Netwerk van Mededogen
Grace F. Knoche

 

Elke zon die wij aan de middernachtelijke hemel waarnemen, elk menselijk schepsel, elke dhyani-chohan van wie wij de nabijheid misschien instinctief aanvoelen, is niet alleen een zich ontwikkelend en vorderend wezen – in het bijzonder in de gevallen van de sterren en de goden – maar is ook een wezen dat, gedreven door hemelse liefde en goddelijke wijsheid, elk overeenkomstig zijn eigen karmische vermogens en voorzover het daartoe in staat is, halt heeft gehouden op zijn pad, om hulp te bieden aan de menigten minder ver gevorderde wezens die moeizaam achter hem aan komen.

Zo is een ster, onze zon bijvoorbeeld, niet alleen een zich ontwikkelende god in zijn goddelijke en geestelijke en mentale en psychische en astrale aspecten, maar ook een wezen dat zich als het ware van zijn hemelse troon naar ons toebuigt en in onze eigen stoffelijke gebieden verschijnt om ons te helpen, ons licht te geven, ons omhoog te stuwen.
    – G. de Purucker, De vier heilige jaargetijden, blz. 51

In de tijd van de zomerzonnestilstand, vaak aangeduid als de Grote Zelfverzaking, doet een mens met een ziel als een Christus de plechtige gelofte om afstand te doen van zijn verdere ontwikkeling teneinde anderen, die hun eigen ontwikkeling volgen, te helpen. Dit is de bodhisattva-gelofte: het volgen van het pad van mededogen.

Ieder van ons kan in de beslotenheid van zijn diepste wezen bewust ervoor kiezen een ontvangstkanaal te worden voor licht, opdat het naar de wereld kan uitstralen. En als de gelofte om tot inzicht te komen eenmaal diep in de ziel is doorgedrongen, schijnt het alsof een draad van Ariadne ons de weg wijst en weten we dat we ‘de kosmos moeten aanvaarden’ – misschien zuchten we daarbij, maar we zullen moeten werken mèt en nooit tegen de werkingen van de kosmos in onszelf en in onze omgeving.

Wat wordt bedoeld met zelfverzaking? Laten we het eenvoudige voorbeeld nemen van iemand die begaafd is op verschillende gebieden, muzikaal, artistiek of literair – en er is iets in hem dat erop gebrand is om één of meer van deze talenten te ontwikkelen. Maar er wordt een roeping in hem wakker, en zonder aarzelen ziet hij af van zulke privédoelen. Iets diepers brengt hem ertoe zijn persoonlijke ambities en aspiraties te vergeten en zich beschikbaar te stellen waar dit het meest nodig is.

De boeddha van mededogen die ons het meest vertrouwd is, is Gautama. Toen hij de verlichting bereikte onder de bodhiboom, zo vertelt ons de legende, verbleef hij negenenveertig dagen in een toestand van verwondering waarin hij in verzoeking werd gebracht om te denken, ‘Wie zal begrijpen wat ik te bieden heb? Hoe kan ik aan anderen uitleggen wat ik ervaren heb?’ Toen liet de machtige Brahma snel een gedachte in zijn hart vallen: ‘Als maar weinigen, of zelfs maar één mens begrijpt . . .’ Dus kwam Gautama terug naar de wereld als boeddha, ‘verlicht’, en gaf zijn eerste leerrede, ‘Het draaien van het Wiel van de Wet’, aan de vijf monniken met wie hij al eerder samen was opgetrokken.

Er volgden vijfenveertig jaar van geestelijk onderricht waarin Gautama, nu Boeddha, de Middenweg tussen twee uitersten onderwees, de Vier Edele Waarheden over de oorzaak van het lijden en het wegnemen van de oorzaak van het lijden, en het Edele Achtvoudige Pad: juist inzicht, juiste aspiratie, juist spreken, juist gedrag, juiste manier om in zijn levensonderhoud te voorzien, juiste inspanning, juiste aandacht, juiste concentratie. Het Paliwoord voor ‘juist’ is samma, dat ‘vervolmaakt, uiterst’ betekent. Lang nadat de Boeddha met zijn discipelen sprak, toen zij van dorp naar dorp liepen, werden de boeddhistische heilige geschriften opgeschreven. Het allerbelangrijkste wat tot ons is gekomen is dat ieder van ons de boeddha-natuur in zich heeft. Vooral de Mahayana-school legt nadruk op het meedogende aspect van de bodhisattva, ‘hij van wie de kern wijsheid is’.

Zonder twijfel deed Gautama vele levens daarvóór de gelofte om Tathagata te worden – een van hen die ‘aldus zijn gekomen’ of ‘aldus zijn gegaan’: ‘Ik zal het uiteindelijke nirvana niet ingaan voordat alle wezens zijn bevrijd’. Hij was één in een opeenvolging van boeddha’s en bodhisattva’s die verschijnen uit een drang om zielen wakker te schudden uit hun onwetendheid. Een van de geboden van de Boeddha aan zijn medebroeders was: Als jullie de hoogten willen bereiken, moeten jullie ‘hevig ernaar verlangen om te leren’. Evenzo wordt in de Bhagavad-Gita Arjuna aangespoord om ‘op te staan en te strijden!’ Wij moeten de slaap van de dood niet blijven slapen: de stroom van het leven gaat altijd voorwaarts, en als we onszelf toestaan om futloos te worden, geestelijk of anderszins, dan gaan we achteruit.

In tegenstelling tot de zomerzonnestilstand, wordt de herfstnachtevening de Grote Overgang genoemd, die betrekking heeft op het binnengaan van nirvana en het voor altijd verlaten van de wereld van de mensen, zoals dat het geval is met de pratyekaboeddha’s (pratyeka betekent ‘voor zichzelf’). Dit zijn verheven geestelijke wezens, maar nog niet in overeenstemming met de weg van mededogen. Zij hebben nog niet de volle wijsheid of macht van de ‘volledige of volmaakte boeddha’s’, de boeddha’s van mededogen. De kennis van de pratyeka of ‘voor zichzelf werkende’ boeddha’s is te vergelijken met het licht van de maan, terwijl die van de ‘volledige’ boeddha’s overeenkomt met de duizendvoudig stralende zonneschijf in de herfst.

Hoe is het mogelijk dat iemand die het boeddhaschap heeft bereikt niet heeft geleerd om te geven om de ander? Veel boeddhistische en theosofische geschriften leggen grote nadruk op mededogen om te beseffen dat nu het moment is om ons motief te onderzoeken en ons af te vragen: ‘Wat willen we in het diepst van ons hart?’ Als we op die vraag een oprecht en eerlijk antwoord kunnen geven, zullen we weten hoeveel van ons gevoel van betrokkenheid op onszelf is gericht en hoeveel op anderen. Als we uitsluitend, volledig altruïstisch gemotiveerd zouden zijn, dan zouden we inderdaad schijnen als de duizendvoudig stralende zonneschijf in de herfst.

Het pratyekapad is een begrensd pad. Het is voorstelbaar dat tijdens de lange duur van zijn evolutie iedere boeddha van mededogen ooit een pratyekaboeddha is geweest of wel eens iets van dat soort gedachten in zich heeft gehad. Dit diepe gevoel van één-zijn met iedereen brandt niet werkelijk in ons tenzij we hebben geleden, tenzij we vele keren hebben ‘gefaald’ en zelfzuchtig en egoïstisch zijn geweest. Maar in wezen zijn we zelfs nu kosmische organismen, deel van de offerdaad die het universum tot aanzijn bracht. Dat ieder wezen ‘heeft halt gehouden op zijn weg of langzaam vooruitgaat op zijn pad om anderen te helpen’ is een schitterend denkbeeld. Al wat hoger is buigt zich omlaag, zoals al wat minder ver gevorderd is opwaarts kijkt; een stroom van bewustzijn in twee richtingen. Er is een kosmisch doel, een kosmische liefde, een interesse en zorg van het hele universum voor het kleinste atoom – en die is er ook voor ieder mens. Het is hartverwarmend te beseffen dat er een netwerk van mededogen en altruïsme bestaat in de mensheid en in de kosmos. Dit is de basis van onze hoop en ons streven.

Laten we erop vertrouwen dat dit prachtige jaargetijde van de zomerzonnestilstand invloed zal hebben op onze wereld, die in een diepere zin de betekenis zal moeten leren van ware zelfverzaking. Niet als iets droevigs of plechtigs, maar als een vreugdevol geven van wat voor ons het waardevolste is, en een vreugdevol opgeven van wat we als waardeloos beschouwen. Iedereen, ongeacht zijn uiterlijke status en religie, die leeft volgens de innerlijke gedragslijn van goed te willen doen, die attent en ontvankelijk is voor de behoeften van bekenden en onbekenden, vergroot de lichtenergieën in deze wereld. Zo iemand beïnvloedt op uiterst krachtige en effectieve manier het denkbewustzijn van de mensheid.

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency