het waardevolste is,
en een vreugdevol opgeven van wat we als waardeloos beschouwen. Iedereen,
ongeacht zijn uiterlijke status en religie, die leeft volgens de innerlijke
gedragslijn van goed te willen doen, die attent en ontvankelijk is voor
de behoeften van bekenden en onbekenden, vergroot de lichtenergieën
in deze wereld. Zo iemand beïnvloedt op uiterst krachtige en effectieve
manier het denkbewustzijn van de mensheid.