Het zich ontvouwende scenario van spraak en taal – 1
Harry Young

 

Gesproken taal bestaat al sinds het begin der tijden, en de oudste geschreven teksten werden oorspronkelijk mondeling overgedragen. Deze mondelinge overdracht vereist naar tegenwoordige maatstaven een buitengewoon vermogen van het geheugen omdat alleen al de Rig Veda, bijvoorbeeld, bijna een half miljoen woorden bevat. In de Phaedrus van Plato (§274) vertelt de Egyptische Koning Thamus aan Theuth, de uitvinder van het schrift, over de grotere kracht van het geheugen:

U die de vader van de letters bent, heeft uit ouderlijke liefde voor uw eigen kinderen aan hen een eigenschap toegekend die ze niet kunnen hebben; want uw ontdekking zal tot vergeetachtigheid leiden in de ziel van de studenten, want ze zullen hun geheugen niet gebruiken, ze zullen vertrouwen op de uiterlijk geschreven tekens en niet uit zichzelf herinneren. Wat u heeft ontdekt is niet een middel dat het geheugen versterkt, maar dat herinneringen helpt oproepen, en u geeft uw leerlingen geen waarheid, maar alleen de schijn van waarheid; ze zullen veel dingen horen, maar ze zullen niets leren; ze zullen alwetend lijken te zijn maar in het algemeen niets weten; ze zullen vermoeiend gezelschap zijn, die de schijn van wijsheid hebben maar niet de werkelijkheid.

Inderdaad wordt tegenwoordig voorrang gegeven aan geschreven taal boven mondeling overgeleverde taal. Hoewel de archeologie onlangs in China uitgebeitelde tekens heeft ontdekt die misschien wel 8600 jaar oud zijn en op geschreven taal lijken, houdt de conventionele wetenschap het erop dat de eerst geschreven taal, in spijkerschrift, 5.000 jaar geleden in Sumerië in Mesopotamië verscheen. Sommige geleerden geloven echter dat het spijkerschrift uit een ouder telsysteem is ontwikkeld dat 10.000 jaar geleden in gebruik was, en dat met geëtste symbolen in munten van klei werd vastgelegd. Evenals het moderne Japanse of Chinese schrift gebruikten alle nu bekende oude geschriften pictogrammen en symbolen. Later werd een alfabet ontwikkeld dat sneller is te leren en waarbij individuele geluiden door symbolen werden weergegeven die aaneen werden geregen om woorden te vormen.

Sumerisch pictografisch kleitablet, 4de eeuw v.Chr.
 

De afgelopen 500 jaar lieten een explosie zien van manieren om ideeën door te geven. De mogelijkheid om geschreven taal op grote schaal vast te leggen en over te dragen begon met het Europese gebruik van de drukpers in het midden van de 15de eeuw, en sindsdien zijn de mogelijkheden tot lezen en schrijven wereldwijd verspreid, wat miljoenen mensen in staat stelde om hun ideeën op grotere schaal door te geven.     De afgelopen honderd jaar zijn uitvindingen gedaan zoals de telefoon, radio, televisie, schrijfmachine, tekstverwerker, fax, satelliet, e-mail, internet, vergaderen per computer en video, het vastleggen van de menselijke spraak op een wassen cilinder, grammofoonplaten, geluidsbanden, compactdiscs, en computerschijven. Mobiele telefoons maken het spreken met anderen bijna altijd en overal mogelijk.

Woorden spelen in deze tijd een belangrijke rol op het toneel van wereldwijde psychologische oorlogsvoering. Door de tegenwoordige beïnvloeders van de publieke opinie – het nieuws, amusement, en vooral reclame – worden ze met steeds grotere handigheid en overtuiging gebruikt, waardoor het voor ons een steeds grotere uitdaging wordt om vast te stellen hoe nauwkeurig de wereld om ons heen en onze plaats daarin wordt beschreven. Er zijn echter ook veel schrijvers, presentatoren, en musici die de taal van het hart gebruiken, en daardoor velen inspireren met inzichten en gedachten van waarheid, schoonheid, hoop en optimisme. Er zijn bewegingen en programma’s die op dit gebied de ethiek bevorderen, zoals de Amerikaanse campagne ‘Woorden kunnen genezen’ die erop is gericht om ‘verbaal geweld te elimineren, roddel in te tomen en de helende kracht van woorden te bevorderen om daardoor relaties op elk niveau te verbeteren’; het uitgebreide onderzoek van de psychologie en de sociologie naar de positieve en negatieve effecten van de spraak op de spreker en de toehoorder; en cursussen in de ethiek van de spraak.

In het westen loopt de spraak ook achter bij het geschreven woord als het gaat om het behoud van ritueel en gebed. Dit geldt echter niet voor sommige inheemse volkeren. Zo zijn er enkele leiders van Amerikaanse indianenstammen die zich ertegen verzetten dat geschreven versies van hun taal zouden worden gemaakt. Om de zuiverheid en heiligheid ervan te behouden, worden sjamaanse leringen nooit opgeschreven. De details en nuances van sommige natuurlijke geneesmethoden zijn ook verloren gegaan toen mondelinge instructies werden opgeschreven. Misschien was er voor ons nooit een crucialer moment om te begrijpen wat een kracht onze spraak en taal werkelijk hebben, en wat een ethische verantwoordelijkheid daarmee samenhangt.

Het verhaal van wat onze spraak is, haar evolutie en hoe we haar kunnen gebruiken, is werkelijk grandioos. H.P. Blavatsky geeft het in De Geheime Leer in mythische vorm: toen de goden of intelligente krachten in de natuur ontwaakten uit een eeuwenlange slaap, begonnen ze het stoffelijke universum rondom zich te vormen tot ze zich relatief volledig tot uitdrukking hadden gebracht. Als eerste verscheen het verlangen om latente mogelijkheden en aandriften tot uitdrukking te brengen, en werden lang verborgen oorzaken door karma opnieuw tot geboorte gebracht. De schokgolven van deze primaire kosmische gebeurtenis trillen nog steeds door in elk atoom. Het verlangen om innerlijke gedachten, krachten, motivaties en ideeën tot uitdrukking te brengen is overal in de hele natuur voortdurend aanwezig, zoals we kunnen zien in de eeuwigdurende vernietiging en wedergeboorte van alle dingen. De mensheid is geen uitzondering op deze universele wetmatigheid, want we brengen constant onze innerlijke begeerten door middel van onze gedachten en handelingen tot uitdrukking. Een van de manieren waarop we onze gedachten tot uitdrukking brengen is door middel van de gesproken taal.

Spraak en taal zijn inherent aan ons menszijn: natuurlijke emanaties vanuit ons diepste wezen. De Geheime Leer wijst op het belang van de gesproken taal door te vermelden dat deze zich ontwikkelde tijdens het omslagpunt in onze evolutie, ergens tussen tien en vijftien miljoen jaar geleden (2:223). Volgens de theosofie hadden de eerste mensen geen spraak, maar maakten gebruik van een soort ‘gedachteoverbrenging’ zonder methode of noodzaak om gedachten fysiek tot uitdrukking te brengen. In de loop van miljoenen jaren heeft zich een taal van op klinkers lijkende klanken ontwikkeld die iets weg heeft van chanten, en die later klanknabootsende geluiden uit de natuur ging bevatten zoals klik-, knap- en bonsgeluiden, en geluiden van dieren en planten. Uiteindelijk ontstond de eenlettergrepige spraak – klinkergeluiden onderbroken door medeklinkers – toen het zelfbewuste denken zich ontwikkelde samen met het vermogen tot redeneren. Dit bracht de geboorte voort van de taal zoals we die nu kennen, en de spraak bewoog zich door de cyclussen van groei die bestaan uit de agglutinerende talen, waarin elementen van woorden aan elkaar worden geregen zonder dat ze elkaar veranderen, en verbuigingstalen waarin woordelementen van vorm kunnen veranderen afhankelijk van hun grammaticale functie. Hierbij wordt een patroon gevolgd waarin alles vloeit en van binnenuit wordt geleid; en onze spreektaal is verstrengeld met de creatieve krachten van het heelal. Hoe meer verfijnd en ontwikkeld het menselijke zelfbewustzijn wordt, hoe meer verfijnd onze taal en spraak kunnen worden, of misschien nemen we zelfs volledig afstand van het verbale communiceren en vertrouwen we meer op psychische en spirituele methoden waarvan de zaden nu aan het ontkiemen zijn.

Er bestaan nu tussen de 6.000 en 7.000 talen in de wereld. Over hun uiteindelijke oorsprong zijn de meningen verdeeld tussen zij die beweren dat de taal en de spraak instinctieve vermogens zijn en zij die geloven dat de taalkundige evolutie het darwinistische model van de natuurlijke selectie volgt. Omdat het geluid van een woord geen direct verband heeft met zijn betekenis, veranderen de woorden zo snel van betekenis en vorm dat veel linguïsten beweren dat hun oorsprong bijna niet te vinden is, en in de geschiedenis is verloren gegaan. De taalkundige die het meest bekend is om zijn werk over de historische relatie tussen alle talen van de wereld, dr. Joseph H. Greenberg, is het hiermee oneens. Hij verklaart dat de betekenis en geluiden van sommige onderdelen van de taal stabieler zijn dan andere, zoals: persoonlijke voornaamwoorden, delen van het lichaam, en natuurlijke objecten zoals de zon en de maan. Door het vergelijken van honderden stabiele kernwoorden maakte hij een indeling in twaalf superfamilies, waaronder de Euraziatische en de Amerindiaanse, die misschien al meer dan 60.000 jaar in ontwikkeling zijn. De Russische taalkundigen Illich-Svitych en Dolgopolsky kwamen onafhankelijk van elkaar op een controversiële Euraziatische superfamilie die Nostratisch wordt genoemd, en waarvan zij geloven dat deze meer dan 12.000 jaar geleden werd gesproken. Nostratisch overlapt het Euraziatisch van Greenberg en bevat enkele talen uit het Midden-Oosten en Afro-Aziatische talen maar niet het Japans en de Eskimo-Aleoeten-talen van Eurazië. Derek Bickerton betoogt – in tegenstelling tot het denkbeeld dat primitieve talen kunnen zijn ontstaan uit de basisbehoefte om te communiceren – dat taal en spraak zich manifesteerden toen ons denken ernaar streefde om de wereld om ons heen te begrijpen. Zijn theorie wordt onderbouwd door het idee dat de ontwikkelingsstadia die een mens vanaf de conceptie tot aan de volwassenheid doorloopt, parallel lopen aan de evolutiestadia van de mensheid als geheel.

Archeologisch onderzoek naar de genetica van populaties wordt gebruikt om veel historisch taalkundige theorieën te ondersteunen. Vergelijkingen van mitochondriaal DNA van oude stoffelijke overschotten in verschillende delen van de wereld, en verwijzingen naar hedendaagse taalovereenkomsten zoals die in grammatica en zinsbouw, onthullen een beeld van menselijke migratieroutes die duizenden jaren bestrijken, en de oorsprong en ontwikkeling van bepaalde talen omvatten. Hoever dit proces ons kan terugvoeren is discutabel. Merritt Ruhlen houdt een omstreden pleidooi voor een wereldtaal die Proto-Global wordt genoemd, en suggereert dat de huidige talen mogelijk afstammen van één voorouderlijke menselijke taal die tot honderdduizenden jaren teruggaat. Dit houdt verband met enkele DNA-studies1 die aanvoeren dat alle volkeren, en misschien ook alle talen, afstammen van een kleine Afrikaanse populatie ongeveer 200.000 jaar geleden – de Eva-uit-Afrika-theorie. Veel geleerden zijn nu betrokken bij een veelzijdige onderneming die de ‘zich aftekenende synthese’ wordt genoemd; deze probeert onderzoek in taalkunde, menselijke genetica, en archeologie te verenigen om tot één hypothese te komen over de oorsprong en verspreiding van de moderne mens vanuit Afrika naar de rest van de wereld gedurende de afgelopen 100.000 jaar. Tegenover de theorie van één vooroudertaal staat de theorie dat er meerdere vooroudertalen zijn die zich onafhankelijk van elkaar kunnen hebben ontwikkeld in verschillende delen van de wereld, en tijdens verschillende stadia van de menselijke evolutie, die samen tot de tegenwoordige diversiteit hebben geleid.

Sommige toekomstverwachtingen laten zien dat er in de komende honderd jaar waarschijnlijk tussen de 3.500 en 5.500 talen zullen uitsterven als gevolg van populatieverschuivingen, samensmeltende culturen, vernietiging van land, overheidsbeleid, migratie, ziekten, globalisering, en elektronische media. Er waren in het verleden ooit veel meer talen; zo overheersen in Zuid-Amerika nu bijvoorbeeld Spaans en Portugees ten koste van honderden inheemse talen. Tegenwoordig spreekt de helft van de wereldbevolking maar vijftien talen en de helft van de talen van de wereld wordt door groepen van niet meer dan 2.000 tot 3.000 mensen gesproken. We kunnen het gevoel hebben dat het bestaan van vele talen in de wereld de mogelijkheid om onszelf uit te drukken verrijkt, en ons in staat stelt de wereld en anderen te begrijpen door middel van andere denkbeelden dan de onze. Het Sanskrietwoord karma, bijvoorbeeld, dat 150 jaar geleden in het westen zo goed als nooit werd gehoord, omvat betekenissen en ideeën waarvoor geen enkel Europees equivalent bestaat. Is het niet belangrijk om de folklore, mythologie en geschiedenis van een volk levend te houden om hun leven een soort cultureel en spiritueel kader te kunnen geven? Er worden pogingen ondernomen om talen te redden en te laten herleven voordat de enige blijvende optekening ervan in geschreven vorm zal zijn, of voordat ze geheel zullen zijn verdwenen. Sommigen beweren echter dat als meer mensen minder talen spreken, de culturele barrières zullen afnemen en daardoor, wat hard nodig is, het begrip tussen de verschillende volkeren op de wereld zal kunnen groeien.

In 1888 schreef Blavatsky dat ‘er tijdens de jeugd van de mensheid één taal, één kennis en één universele religie bestond’ (GL 1:373). Hoewel De Geheime Leer naar een paar heel oude talen verwijst, is de oudste taal waarover de theosofische literatuur uitvoerig spreekt het Senzar, dat Blavatsky omschrijft als een geheime priestertaal: ‘want er was een tijd dat deze taal bekend was aan de ingewijden van ieder volk, toen de voorvaderen van de Tolteken haar even gemakkelijk verstonden als de bewoners van het verloren Atlantis, die haar op hun beurt erfden van de wijzen’ die teruggaan tot de eerste mensen (GL 1:27). Senzar is nog altijd onbekend aan de moderne taalkundigen, en de theosofische literatuur beweert dat het voor de meerderheid van de mensen onbekend is geweest sinds wereldrampen het afsplitsen van talen uit één gemeenschappelijke taal veroorzaakten, gebeurtenissen die worden gekenmerkt door overstromingsmythen en de bijbelse allegorie van de Toren van Babel. Blavatsky noemt deze taal de ‘directe voorouder’ of ‘wortel’ van het Sanskriet, en relateert deze ook aan het Oud-Perzisch, Japans, Egyptische hiërogliefen, en talen van de Amerikaanse indianen.

Senzar was een middel om de meest diepgaande esoterische waarheden over te dragen. Hoewel het zijn eigen geschreven tekens heeft, ligt zijn essentie voor een deel ten grondslag aan de universele pictogrammen, hiërogliefen, en de geometrie die in spirituele tradities worden gebruikt, en deels in middelen zoals het vertellen van verhalen, de archetypen van allegorie, parabel, en metafoor die worden gevonden in dromen, mythologie, folklore, religies en kunst. Ieder van ons kan folklore, religie en kunst tot op zekere hoogte intuïtief aanvoelen. Ook kan ieder van ons tot op zekere hoogte de betekenissen aanvoelen die besloten liggen in symbolen zoals de cirkel of het kruis, de parabels van Jezus of de sprookjes van Grimm. We denken in symbolen en ideeën, een taal die sommige taalkundigen ‘mentaals’ noemen, en deze zijn misschien collectieve herinneringen aan de geestelijke waarheden die we ooit allemaal hebben begrepen en die nog steeds binnenin ons liggen opgeslagen, waarheden die begraven liggen onder vele levens waarin materialistisch denken de gewoonte was, en die erop wachten tot we een beroep op ze doen. Blavatsky herhaalt Plato’s lering dat leren herinnering is, en suggereert dat de mensheid in de toekomst de kennis van de universele mysterietaal in ere zal herstellen.

Eén belangrijke doelstelling van de taalwetenschap is ‘te laten zien dat alle talen variaties zijn op één enkel thema, terwijl ze tegelijkertijd getrouw hun gecompliceerde eigenschappen van geluid en betekenis vastlegt’ (Language and Mind: Current Thoughts on Ancient Problems, Noam Chomsky, 1997). Studies laten inderdaad zien dat de grammatica van alle talen, hoewel ze in veel gevallen verschillen vertoont, onderliggende, natuurlijke vooraf bepaalde patronen volgt, ongeveer op dezelfde manier als een verhaal een begin, midden, en einde heeft, of een lied een ritme, harmonie en melodie moet hebben. Deze onderzoekers gebruiken een holistische benadering: ze leren hoe woordcategorieën (zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voorzetsel, enz.) zich tot elkaar verhouden, en gebruiken deze om zinsdelen te construeren die zelf weer worden gerangschikt om zinnen te vormen. We doen dit bijna zonder moeite en onbewust om betekenisvolle informatie aan anderen over te dragen. Chomsky dacht dat talen meer op elkaar lijken dan dat ze van elkaar verschillen, en deed op basis daarvan baanbrekend onderzoek naar taal als een algemene ‘cognitieve structuur’ en functie van het denkvermogen, bijna zoals een bioloog de vertering onderzoekt als een normale lichamelijke functie. Als hij zich afvraagt hoe we een taal leren, stelt hij vervolgens de vraag hoe een mens de taak volbrengt om een taal te leren en zich eigen te maken. Volgens zijn theorie hebben we een ‘taalinstinct’ of ‘taalorgaan’, waarvan de fysieke vertegenwoordiger in de hersenen tot nu toe nog niet is geïdentificeerd. Dit taalinstinct gebruikt wat hij een universele grammatica noemt, een natuurlijk fundament van regels of wetten op basis waarvan elke taal kan worden geleerd, waaronder gebarentaal. Omdat deze kwaliteit is aangeboren, ontwaakt bij kinderen van elke cultuur spontaan het vermogen om zelfs ingewikkelde grammaticale regels toe te passen wanneer ze taal leren gebruiken en hun woordenschat uitbreiden. Deze onderliggende structuur van intelligentie wordt zeker niet door de ouders aan het kind geleerd,

het kind weet veel meer dan door ervaring wordt opgedaan. Dit geldt zelfs voor eenvoudige woorden. Jonge kinderen leren woorden met een snelheid van ongeveer een woord per uur dat ze wakker zijn, door zeer beperkte blootstelling en onder heel uiteenlopende omstandigheden. De woorden worden op verfijnde en ingewikkelde manieren begrepen die veel verder gaan dan de verklaring in een woordenboek, en waarvan het onderzoek nog in de kinderschoenen staat. Wanneer we verder kijken dan alleen naar woorden, wordt de conclusie nog indrukwekkender. Het aanleren van taal lijkt op de groei van organen in het algemeen; het is iets dat bij een kind gebeurt, niet iets wat het kind doet. En terwijl de omgeving er duidelijk toe doet, zijn het algemene verloop van de ontwikkeling en de basiseigenschappen van wat er ontstaat vooraf bepaald door het aanvangsstadium [Universele Grammatica]. Maar het aanvangsstadium is een algemeen menselijk bezit. Het moet dus zo zijn, dat talen wat hun essentiële eigenschappen betreft in eenzelfde vorm worden gegoten. Een wetenschapper van Mars kan redelijkerwijs concluderen dat er één menselijke taal is, met alleen verschillen aan de buitenkant.     – Op.cit.

Het verwerven van taal door kinderen is een zeer omstreden wetenschappelijk gebied; er wordt een levendige discussie gevoerd of de natuur dan wel de opvoeding dit bepaalt. Aan de ene kant wordt algemeen aanvaard dat baby’s en jonge kinderen individuele woorden en hun betekenissen onderbrengen in hun mentale woordenschat door ze van hun familieleden te leren. Echter, zulke complexe en subtiele eigenschappen als het herkennen van en reageren op individuele geluiden in een woord, het generaliseren en het specialiseren binnen betekeniscategorieën (betekent het Engelse woord ‘stone’ rots, of een specifieke steen, het werkwoord ‘stenigen’, alle eigenschappen van een steen, of een mineraal, een levenloos voorwerp, enz.), en het trekken van conclusies, worden zoals veel aangeboren vermogens weinig begrepen.

Wat er aan de standaardinzichten in de taalverwerving ontbreekt is het idee dat het menselijke lichaam met zijn hersenen een voertuig van een innerlijke godheid is. In onze hogere gebieden hebben we een alomvattend begrip van onszelf en onze omgeving, gebaseerd op ontelbare levens van verfijning door wederbelichaming op fysieke, mentale en emotionele gebieden. Onze groei van kiem via jeugd naar volwassenheid wordt geleid door ons geestelijke zelf. De menselijke ziel of zijn hogere denkvermogen is zelf een emanatie van de geest. Tijdens de fysieke zwangerschap trekt de menselijke ziel om zich heen eigenschappen aan uit vorige levens om zo de samengestelde geestelijke, psychische en fysieke mens op te bouwen, een proces dat pas stopt tegen het einde van de natuurlijke levensduur. De verbinding tussen het spirituele en het fysieke is sterk, en we steunen meer op het spirituele dan op het fysieke als het gaat om het beheersen van onze biologische en psychische processen, en ook voor het ontwikkelen van een dieper begrip.

Het universele patroon dat aan alle talen ten grondslag ligt – geschreven, gesproken, braille of gebarentaal – en het aangeboren vermogen om taal te verwerven met al haar subtiele, ingewikkelde eigenschappen, bestaan en werken misschien in een niet-fysieke tussenstof. Eén mogelijkheid is de theorie van de bioloog Rupert Sheldrake over morfogenetische velden: dat velden van intelligente energie, ‘een inherent geheugen in de natuur’, worden gebruikt om mentale, gedrags-, sociale en culturele ideeën vast te leggen en van de ene aan de andere generatie over te dragen – een proces dat Sheldrake morfogenetische resonantie noemt. Dit idee houdt verband met de archetypen van C.G. Jungs theorie over het collectief onbewuste. Deze archetypen zijn nauw verbonden met onze impuls om te willen begrijpen en leren, want ze vormen niet alleen de grondslag van de fysieke wereld, maar ook van onze mentale en emotionele werelden. Gezamenlijk kunnen deze levende symbolen ook de trilling van de ‘grondtoon van de waarheid’ vormen, die miljoenen jaren geleden werd aangeslagen in het denken van de mensheid door hogere intelligente krachten die waakten over de eerste stadia van de menselijke ontwikkeling, zoals in De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett wordt vermeld.

Volgens de theosofie zijn gedachten entiteiten met een rudimentaire intelligentie die op een natuurlijke wijze in een enorme mentale bewaarplaats verblijven die soms het astrale licht wordt genoemd, en die onze planeet omgeeft en doordringt. Voorzover onze fysieke, mentale en emotionele groei betreft – en daartoe behoort het verwerven van taal – hebben we, individueel en als mensheid, karmische neigingen die nauw zijn verbonden met eigenschappen uit vorige levens en invloeden binnen het astrale licht, die zowel algemene als meer specifieke elementen van onze ontwikkeling bepalen. De snelheid van en de beweegredenen tot onze eerste taalverwerving kunnen daarom een onbewust herinneren of ‘downloaden’ zijn van de taaleigenschappen die we als soort hebben geleerd sinds de grondslagen van de taal oorspronkelijk in het astrale licht werden gelegd door de vroegste mensheid, tot aan de grammatica toe die ieder van ons in onze vorige incarnatie heeft gebruikt.

 

Noot

  1. Voor een uiteenzetting van verschillende modellen van de menselijke afstamming, zie ‘De zoektocht naar de oorsprong van de mens’ door Ina Belderis, Sunrise, sept/okt 2003.

 


 

Het zich ontvouwende scenario van spraak en taal – 2
Harry Young


De taalkundige Wilhelm Von Humboldt zei dat taal het ‘onbeperkte gebruik van beperkte middelen’ is, misschien omdat ze moet beantwoorden aan de onbeperkte reeks van mogelijke menselijke ervaringen. Volgens mij wijst dit erop dat de wortels van de taal diep binnenin ons liggen, als een universele bron van caleidoscopische uitdrukkingen, en dat de spreektaal niet slechts een aangeleerd of geconditioneerd gedrag is, maar een essentieel aspect van de reizende pelgrim die zich in ieder van ons bevindt: de innerlijke onsterfelijke held die verlangt naar de veldslagen van het leven, die rustig een les trekt uit zowel overwinningen als nederlagen, en lijdt onder menselijke zwakheden terwijl hij moedig verdergaat, dag in dag uit, leven na leven, op weg naar het licht.

Gedachten kunnen niet alleen generaties inspireren maar ook culturen, zowel individueel als gemeenschappelijk, om de meest edele aspiraties tot stand te brengen. Sommige van de grootste figuren van de mensheid hebben zich verheven tot gebieden van ervaring diep in het hart van de natuur en hebben met hun eigen geest de waarheid gezien van wat het universum samenhoudt. Sommigen van hen, die de woorden kunnen vinden die deze grootse geestelijke denkbeelden voldoende precies en overtuigend weergeven, maken anderen na hun terugkeer deelgenoot van dit licht. Zij die daarin slaagden hebben ons de grootse spirituele, religieuze, en filosofische teksten en leringen van de wereld nagelaten. Grote dichters en schrijvers hebben de bibliotheken van de wereld gevuld met inspirerende werken. Nu we in deze interessante en onvoorspelbare dagen nieuwe gebieden van ervaringen betreden, draagt ook de grote menigte naamloze mensen door onze gesproken en geschreven taal bij aan de altijd veranderende rijkdom van de ‘nalatenschap van de taal’.

Welke invloed heeft de menselijke stem op ons en onze omgeving? Kan ze bijvoorbeeld de fysieke gezondheid beïnvloeden? Gesproken taal is de fysieke emanatie van gedachten die veranderingen hebben ondergaan door emoties, daarom zou het niet juist zijn om te zeggen dat de spraak zelf het lichaam beïnvloedt, want uiteindelijk zijn gedachten en emoties de achterliggende oorzaken. Echter, wanneer we gedachten eenmaal uitspreken, resoneren hun overeenkomstige trillingen door het hele lichaam, en beïnvloeden elk atoom terwijl ze tot specifieke gebieden worden aangetrokken. De menselijke stem en geluid in het algemeen zijn door de eeuwen heen gebruikt bij genezingspraktijken en -rituelen. Sjamanen gebruiken geluid en ritme om andere bewustzijnstoestanden binnen te gaan, en vocale intonaties om voorwaarden te scheppen die gunstig zijn om het evenwicht te herstellen. Zowel stille als vocale gebeden, vooral zingen, kunnen een krachtige invloed hebben op zowel geest als lichaam. Vocale bevestiging van innerlijke overtuigingen en aspiraties versterkt niet alleen de besluitvorming maar kan ook het lichaam nieuw leven schenken. Sommige technieken van ‘geestelijke geneeskunde’ gebruiken de menselijke stem om blokkades in het fysieke of astrale lichaam op te heffen. De moderne geneeskunde erkent tot op zekere hoogte de kracht en voordelen van geluid als een helend hulpmiddel, maar niet de menselijke stem. Fysiotherapeuten gebruiken bijvoorbeeld ultrasound bij het behandelen van beschadigd spierweefsel.

Ondanks de grondige inzichten van moderne taalkundigen in de mechanismen van de taal, blijken de ethische aspecten van het spraakgebruik meer tot het gebied van de spiritualiteit te behoren dan tot dat van de taalkunde. Ons dagelijkse taalgebruik volgt duidelijke patronen, en maakt gebruik van onze eigen door gewoonte gevormde woordenschat. Onze motieven die meestal onuitgesproken blijven hebben grotere gevolgen dan onze woorden, en daarom zouden we meer aandacht moeten schenken aan de beheersing van onze motieven dan aan de beheersing van de woorden die we kiezen. Willen we in de ‘geestelijke geneeskunde’ bijvoorbeeld in de eerste plaats genezen of persoonlijke vermogens ontwikkelen?

Het vermogen tot spreken brengt daarom een zekere verantwoordelijkheid met zich mee. Soms vergeten we onze hersenen te gebruiken voordat we iets zeggen en zeggen we iets dat volkomen onzin is of iets dat niet werkelijk ons denken weerspiegelt. Onze stemmen zijn fysieke emanaties vanuit innerlijke gebieden. In The Language Instinct [Het taalinstinct] licht Steven Pinker één theorie over dit onderwerp toe – over het ‘mentalees’:

We hebben allemaal de ervaring gehad dat we iets zeiden of schreven, en ons toen realiseerden dat het niet precies overeenkwam met wat we wilden zeggen. Door dat gevoel te hebben, moet er een ‘wat we wilden zeggen’ zijn dat verschilt van wat we hebben gezegd. Soms is het niet gemakkelijk om ook maar enige woorden te vinden die op de juiste manier een gedachte overbrengen. Wanneer we luisteren of lezen herinneren we ons meestal de hoofdgedachte, maar niet de exacte woorden, dus moet er zoiets als een hoofdgedachte zijn die niet hetzelfde is als een verzameling woorden.     – blz. 57-8

Tot slot zegt hij:

Mensen denken niet in het Engels, Chinees, of Apache; Ze denken in een gedachtetaal [mentalees]. Deze gedachtetaal lijkt waarschijnlijk een beetje op al deze talen . . . om met deze gedachtetalen het redeneren adequaat te dienen, moeten ze waarschijnlijk meer op elkaar lijken dan dat elk van hen op hun gesproken tegenhanger lijkt, en het is waarschijnlijk dat ze dezelfde zijn: een universeel mentalees.     – blz. 81-2

Gedachten zijn zo complex, en de talen die we gebruiken zo beperkt in hun vermogen om wat we werkelijk denken of onze motieven over te brengen, dat maar een klein deel van ons innerlijke leven ooit het fysieke gebied bereikt. Dit betekent dat wat we wèl zeggen, voor een groot deel bepaalt hoe we onszelf karakteriseren. Hoe kunnen we dan het beste onze stem gebruiken om volledig onder woorden te brengen wat we denken? Moeten we zorgvuldig aandacht besteden aan wat we zeggen en hoe we het zeggen? H.P. Blavatsky vond van wel, omdat

Het gesproken woord een kracht bezit, die de moderne ‘wijzen’ niet kennen, niet vermoeden en waarin zij niet geloven. Omdat geluid en ritme in nauw verband staan met de vier elementen van de Ouden en omdat een dergelijke trilling in de lucht ongetwijfeld overeenkomstige krachten zal opwekken, en een vereniging daarmee zal afhankelijk van de omstandigheden goede of kwade gevolgen teweegbrengen.
     – De Geheime Leer 1:334

Sinds lange tijd is bekend dat het uitspreken van bepaalde woorden op een manier waardoor bepaalde geluiden en resonanties in de stembanden en schedel worden voortgebracht, occulte gevolgen met zich meebrengt. Als ze op de juiste manier worden gebruikt, kunnen ze weldadige gevolgen hebben, maar wanneer ze onverstandig worden gebruikt kan dit zeer gevaarlijk zijn, en het is dus niet zonder reden dat veel ‘magische’ woorden, mantra’s en methoden van vocaliseren nauwkeurig worden bewaakt. Zelfs alledaagse omgangstaal heeft occulte gevolgen die mensen die in de nabijheid zijn kunnen beïnvloeden. Dit is eenvoudig de werking van karma en is als zodanig neutraal. De polariteit van deze oorzaken – schadelijk of onschadelijk, weldadig of nadelig – wordt bepaald door het motief en door de emotie achter de woorden.

Als een woord eenmaal is uitgesproken, zijn de gevolgen op onze omgeving en in de ziel van de ander moeilijk meer te veranderen. Als we onze gedachten echter voor onszelf houden, kunnen we ze manipuleren zover als onze verbeelding reikt, en we kunnen misschien wanneer de omstandigheden gunstig zijn met waarheid en schoonheid spreken en vermijden dat we hoeven te betreuren wat we hebben gezegd. Over de aard van woorden schreef William Quan Judge:

Woorden zijn dingen. Voor mij en feitelijk. Op het lagere gebied van de sociale contacten zijn het dingen, maar zielloos en dood omdat de gebruiken waarbij ze zijn ontstaan er misbaksels van hebben gemaakt. Maar wanneer we alle conventies loslaten, komen ze meer of minder tot leven al naar gelang de werkelijkheid en de zuiverheid van de gedachte die aan die woorden ten grondslag ligt. . . . Laten we die levende boodschappers die woorden worden genoemd met zorg gebruiken.
     – Brieven die me hebben geholpen, blz. 16

Op een praktisch niveau geeft hij bovendien als advies:

Om te beginnen, probeer de gewoonte te overwinnen die bijna algemeen is om jezelf op de voorgrond te plaatsen. Dit komt voort uit de persoonlijkheid. Trek het gesprek niet naar je toe. Houd je op de achtergrond. Als iemand begint je iets over zichzelf en zijn situatie te vertellen, grijp dan niet de eerste kans aan om hem over jezelf te vertellen, maar luister naar hem en spreek alleen om hem zich te laten uiten. En wanneer hij klaar is onderdruk dan in jezelf het verlangen over jezelf te vertellen, jouw meningen en ervaringen. Stel geen vragen tenzij je van plan bent te luisteren naar het antwoord en de waarde daarvan wilt onderzoeken. Probeer je te herinneren dat je in de wereld een heel klein stukje bent, en dat de mensen rondom je jou helemaal niet waarderen en niet treuren als je er niet bent. Je enige ware grootsheid ligt in je innerlijke werkelijke zelf en dat wenst geen applaus van anderen te ontvangen. Als je deze aanwijzingen een week lang opvolgt zul je merken dat ze behoorlijk veel inspanning vergen, en zul je iets beginnen te ontdekken van de betekenis van het gezegde ‘Mens, ken uzelf’.
     – Op.cit., blz. 174

Omdat spraakgebruik een fysiek vermogen is met zijn wortels in het geestelijke deel van ons, lijkt het logisch dat hiermee spirituele wetten samenhangen waaraan we ons zouden moeten houden als we onze bestemming willen vervullen en bewust als geestelijke wezens willen leven. Hoe we dit kunnen doen is door veel wereldleraren naar voren gebracht. Eén methode is de lering van de Boeddha over juist spraakgebruik, een deel van het Edele Achtvoudige Pad. Juiste spraak is een onderdeel van de dharma of de plichtsgetrouwe manier waarop de mens zou moeten leven, zowel dagelijks als in de loop van de evolutie.

In het Edele Achtvoudige Pad van de Boeddha is de eerste stap het hebben van de juiste zienswijze, een houding of inzicht dat iemand in staat stelt om wijs te handelen op alle gebieden van het leven en in harmonie met de wereld. Juist spraakgebruik volgt dan op een natuurlijke manier: de intentie om zich te onthouden van onjuist spraakgebruik, van lasterlijke of verdeeldheid brengende taal, van onbeleefde, wrede of onbenullige taal. Als ons denken lui is, zeggen we het eerste dat bij ons opkomt, en dat is meestal niet iets van blijvende waarde. Juist spraakgebruik moedigt ons aan om over ons taalgebruik na te denken, zowel vóór, tijdens en na het spreken, en om te onderzoeken waarom we op een bepaald moment iets willen zeggen. Taalgebruik op de juiste manier geuit zou zorgvuldig op haar betekenis overdacht moeten zijn, op het juiste moment gesproken moeten worden, en logisch, mild en betekenisvol moeten zijn.

De Tipitaka bevat enkele mooie voorbeelden van het juiste spraakgebruik van de Boeddha samen met de theorie daarover. De Abhaya Sutta geeft een korte maar veelomvattende lijst van hoe een Boeddha zijn spraak gebruikt:

1. In het geval van woorden waarvan de Tathagata [Boeddha] weet dat ze niet overeenkomstig de feiten en onwaar zijn, en niet bevorderlijk (of: niet verband houden met het doel), niet innemend en onaangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.

2. In het geval van woorden waarvan de Tathagata weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en niet bevorderlijk, niet innemend en onaangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.

3. In het geval van woorden waarvan de Tathagata weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, bevorderlijk, maar niet innemend en onaangenaam zijn voor anderen, heeft hij een instinctief gevoel om ze op het juiste moment te zeggen.

4. In het geval van woorden waarvan de Tathagata weet dat ze niet overeenkomstig de feiten en onwaar zijn, en niet bevorderlijk, maar innemend en aangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.

5. In het geval van woorden waarvan de Tathagata weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en niet bevorderlijk, maar innemend en aangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.

6. In het geval van woorden waarvan de Tathagata weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en bevorderlijk en innemend en aangenaam zijn voor anderen, heeft hij een instinctief gevoel om ze op het juiste moment te zeggen. Waarom is dit zo? Omdat de Tathagata mededogen heeft voor levende wezens.

Dit lijkt veel om te onthouden. Maar de regels ‘hij heeft een instinctief gevoel om ze op het juiste moment te zeggen’ en ‘omdat de Tathagata mededogen heeft voor levende wezens’ impliceren dat Gautama geen formule hoefde te onthouden die als dat nodig was moest worden gebruikt. Een van de verschillen tussen een hoger wezen zoals een boeddha, en onszelf is dat terwijl een boeddha altijd de waarheid kent en spreekt, wij vaak in een positie zijn geplaatst waarin we de waarheid kennen, maar ervoor kiezen deze niet te vertellen, zoals het toegeven van schuld. Eerlijkheid, geweten en intuïtie zijn krachtige bondgenoten op het pad om juist taalgebruik te bereiken, en moed is nodig als meesterschap het doel is. Doeltreffende oefening van juiste spraak steunt niet op onderwijs of handig met woorden kunnen spelen, maar op het uitspreken van dat waarvan we voelen dat we het moeten zeggen, en altijd proberen om mee te leven als iets lijden zou kunnen veroorzaken of tegen de waarheid zou ingaan.

Laster, spot, vijandelijk sarcasme, en roddel, kunnen niet alleen de spreker beschadigen, maar ook emotionele littekens veroorzaken bij de toehoorder die een leven lang kunnen blijven bestaan. Soms is er een dunne scheidslijn tussen wat de toehoorder als een onschuldige grap (lachen met) of als pijnlijk (uitlachen) ervaart. Als er ook maar de geringste twijfel bestaat of iemand door de woorden schade kan worden gedaan, zwijg dan. Denk na. Verplaats uzelf in de gemoedsgesteldheid van de ander, en kies indien nodig andere woorden. Omdat veel van onze alledaagse spraak uit onze reacties bestaat, zeggen we vaak wat we niet werkelijk menen. Continue gevoeligheid voor de mensen om ons heen is heel moeilijk vol te houden, maar de moeite waard om te proberen.

Hoewel geen enkel verstandig mens de oorzaak zou willen zijn van een levenslang emotioneel litteken bij een ander, zijn er ook andere verreikende redenen om geen kwetsende taal te gebruiken. Judge formuleert deze in een artikel getiteld: ‘Hoe moeten we anderen behandelen?’:

Het feit dat de persoon die je veroordeelt of waartegen je je verzet dat in dit leven lijkt te verdienen door zijn daden in dit leven, doet niet af aan het andere feit dat zijn natuur tegen je in opstand zal komen wanneer daarvoor het moment aanbreekt. Die reactie is een wet die niet afhangt van en niet zal veranderen door enig gevoel van jouw kant. Hij heeft je misschien werkelijk onrecht aangedaan of je zelfs pijn gedaan, en dat gedaan wat in de ogen van mensen afkeurenswaardig is, maar dit alles heeft niets te maken met het dynamische feit dat als je met je veroordeling zijn vijandigheid hebt opgewekt er een terugslag op jou zal komen, en daarmee ook op de hele samenleving in die eeuw waarin die terugslag plaatsvindt.

. . .

. . . Als het jou beïnvloedt kan het verschillende gevolgen hebben. Als je bijvoorbeeld veroordeeld hebt, kunnen we noemen: (a) de toenemende neiging in jezelf je over te geven aan het veroordelen, die in leven na leven zal blijven en toenemen; (b) dit zal uiteindelijk in jezelf tot geweld leiden en alles waartoe woede en dat veroordelen op natuurlijke wijze kunnen leiden; (c) die andere persoon zal zich tegen jou gaan verzetten, iets dat altijd zal blijven bestaan totdat op een dag beiden eronder zullen lijden, en dat kan zijn in de vorm van een neiging in de andere persoon om jou in elk volgend leven te schaden . . . , en vaak ook onbewust. Op die manier kan het zich uitbreiden en de hele gemeenschap treffen. Dus, hoe rechtvaardig het je ook mag lijken om de ander te veroordelen, te beschuldigen of te straffen, hiermee leg je de oorzaak van leed in de hele mensheid die op een dag zijn uitwerking moet hebben. . . .

De tegenovergestelde handelwijze, die uitgaat van diepe barmhartigheid en voortdurende vergeving, laat het verzet van anderen volledig verdwijnen, put de oude vijandigheid uit en legt tegelijkertijd geen nieuwe soortgelijke oorzaken. Elke andere soort van gedachte of gedrag zal zeker de totale som van haat in de wereld doen toenemen, leiden tot verdriet, en de misdaad en ellende in de wereld onophoudelijk laten voortduren. Ieder mens kan voor zichzelf bepalen welke van de twee manieren van handelen de beste is om te volgen.
    – Echoes of the Orient 1:480-2

‘Wanneer het moment daarvoor aanbreekt’ – we zien vaak niet in wat dit betekent. Maar gewapend met de kennis van karma hebben we in veel situaties op zijn minst de mogelijkheid om met een schone lei te beginnen.

De reden waarom Boeddha zijn rechtmatige beloning om nirvana binnen te gaan verzaakte was om het lijden van de mensheid te helpen verzachten. De gave van de Groten en hun helpers is inderdaad het lot in eigen handen te leren nemen zodat de sluier van onwetendheid door onze eigen daden kan worden opgetild, opdat het licht van de waarheid in ieder van ons zal schijnen. Als we over de verstrekkende gevolgen van onze woorden nadenken, kunnen we begrijpen waarom de Boeddha niet de enige was die de taal in zijn leringen opnam. In de Veda’s van de hindoes worden verschillende niveaus van spraakgebruik genoemd, die wijzen op graden van geestelijk onderricht, alleen bedoeld voor hen die de taal begrijpen waarin ze worden gegoten. In de Phaedrus van Plato vraagt Socrates, ‘Weet u hoe u welsprekendheid kunt behandelen of erover kunt spreken op een manier die acceptabel is voor God?’ en licht daarna de edele deugden van de ‘belangrijke activiteiten van de redenaar’ toe, die tot de ‘grootste hoogte van menselijk geluk’ kunnen leiden. Toen Jezus in de Evangeliën zijn discipelen uitzond om zijn leringen te verkondigen, zei hij dat ze alleen maar in hem hoefden te geloven om de juiste woorden te vinden om het hart van de mensen te bereiken. Geloof in het Christos-beginsel in ons, het deel dat intuïtief begrijpt, kan het hersenverstand met wijsheid verlichten zodat er ongetwijfeld spontaan, waarheidlievend en geestelijk geïnspireerd taalgebruik zal zijn. De inheems Amerikaanse traditie leert ons dat ieder persoon zijn of haar eigen leven moet beheersen. ‘Geef je woord en leef na wat je zegt,’ is een advies van een medicijnman. Als we proberen de gemoedsgesteldheid van de Boeddha – van ‘medeleven voor levende wezens’ – aan te nemen, zullen onze woorden misschien eenvoudig voortvloeien uit onze meer altruïstische motieven.

Omdat het geschreven woord uitgesproken kan worden en gedachten en intenties overbrengt, volgt daaruit dat de ethische regels die voor spreken gelden, ook voor het geschreven woord moeten gelden. Maar de eigenschap die het meest door de ware zoeker wordt geprezen – wijsheid – wordt verworven door te leven, niet door te lezen of te schrijven. De natuur maakt, terwijl ze de kans biedt om haar geheimen te leren kennen, geen onderscheid tussen de geletterden en de ongeletterden, en ook niet tussen hen die kunnen spreken en zij die dat niet kunnen. Veel geestelijke leraren laten geen geschreven optekeningen na. De kracht achter hun gesproken woorden, daden en invloed, wordt door hun volgelingen opgetekend, en na verloop van tijd wordt de eens zo levendige boodschap bijna levenloos. Daarom verschijnen de Groten op geschikte momenten in de geschiedenis regelmatig opnieuw, en volgen de mondelinge traditie van kennisoverdracht, hoewel er natuurlijk altijd uitzonderingen zijn.

Hoewel juiste spraak een deugd is die iedereen kan toepassen, is ze ook relatief: wat voor de ene mens goed is om te zeggen kan voor de ander niet goed zijn. Het gaat er niet om dat we zó intensief bezig zijn met wat we zeggen dat we verstarren ten koste van de spontaniteit. Wat uiteindelijk het meest belangrijke van spreken of schrijven is, is dat we de bedoeling of intentie overbrengen. Bij het luisteren en lezen is het meest belangrijke dat we proberen te begrijpen wat er werkelijk wordt bedoeld. We vertrouwen allemaal op onze intuïtie bij het ontcijferen van de wirwar aan informatie en stimuli waarmee we dagelijks worden geconfronteerd, om het ware van het onware te onderscheiden. De intuïtie doet een beroep op ons om te proberen de taal van de geest te begrijpen die overal in de natuur is te horen. Dit weerspiegelt ons aangeboren en onophoudelijke verlangen om de waarheid te begrijpen, een erfenis van onze geestelijke voorouders, de scheppende goden of krachten van het universum. We doen dit zonder dat we het ons bewust zijn. We leren wanneer we er niet aan denken dat we leren, en toch is er ongetwijfeld een verantwoordelijkheid om deze onzichtbare, innerlijke impuls halverwege tegemoet te treden door onszelf zo ontvankelijk mogelijk te maken als we kunnen. Het beoefenen van ethiek, en de dagelijkse wil van het denkvermogen om de opdrachten van ons geweten en onze intuïtie uit te voeren, vormen een moeilijke maar beproefde en betrouwbare weg om ons bewustzijn te versterken en scherper te maken.

De magie van deze geestelijke leringen van juiste spraak kan alleen tot leven komen wanneer ze in praktijk worden gebracht. Dit is iets dat we meteen kunnen doen, het kost niets en we kunnen er relatief gemakkelijk mee beginnen. Het is bemoedigend om te weten dat ondanks dat er duizenden talen zijn, er een innerlijke, diepgewortelde universele kwaliteit bestaat, die door ieder van ons op de ‘juiste’ manier kan worden gebruikt. Wanneer we altijd proberen om juist te spreken, zal ieder woord dat we uitspreken een grotere betekenis hebben. Hoewel het een gedragsregel is, houdt juist spraakgebruik toch een totale vrijheid van handelen in. Het geeft ons een grotere ruimte voor creativiteit, omdat het ons aanmoedigt om dingen te zeggen die we normaal niet zouden zeggen, of om helemaal niets te zeggen, en meer na te denken over de bedoeling en gevolgen van de woorden die we gebruiken, zodat de dingen die we zeggen of schrijven hopelijk het vermogen om te kwetsten zullen verliezen, en in plaats daarvan zullen bijdragen aan het gewicht van de hoognodige krachten van mededogen die het lijden in de wereld verlichten.

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2004 en mei/juni 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency