De afgelopen 500 jaar lieten een explosie zien van manieren om ideeën
door te geven. De mogelijkheid om geschreven taal op grote schaal vast
te leggen en over te dragen begon met het Europese gebruik van de drukpers
in het midden van de 15de eeuw, en sindsdien zijn de mogelijkheden tot
lezen en schrijven wereldwijd verspreid, wat miljoenen mensen in staat
stelde om hun ideeën op grotere schaal door te geven.
De afgelopen honderd jaar zijn uitvindingen gedaan zoals de telefoon,
radio, televisie, schrijfmachine, tekstverwerker, fax, satelliet, e-mail,
internet, vergaderen per computer en video, het vastleggen van de menselijke
spraak op een wassen cilinder, grammofoonplaten, geluidsbanden, compactdiscs,
en computerschijven. Mobiele telefoons maken het spreken met anderen
bijna altijd en overal mogelijk.
Woorden spelen in deze tijd een belangrijke rol op het toneel van wereldwijde
psychologische oorlogsvoering. Door de tegenwoordige beïnvloeders
van de publieke opinie – het nieuws, amusement, en vooral reclame
– worden ze met steeds grotere handigheid en overtuiging gebruikt,
waardoor het voor ons een steeds grotere uitdaging wordt om vast te
stellen hoe nauwkeurig de wereld om ons heen en onze plaats daarin wordt
beschreven. Er zijn echter ook veel schrijvers, presentatoren, en musici
die de taal van het hart gebruiken, en daardoor velen inspireren met
inzichten en gedachten van waarheid, schoonheid, hoop en optimisme.
Er zijn bewegingen en programma’s die op dit gebied de ethiek
bevorderen, zoals de Amerikaanse campagne ‘Woorden kunnen genezen’
die erop is gericht om ‘verbaal geweld te elimineren, roddel in
te tomen en de helende kracht van woorden te bevorderen om daardoor
relaties op elk niveau te verbeteren’; het uitgebreide onderzoek
van de psychologie en de sociologie naar de positieve en negatieve effecten
van de spraak op de spreker en de toehoorder; en cursussen in de ethiek
van de spraak.
In het westen loopt de spraak ook achter bij het geschreven woord als
het gaat om het behoud van ritueel en gebed. Dit geldt echter niet voor
sommige inheemse volkeren. Zo zijn er enkele leiders van Amerikaanse
indianenstammen die zich ertegen verzetten dat geschreven versies van
hun taal zouden worden gemaakt. Om de zuiverheid en heiligheid ervan
te behouden, worden sjamaanse leringen nooit opgeschreven. De details
en nuances van sommige natuurlijke geneesmethoden zijn ook verloren
gegaan toen mondelinge instructies werden opgeschreven. Misschien was
er voor ons nooit een crucialer moment om te begrijpen wat een kracht
onze spraak en taal werkelijk hebben, en wat een ethische verantwoordelijkheid
daarmee samenhangt.
Het verhaal van wat onze spraak is, haar evolutie en hoe we haar kunnen
gebruiken, is werkelijk grandioos. H.P. Blavatsky geeft het in De
Geheime Leer in mythische vorm: toen de goden of intelligente krachten
in de natuur ontwaakten uit een eeuwenlange slaap, begonnen ze het stoffelijke
universum rondom zich te vormen tot ze zich relatief volledig tot uitdrukking
hadden gebracht. Als eerste verscheen het verlangen om latente mogelijkheden
en aandriften tot uitdrukking te brengen, en werden lang verborgen oorzaken
door karma opnieuw tot geboorte gebracht. De schokgolven van deze primaire
kosmische gebeurtenis trillen nog steeds door in elk atoom. Het verlangen
om innerlijke gedachten, krachten, motivaties en ideeën tot uitdrukking
te brengen is overal in de hele natuur voortdurend aanwezig, zoals we
kunnen zien in de eeuwigdurende vernietiging en wedergeboorte van alle
dingen. De mensheid is geen uitzondering op deze universele wetmatigheid,
want we brengen constant onze innerlijke begeerten door middel van onze
gedachten en handelingen tot uitdrukking. Een van de manieren waarop
we onze gedachten tot uitdrukking brengen is door middel van de gesproken
taal.
Spraak en taal zijn inherent aan ons menszijn: natuurlijke emanaties
vanuit ons diepste wezen. De Geheime Leer wijst op het belang
van de gesproken taal door te vermelden dat deze zich ontwikkelde tijdens
het omslagpunt in onze evolutie, ergens tussen tien en vijftien miljoen
jaar geleden (2:223). Volgens de theosofie hadden de eerste mensen geen
spraak, maar maakten gebruik van een soort ‘gedachteoverbrenging’
zonder methode of noodzaak om gedachten fysiek tot uitdrukking te brengen.
In de loop van miljoenen jaren heeft zich een taal van op klinkers lijkende
klanken ontwikkeld die iets weg heeft van chanten, en die later klanknabootsende
geluiden uit de natuur ging bevatten zoals klik-, knap- en bonsgeluiden,
en geluiden van dieren en planten. Uiteindelijk ontstond de eenlettergrepige
spraak – klinkergeluiden onderbroken door medeklinkers –
toen het zelfbewuste denken zich ontwikkelde samen met het vermogen
tot redeneren. Dit bracht de geboorte voort van de taal zoals we die
nu kennen, en de spraak bewoog zich door de cyclussen van groei die
bestaan uit de agglutinerende talen, waarin elementen van woorden aan
elkaar worden geregen zonder dat ze elkaar veranderen, en verbuigingstalen
waarin woordelementen van vorm kunnen veranderen afhankelijk van hun
grammaticale functie. Hierbij wordt een patroon gevolgd waarin alles
vloeit en van binnenuit wordt geleid; en onze spreektaal is verstrengeld
met de creatieve krachten van het heelal. Hoe meer verfijnd en ontwikkeld
het menselijke zelfbewustzijn wordt, hoe meer verfijnd onze taal en
spraak kunnen worden, of misschien nemen we zelfs volledig afstand van
het verbale communiceren en vertrouwen we meer op psychische en spirituele
methoden waarvan de zaden nu aan het ontkiemen zijn.
Er bestaan nu tussen de 6.000 en 7.000 talen in de wereld. Over hun
uiteindelijke oorsprong zijn de meningen verdeeld tussen zij die beweren
dat de taal en de spraak instinctieve vermogens zijn en zij die geloven
dat de taalkundige evolutie het darwinistische model van de natuurlijke
selectie volgt. Omdat het geluid van een woord geen direct verband heeft
met zijn betekenis, veranderen de woorden zo snel van betekenis en vorm
dat veel linguïsten beweren dat hun oorsprong bijna niet te vinden
is, en in de geschiedenis is verloren gegaan. De taalkundige die het
meest bekend is om zijn werk over de historische relatie tussen alle
talen van de wereld, dr. Joseph H. Greenberg, is het hiermee oneens.
Hij verklaart dat de betekenis en geluiden van sommige onderdelen van
de taal stabieler zijn dan andere, zoals: persoonlijke voornaamwoorden,
delen van het lichaam, en natuurlijke objecten zoals de zon en de maan.
Door het vergelijken van honderden stabiele kernwoorden maakte hij een
indeling in twaalf superfamilies, waaronder de Euraziatische en de Amerindiaanse,
die misschien al meer dan 60.000 jaar in ontwikkeling zijn. De Russische
taalkundigen Illich-Svitych en Dolgopolsky kwamen onafhankelijk van
elkaar op een controversiële Euraziatische superfamilie die Nostratisch
wordt genoemd, en waarvan zij geloven dat deze meer dan 12.000 jaar
geleden werd gesproken. Nostratisch overlapt het Euraziatisch van Greenberg
en bevat enkele talen uit het Midden-Oosten en Afro-Aziatische talen
maar niet het Japans en de Eskimo-Aleoeten-talen van Eurazië. Derek
Bickerton betoogt – in tegenstelling tot het denkbeeld dat primitieve
talen kunnen zijn ontstaan uit de basisbehoefte om te communiceren –
dat taal en spraak zich manifesteerden toen ons denken ernaar streefde
om de wereld om ons heen te begrijpen. Zijn theorie wordt onderbouwd
door het idee dat de ontwikkelingsstadia die een mens vanaf de conceptie
tot aan de volwassenheid doorloopt, parallel lopen aan de evolutiestadia
van de mensheid als geheel.
Archeologisch onderzoek naar de genetica van populaties wordt gebruikt
om veel historisch taalkundige theorieën te ondersteunen. Vergelijkingen
van mitochondriaal DNA van oude stoffelijke overschotten in verschillende
delen van de wereld, en verwijzingen naar hedendaagse taalovereenkomsten
zoals die in grammatica en zinsbouw, onthullen een beeld van menselijke
migratieroutes die duizenden jaren bestrijken, en de oorsprong en ontwikkeling
van bepaalde talen omvatten. Hoever dit proces ons kan terugvoeren is
discutabel. Merritt Ruhlen houdt een omstreden pleidooi voor een wereldtaal
die Proto-Global wordt genoemd, en suggereert dat de huidige talen mogelijk
afstammen van één voorouderlijke menselijke taal die tot
honderdduizenden jaren teruggaat. Dit houdt verband met enkele DNA-studies1
die aanvoeren dat alle volkeren, en misschien ook alle talen, afstammen
van een kleine Afrikaanse populatie ongeveer 200.000 jaar geleden –
de Eva-uit-Afrika-theorie. Veel geleerden zijn nu betrokken bij een
veelzijdige onderneming die de ‘zich aftekenende synthese’
wordt genoemd; deze probeert onderzoek in taalkunde, menselijke genetica,
en archeologie te verenigen om tot één hypothese te komen
over de oorsprong en verspreiding van de moderne mens vanuit Afrika
naar de rest van de wereld gedurende de afgelopen 100.000 jaar. Tegenover
de theorie van één vooroudertaal staat de theorie dat
er meerdere vooroudertalen zijn die zich onafhankelijk van elkaar kunnen
hebben ontwikkeld in verschillende delen van de wereld, en tijdens verschillende
stadia van de menselijke evolutie, die samen tot de tegenwoordige diversiteit
hebben geleid.
Sommige toekomstverwachtingen laten zien dat er in de komende honderd
jaar waarschijnlijk tussen de 3.500 en 5.500 talen zullen uitsterven
als gevolg van populatieverschuivingen, samensmeltende culturen, vernietiging
van land, overheidsbeleid, migratie, ziekten, globalisering, en elektronische
media. Er waren in het verleden ooit veel meer talen; zo overheersen
in Zuid-Amerika nu bijvoorbeeld Spaans en Portugees ten koste van honderden
inheemse talen. Tegenwoordig spreekt de helft van de wereldbevolking
maar vijftien talen en de helft van de talen van de wereld wordt door
groepen van niet meer dan 2.000 tot 3.000 mensen gesproken. We kunnen
het gevoel hebben dat het bestaan van vele talen in de wereld de mogelijkheid
om onszelf uit te drukken verrijkt, en ons in staat stelt de wereld
en anderen te begrijpen door middel van andere denkbeelden dan de onze.
Het Sanskrietwoord karma, bijvoorbeeld, dat 150 jaar geleden
in het westen zo goed als nooit werd gehoord, omvat betekenissen en
ideeën waarvoor geen enkel Europees equivalent bestaat. Is het
niet belangrijk om de folklore, mythologie en geschiedenis van een volk
levend te houden om hun leven een soort cultureel en spiritueel kader
te kunnen geven? Er worden pogingen ondernomen om talen te redden en
te laten herleven voordat de enige blijvende optekening ervan in geschreven
vorm zal zijn, of voordat ze geheel zullen zijn verdwenen. Sommigen
beweren echter dat als meer mensen minder talen spreken, de culturele
barrières zullen afnemen en daardoor, wat hard nodig is, het
begrip tussen de verschillende volkeren op de wereld zal kunnen groeien.
In 1888 schreef Blavatsky dat ‘er tijdens de jeugd van de mensheid
één taal, één kennis en één
universele religie bestond’ (GL 1:373). Hoewel De
Geheime Leer naar een paar heel oude talen verwijst, is de oudste
taal waarover de theosofische literatuur uitvoerig spreekt het Senzar,
dat Blavatsky omschrijft als een geheime priestertaal: ‘want er
was een tijd dat deze taal bekend was aan de ingewijden van ieder volk,
toen de voorvaderen van de Tolteken haar even gemakkelijk verstonden
als de bewoners van het verloren Atlantis, die haar op hun beurt erfden
van de wijzen’ die teruggaan tot de eerste mensen (GL
1:27). Senzar is nog altijd onbekend aan de moderne taalkundigen, en
de theosofische literatuur beweert dat het voor de meerderheid van de
mensen onbekend is geweest sinds wereldrampen het afsplitsen van talen
uit één gemeenschappelijke taal veroorzaakten, gebeurtenissen
die worden gekenmerkt door overstromingsmythen en de bijbelse allegorie
van de Toren van Babel. Blavatsky noemt deze taal de ‘directe
voorouder’ of ‘wortel’ van het Sanskriet, en relateert
deze ook aan het Oud-Perzisch, Japans, Egyptische hiërogliefen,
en talen van de Amerikaanse indianen.
Senzar was een middel om de meest diepgaande esoterische waarheden
over te dragen. Hoewel het zijn eigen geschreven tekens heeft, ligt
zijn essentie voor een deel ten grondslag aan de universele pictogrammen,
hiërogliefen, en de geometrie die in spirituele tradities worden
gebruikt, en deels in middelen zoals het vertellen van verhalen, de
archetypen van allegorie, parabel, en metafoor die worden gevonden in
dromen, mythologie, folklore, religies en kunst. Ieder van ons kan folklore,
religie en kunst tot op zekere hoogte intuïtief aanvoelen. Ook
kan ieder van ons tot op zekere hoogte de betekenissen aanvoelen die
besloten liggen in symbolen zoals de cirkel of het kruis, de parabels
van Jezus of de sprookjes van Grimm. We denken in symbolen en ideeën,
een taal die sommige taalkundigen ‘mentaals’ noemen, en
deze zijn misschien collectieve herinneringen aan de geestelijke waarheden
die we ooit allemaal hebben begrepen en die nog steeds binnenin ons
liggen opgeslagen, waarheden die begraven liggen onder vele levens waarin
materialistisch denken de gewoonte was, en die erop wachten tot we een
beroep op ze doen. Blavatsky herhaalt Plato’s lering dat leren
herinnering is, en suggereert dat de mensheid in de toekomst de kennis
van de universele mysterietaal in ere zal herstellen.
Eén belangrijke doelstelling van de taalwetenschap is ‘te
laten zien dat alle talen variaties zijn op één enkel
thema, terwijl ze tegelijkertijd getrouw hun gecompliceerde eigenschappen
van geluid en betekenis vastlegt’ (Language and Mind: Current
Thoughts on Ancient Problems, Noam Chomsky, 1997). Studies laten
inderdaad zien dat de grammatica van alle talen, hoewel ze in veel gevallen
verschillen vertoont, onderliggende, natuurlijke vooraf bepaalde patronen
volgt, ongeveer op dezelfde manier als een verhaal een begin, midden,
en einde heeft, of een lied een ritme, harmonie en melodie moet hebben.
Deze onderzoekers gebruiken een holistische benadering: ze leren hoe
woordcategorieën (zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk
naamwoord, bijwoord, voorzetsel, enz.) zich tot elkaar verhouden, en
gebruiken deze om zinsdelen te construeren die zelf weer worden gerangschikt
om zinnen te vormen. We doen dit bijna zonder moeite en onbewust om
betekenisvolle informatie aan anderen over te dragen. Chomsky dacht
dat talen meer op elkaar lijken dan dat ze van elkaar verschillen, en
deed op basis daarvan baanbrekend onderzoek naar taal als een algemene
‘cognitieve structuur’ en functie van het denkvermogen,
bijna zoals een bioloog de vertering onderzoekt als een normale lichamelijke
functie. Als hij zich afvraagt hoe we een taal leren, stelt hij vervolgens
de vraag hoe een mens de taak volbrengt om een taal te leren en zich
eigen te maken. Volgens zijn theorie hebben we een ‘taalinstinct’
of ‘taalorgaan’, waarvan de fysieke vertegenwoordiger in
de hersenen tot nu toe nog niet is geïdentificeerd. Dit taalinstinct
gebruikt wat hij een universele grammatica noemt, een natuurlijk fundament
van regels of wetten op basis waarvan elke taal kan worden geleerd,
waaronder gebarentaal. Omdat deze kwaliteit is aangeboren, ontwaakt
bij kinderen van elke cultuur spontaan het vermogen om zelfs ingewikkelde
grammaticale regels toe te passen wanneer ze taal leren gebruiken en
hun woordenschat uitbreiden. Deze onderliggende structuur van intelligentie
wordt zeker niet door de ouders aan het kind geleerd,
het kind weet veel meer dan door ervaring wordt opgedaan.
Dit geldt zelfs voor eenvoudige woorden. Jonge kinderen leren woorden
met een snelheid van ongeveer een woord per uur dat ze wakker zijn,
door zeer beperkte blootstelling en onder heel uiteenlopende omstandigheden.
De woorden worden op verfijnde en ingewikkelde manieren begrepen die
veel verder gaan dan de verklaring in een woordenboek, en waarvan
het onderzoek nog in de kinderschoenen staat. Wanneer we verder kijken
dan alleen naar woorden, wordt de conclusie nog indrukwekkender. Het
aanleren van taal lijkt op de groei van organen in het algemeen; het
is iets dat bij een kind gebeurt, niet iets wat het kind doet. En
terwijl de omgeving er duidelijk toe doet, zijn het algemene verloop
van de ontwikkeling en de basiseigenschappen van wat er ontstaat vooraf
bepaald door het aanvangsstadium [Universele Grammatica]. Maar het
aanvangsstadium is een algemeen menselijk bezit. Het moet dus zo zijn,
dat talen wat hun essentiële eigenschappen betreft in eenzelfde
vorm worden gegoten. Een wetenschapper van Mars kan redelijkerwijs
concluderen dat er één menselijke taal is, met alleen
verschillen aan de buitenkant. – Op.cit.
Het verwerven van taal door kinderen is een zeer omstreden wetenschappelijk
gebied; er wordt een levendige discussie gevoerd of de natuur dan wel
de opvoeding dit bepaalt. Aan de ene kant wordt algemeen aanvaard dat
baby’s en jonge kinderen individuele woorden en hun betekenissen
onderbrengen in hun mentale woordenschat door ze van hun familieleden
te leren. Echter, zulke complexe en subtiele eigenschappen als het herkennen
van en reageren op individuele geluiden in een woord, het generaliseren
en het specialiseren binnen betekeniscategorieën (betekent het
Engelse woord ‘stone’ rots, of een specifieke steen, het
werkwoord ‘stenigen’, alle eigenschappen van een steen,
of een mineraal, een levenloos voorwerp, enz.), en het trekken van conclusies,
worden zoals veel aangeboren vermogens weinig begrepen.
Wat er aan de standaardinzichten in de taalverwerving ontbreekt is
het idee dat het menselijke lichaam met zijn hersenen een voertuig van
een innerlijke godheid is. In onze hogere gebieden hebben we een alomvattend
begrip van onszelf en onze omgeving, gebaseerd op ontelbare levens van
verfijning door wederbelichaming op fysieke, mentale en emotionele gebieden.
Onze groei van kiem via jeugd naar volwassenheid wordt geleid door ons
geestelijke zelf. De menselijke ziel of zijn hogere denkvermogen is
zelf een emanatie van de geest. Tijdens de fysieke zwangerschap trekt
de menselijke ziel om zich heen eigenschappen aan uit vorige levens
om zo de samengestelde geestelijke, psychische en fysieke mens op te
bouwen, een proces dat pas stopt tegen het einde van de natuurlijke
levensduur. De verbinding tussen het spirituele en het fysieke is sterk,
en we steunen meer op het spirituele dan op het fysieke als het gaat
om het beheersen van onze biologische en psychische processen, en ook
voor het ontwikkelen van een dieper begrip.
Het universele patroon dat aan alle talen ten grondslag ligt –
geschreven, gesproken, braille of gebarentaal – en het aangeboren
vermogen om taal te verwerven met al haar subtiele, ingewikkelde eigenschappen,
bestaan en werken misschien in een niet-fysieke tussenstof. Eén
mogelijkheid is de theorie van de bioloog Rupert Sheldrake over morfogenetische
velden: dat velden van intelligente energie, ‘een inherent geheugen
in de natuur’, worden gebruikt om mentale, gedrags-, sociale en
culturele ideeën vast te leggen en van de ene aan de andere generatie
over te dragen – een proces dat Sheldrake morfogenetische resonantie
noemt. Dit idee houdt verband met de archetypen van C.G. Jungs theorie
over het collectief onbewuste. Deze archetypen zijn nauw verbonden met
onze impuls om te willen begrijpen en leren, want ze vormen niet alleen
de grondslag van de fysieke wereld, maar ook van onze mentale en emotionele
werelden. Gezamenlijk kunnen deze levende symbolen ook de trilling van
de ‘grondtoon van de waarheid’ vormen, die miljoenen jaren
geleden werd aangeslagen in het denken van de mensheid door hogere intelligente
krachten die waakten over de eerste stadia van de menselijke ontwikkeling,
zoals in De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett wordt vermeld.
Volgens de theosofie zijn gedachten entiteiten met een rudimentaire
intelligentie die op een natuurlijke wijze in een enorme mentale bewaarplaats
verblijven die soms het astrale licht wordt genoemd, en die onze planeet
omgeeft en doordringt. Voorzover onze fysieke, mentale en emotionele
groei betreft – en daartoe behoort het verwerven van taal –
hebben we, individueel en als mensheid, karmische neigingen die nauw
zijn verbonden met eigenschappen uit vorige levens en invloeden binnen
het astrale licht, die zowel algemene als meer specifieke elementen
van onze ontwikkeling bepalen. De snelheid van en de beweegredenen tot
onze eerste taalverwerving kunnen daarom een onbewust herinneren of
‘downloaden’ zijn van de taaleigenschappen die we als soort
hebben geleerd sinds de grondslagen van de taal oorspronkelijk in het
astrale licht werden gelegd door de vroegste mensheid, tot aan de grammatica
toe die ieder van ons in onze vorige incarnatie heeft gebruikt.
Noot
- Voor een uiteenzetting van verschillende modellen
van de menselijke afstamming, zie ‘De
zoektocht naar de oorsprong van de mens’ door Ina Belderis,
Sunrise, sept/okt 2003.
Het zich ontvouwende scenario van spraak en
taal – 2
Harry Young
De taalkundige Wilhelm Von Humboldt zei dat taal het ‘onbeperkte
gebruik van beperkte middelen’ is, misschien omdat ze moet beantwoorden
aan de onbeperkte reeks van mogelijke menselijke ervaringen. Volgens
mij wijst dit erop dat de wortels van de taal diep binnenin ons liggen,
als een universele bron van caleidoscopische uitdrukkingen, en dat de
spreektaal niet slechts een aangeleerd of geconditioneerd gedrag is,
maar een essentieel aspect van de reizende pelgrim die zich in ieder
van ons bevindt: de innerlijke onsterfelijke held die verlangt naar
de veldslagen van het leven, die rustig een les trekt uit zowel overwinningen
als nederlagen, en lijdt onder menselijke zwakheden terwijl hij moedig
verdergaat, dag in dag uit, leven na leven, op weg naar het licht.
Gedachten kunnen niet alleen generaties inspireren maar ook culturen,
zowel individueel als gemeenschappelijk, om de meest edele aspiraties
tot stand te brengen. Sommige van de grootste figuren van de mensheid
hebben zich verheven tot gebieden van ervaring diep in het hart van
de natuur en hebben met hun eigen geest de waarheid gezien van wat het
universum samenhoudt. Sommigen van hen, die de woorden kunnen vinden
die deze grootse geestelijke denkbeelden voldoende precies en overtuigend
weergeven, maken anderen na hun terugkeer deelgenoot van dit licht.
Zij die daarin slaagden hebben ons de grootse spirituele, religieuze,
en filosofische teksten en leringen van de wereld nagelaten. Grote dichters
en schrijvers hebben de bibliotheken van de wereld gevuld met inspirerende
werken. Nu we in deze interessante en onvoorspelbare dagen nieuwe gebieden
van ervaringen betreden, draagt ook de grote menigte naamloze mensen
door onze gesproken en geschreven taal bij aan de altijd veranderende
rijkdom van de ‘nalatenschap van de taal’.
Welke invloed heeft de menselijke stem op ons en onze omgeving? Kan
ze bijvoorbeeld de fysieke gezondheid beïnvloeden? Gesproken taal
is de fysieke emanatie van gedachten die veranderingen hebben ondergaan
door emoties, daarom zou het niet juist zijn om te zeggen dat de spraak
zelf het lichaam beïnvloedt, want uiteindelijk zijn gedachten en
emoties de achterliggende oorzaken. Echter, wanneer we gedachten eenmaal
uitspreken, resoneren hun overeenkomstige trillingen door het hele lichaam,
en beïnvloeden elk atoom terwijl ze tot specifieke gebieden worden
aangetrokken. De menselijke stem en geluid in het algemeen zijn door
de eeuwen heen gebruikt bij genezingspraktijken en -rituelen. Sjamanen
gebruiken geluid en ritme om andere bewustzijnstoestanden binnen te
gaan, en vocale intonaties om voorwaarden te scheppen die gunstig zijn
om het evenwicht te herstellen. Zowel stille als vocale gebeden, vooral
zingen, kunnen een krachtige invloed hebben op zowel geest als lichaam.
Vocale bevestiging van innerlijke overtuigingen en aspiraties versterkt
niet alleen de besluitvorming maar kan ook het lichaam nieuw leven schenken.
Sommige technieken van ‘geestelijke geneeskunde’ gebruiken
de menselijke stem om blokkades in het fysieke of astrale lichaam op
te heffen. De moderne geneeskunde erkent tot op zekere hoogte de kracht
en voordelen van geluid als een helend hulpmiddel, maar niet de menselijke
stem. Fysiotherapeuten gebruiken bijvoorbeeld ultrasound bij het behandelen
van beschadigd spierweefsel.
Ondanks de grondige inzichten van moderne taalkundigen in de mechanismen
van de taal, blijken de ethische aspecten van het spraakgebruik meer
tot het gebied van de spiritualiteit te behoren dan tot dat van de taalkunde.
Ons dagelijkse taalgebruik volgt duidelijke patronen, en maakt gebruik
van onze eigen door gewoonte gevormde woordenschat. Onze motieven die
meestal onuitgesproken blijven hebben grotere gevolgen dan onze woorden,
en daarom zouden we meer aandacht moeten schenken aan de beheersing
van onze motieven dan aan de beheersing van de woorden die we kiezen.
Willen we in de ‘geestelijke geneeskunde’ bijvoorbeeld in
de eerste plaats genezen of persoonlijke vermogens ontwikkelen?
Het vermogen tot spreken brengt daarom een zekere verantwoordelijkheid
met zich mee. Soms vergeten we onze hersenen te gebruiken voordat we
iets zeggen en zeggen we iets dat volkomen onzin is of iets dat niet
werkelijk ons denken weerspiegelt. Onze stemmen zijn fysieke emanaties
vanuit innerlijke gebieden. In The Language Instinct [Het taalinstinct]
licht Steven Pinker één theorie over dit onderwerp toe
– over het ‘mentalees’:
We hebben allemaal de ervaring gehad dat we iets
zeiden of schreven, en ons toen realiseerden dat het niet precies
overeenkwam met wat we wilden zeggen. Door dat gevoel te hebben, moet
er een ‘wat we wilden zeggen’ zijn dat verschilt van wat
we hebben gezegd. Soms is het niet gemakkelijk om ook maar enige woorden
te vinden die op de juiste manier een gedachte overbrengen. Wanneer
we luisteren of lezen herinneren we ons meestal de hoofdgedachte,
maar niet de exacte woorden, dus moet er zoiets als een hoofdgedachte
zijn die niet hetzelfde is als een verzameling woorden.
– blz. 57-8
Tot slot zegt hij:
Mensen denken niet in het Engels, Chinees, of Apache;
Ze denken in een gedachtetaal [mentalees]. Deze gedachtetaal lijkt
waarschijnlijk een beetje op al deze talen . . . om met deze gedachtetalen
het redeneren adequaat te dienen, moeten ze waarschijnlijk meer op
elkaar lijken dan dat elk van hen op hun gesproken tegenhanger lijkt,
en het is waarschijnlijk dat ze dezelfde zijn: een universeel mentalees.
– blz. 81-2
Gedachten zijn zo complex, en de talen die we gebruiken zo beperkt
in hun vermogen om wat we werkelijk denken of onze motieven over te
brengen, dat maar een klein deel van ons innerlijke leven ooit het fysieke
gebied bereikt. Dit betekent dat wat we wèl zeggen, voor een
groot deel bepaalt hoe we onszelf karakteriseren. Hoe kunnen we dan
het beste onze stem gebruiken om volledig onder woorden te brengen wat
we denken? Moeten we zorgvuldig aandacht besteden aan wat we zeggen
en hoe we het zeggen? H.P. Blavatsky vond van wel, omdat
Het gesproken woord een kracht bezit, die
de moderne ‘wijzen’ niet kennen, niet vermoeden en
waarin zij niet geloven. Omdat geluid en ritme in nauw verband
staan met de vier elementen van de Ouden en omdat een dergelijke trilling
in de lucht ongetwijfeld overeenkomstige krachten zal opwekken, en
een vereniging daarmee zal afhankelijk van de omstandigheden goede
of kwade gevolgen teweegbrengen.
– De Geheime Leer 1:334
Sinds lange tijd is bekend dat het uitspreken van bepaalde woorden
op een manier waardoor bepaalde geluiden en resonanties in de stembanden
en schedel worden voortgebracht, occulte gevolgen met zich meebrengt.
Als ze op de juiste manier worden gebruikt, kunnen ze weldadige gevolgen
hebben, maar wanneer ze onverstandig worden gebruikt kan dit zeer gevaarlijk
zijn, en het is dus niet zonder reden dat veel ‘magische’
woorden, mantra’s en methoden van vocaliseren nauwkeurig worden
bewaakt. Zelfs alledaagse omgangstaal heeft occulte gevolgen die mensen
die in de nabijheid zijn kunnen beïnvloeden. Dit is eenvoudig de
werking van karma en is als zodanig neutraal. De polariteit van deze
oorzaken – schadelijk of onschadelijk, weldadig of nadelig –
wordt bepaald door het motief en door de emotie achter de woorden.
Als een woord eenmaal is uitgesproken, zijn de gevolgen op onze omgeving
en in de ziel van de ander moeilijk meer te veranderen. Als we onze
gedachten echter voor onszelf houden, kunnen we ze manipuleren zover
als onze verbeelding reikt, en we kunnen misschien wanneer de omstandigheden
gunstig zijn met waarheid en schoonheid spreken en vermijden dat we
hoeven te betreuren wat we hebben gezegd. Over de aard van woorden schreef
William Quan Judge:
Woorden zijn dingen. Voor mij en feitelijk. Op het
lagere gebied van de sociale contacten zijn het dingen, maar zielloos
en dood omdat de gebruiken waarbij ze zijn ontstaan er misbaksels
van hebben gemaakt. Maar wanneer we alle conventies loslaten, komen
ze meer of minder tot leven al naar gelang de werkelijkheid en de
zuiverheid van de gedachte die aan die woorden ten grondslag ligt.
. . . Laten we die levende boodschappers die woorden worden genoemd
met zorg gebruiken.
– Brieven die me hebben geholpen,
blz. 16
Op een praktisch niveau geeft hij bovendien als advies:
Om te beginnen, probeer de gewoonte te overwinnen
die bijna algemeen is om jezelf op de voorgrond te plaatsen. Dit komt
voort uit de persoonlijkheid. Trek het gesprek niet naar je toe. Houd
je op de achtergrond. Als iemand begint je iets over zichzelf en zijn
situatie te vertellen, grijp dan niet de eerste kans aan om hem over
jezelf te vertellen, maar luister naar hem en spreek alleen om hem
zich te laten uiten. En wanneer hij klaar is onderdruk dan in jezelf
het verlangen over jezelf te vertellen, jouw meningen en ervaringen.
Stel geen vragen tenzij je van plan bent te luisteren naar het antwoord
en de waarde daarvan wilt onderzoeken. Probeer je te herinneren dat
je in de wereld een heel klein stukje bent, en dat de mensen rondom
je jou helemaal niet waarderen en niet treuren als je er niet bent.
Je enige ware grootsheid ligt in je innerlijke werkelijke zelf en
dat wenst geen applaus van anderen te ontvangen. Als je deze aanwijzingen
een week lang opvolgt zul je merken dat ze behoorlijk veel inspanning
vergen, en zul je iets beginnen te ontdekken van de betekenis van
het gezegde ‘Mens, ken uzelf’.
– Op.cit., blz. 174
Omdat spraakgebruik een fysiek vermogen is met zijn wortels in het
geestelijke deel van ons, lijkt het logisch dat hiermee spirituele wetten
samenhangen waaraan we ons zouden moeten houden als we onze bestemming
willen vervullen en bewust als geestelijke wezens willen leven. Hoe
we dit kunnen doen is door veel wereldleraren naar voren gebracht. Eén
methode is de lering van de Boeddha over juist spraakgebruik, een deel
van het Edele Achtvoudige Pad. Juiste spraak is een onderdeel van de
dharma of de plichtsgetrouwe manier waarop de mens zou moeten leven,
zowel dagelijks als in de loop van de evolutie.
In het Edele Achtvoudige Pad van de Boeddha is de eerste stap het hebben
van de juiste zienswijze, een houding of inzicht dat iemand in staat
stelt om wijs te handelen op alle gebieden van het leven en in harmonie
met de wereld. Juist spraakgebruik volgt dan op een natuurlijke manier:
de intentie om zich te onthouden van onjuist spraakgebruik, van lasterlijke
of verdeeldheid brengende taal, van onbeleefde, wrede of onbenullige
taal. Als ons denken lui is, zeggen we het eerste dat bij ons opkomt,
en dat is meestal niet iets van blijvende waarde. Juist spraakgebruik
moedigt ons aan om over ons taalgebruik na te denken, zowel vóór,
tijdens en na het spreken, en om te onderzoeken waarom we op een bepaald
moment iets willen zeggen. Taalgebruik op de juiste manier geuit zou
zorgvuldig op haar betekenis overdacht moeten zijn, op het juiste moment
gesproken moeten worden, en logisch, mild en betekenisvol moeten zijn.
De Tipitaka bevat enkele mooie voorbeelden van het juiste
spraakgebruik van de Boeddha samen met de theorie daarover. De Abhaya
Sutta geeft een korte maar veelomvattende lijst van hoe een Boeddha
zijn spraak gebruikt:
1. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
[Boeddha] weet dat ze niet overeenkomstig de feiten en onwaar zijn,
en niet bevorderlijk (of: niet verband houden met het doel), niet
innemend en onaangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.
2. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en niet bevorderlijk,
niet innemend en onaangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.
3. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, bevorderlijk, maar
niet innemend en onaangenaam zijn voor anderen, heeft hij een instinctief
gevoel om ze op het juiste moment te zeggen.
4. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
weet dat ze niet overeenkomstig de feiten en onwaar zijn, en niet
bevorderlijk, maar innemend en aangenaam zijn voor anderen, zegt hij
ze niet.
5. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en niet bevorderlijk,
maar innemend en aangenaam zijn voor anderen, zegt hij ze niet.
6. In het geval van woorden waarvan de Tathagata
weet dat ze overeenkomstig de feiten en waar zijn, en bevorderlijk
en innemend en aangenaam zijn voor anderen, heeft hij een instinctief
gevoel om ze op het juiste moment te zeggen. Waarom is dit zo? Omdat
de Tathagata mededogen heeft voor levende wezens.
Dit lijkt veel om te onthouden. Maar de regels ‘hij heeft een
instinctief gevoel om ze op het juiste moment te zeggen’ en ‘omdat
de Tathagata mededogen heeft voor levende wezens’ impliceren dat
Gautama geen formule hoefde te onthouden die als dat nodig was moest
worden gebruikt. Een van de verschillen tussen een hoger wezen zoals
een boeddha, en onszelf is dat terwijl een boeddha altijd de waarheid
kent en spreekt, wij vaak in een positie zijn geplaatst waarin we de
waarheid kennen, maar ervoor kiezen deze niet te vertellen, zoals het
toegeven van schuld. Eerlijkheid, geweten en intuïtie zijn krachtige
bondgenoten op het pad om juist taalgebruik te bereiken, en moed is
nodig als meesterschap het doel is. Doeltreffende oefening van juiste
spraak steunt niet op onderwijs of handig met woorden kunnen spelen,
maar op het uitspreken van dat waarvan we voelen dat we het
moeten zeggen, en altijd proberen om mee te leven als iets
lijden zou kunnen veroorzaken of tegen de waarheid zou ingaan.
Laster, spot, vijandelijk sarcasme, en roddel, kunnen niet alleen de
spreker beschadigen, maar ook emotionele littekens veroorzaken bij de
toehoorder die een leven lang kunnen blijven bestaan. Soms is er een
dunne scheidslijn tussen wat de toehoorder als een onschuldige grap
(lachen met) of als pijnlijk (uitlachen) ervaart. Als er ook maar de
geringste twijfel bestaat of iemand door de woorden schade kan worden
gedaan, zwijg dan. Denk na. Verplaats uzelf in de gemoedsgesteldheid
van de ander, en kies indien nodig andere woorden. Omdat veel van onze
alledaagse spraak uit onze reacties bestaat, zeggen we vaak wat we niet
werkelijk menen. Continue gevoeligheid voor de mensen om ons heen is
heel moeilijk vol te houden, maar de moeite waard om te proberen.
Hoewel geen enkel verstandig mens de oorzaak zou willen zijn van een
levenslang emotioneel litteken bij een ander, zijn er ook andere verreikende
redenen om geen kwetsende taal te gebruiken. Judge formuleert deze in
een artikel getiteld: ‘Hoe moeten we anderen behandelen?’:
Het feit dat de persoon die je veroordeelt of waartegen
je je verzet dat in dit leven lijkt te verdienen door zijn daden in
dit leven, doet niet af aan het andere feit dat zijn natuur tegen
je in opstand zal komen wanneer daarvoor het moment aanbreekt. Die
reactie is een wet die niet afhangt van en niet zal veranderen door
enig gevoel van jouw kant. Hij heeft je misschien werkelijk onrecht
aangedaan of je zelfs pijn gedaan, en dat gedaan wat in de ogen van
mensen afkeurenswaardig is, maar dit alles heeft niets te maken met
het dynamische feit dat als je met je veroordeling zijn vijandigheid
hebt opgewekt er een terugslag op jou zal komen, en daarmee ook op
de hele samenleving in die eeuw waarin die terugslag plaatsvindt.
. . .
. . . Als het jou beïnvloedt kan het verschillende
gevolgen hebben. Als je bijvoorbeeld veroordeeld hebt, kunnen we noemen:
(a) de toenemende neiging in jezelf je over te geven aan het veroordelen,
die in leven na leven zal blijven en toenemen; (b) dit zal uiteindelijk
in jezelf tot geweld leiden en alles waartoe woede en dat veroordelen
op natuurlijke wijze kunnen leiden; (c) die andere persoon zal zich
tegen jou gaan verzetten, iets dat altijd zal blijven bestaan totdat
op een dag beiden eronder zullen lijden, en dat kan zijn in de vorm
van een neiging in de andere persoon om jou in elk volgend leven te
schaden . . . , en vaak ook onbewust. Op die manier kan het zich uitbreiden
en de hele gemeenschap treffen. Dus, hoe rechtvaardig het je ook mag
lijken om de ander te veroordelen, te beschuldigen of te straffen,
hiermee leg je de oorzaak van leed in de hele mensheid die op een
dag zijn uitwerking moet hebben. . . .
De tegenovergestelde handelwijze, die uitgaat van
diepe barmhartigheid en voortdurende vergeving, laat het verzet van
anderen volledig verdwijnen, put de oude vijandigheid uit en legt
tegelijkertijd geen nieuwe soortgelijke oorzaken. Elke andere soort
van gedachte of gedrag zal zeker de totale som van haat in de wereld
doen toenemen, leiden tot verdriet, en de misdaad en ellende in de
wereld onophoudelijk laten voortduren. Ieder mens kan voor zichzelf
bepalen welke van de twee manieren van handelen de beste is om te
volgen.
– Echoes of the Orient 1:480-2
‘Wanneer het moment daarvoor aanbreekt’ – we zien
vaak niet in wat dit betekent. Maar gewapend met de kennis van karma
hebben we in veel situaties op zijn minst de mogelijkheid om met een
schone lei te beginnen.
De reden waarom Boeddha zijn rechtmatige beloning om nirvana binnen
te gaan verzaakte was om het lijden van de mensheid te helpen verzachten.
De gave van de Groten en hun helpers is inderdaad het lot in eigen handen
te leren nemen zodat de sluier van onwetendheid door onze eigen daden
kan worden opgetild, opdat het licht van de waarheid in ieder van ons
zal schijnen. Als we over de verstrekkende gevolgen van onze woorden
nadenken, kunnen we begrijpen waarom de Boeddha niet de enige was die
de taal in zijn leringen opnam. In de Veda’s van de hindoes worden
verschillende niveaus van spraakgebruik genoemd, die wijzen op graden
van geestelijk onderricht, alleen bedoeld voor hen die de taal begrijpen
waarin ze worden gegoten. In de Phaedrus van Plato vraagt Socrates,
‘Weet u hoe u welsprekendheid kunt behandelen of erover kunt spreken
op een manier die acceptabel is voor God?’ en licht daarna de
edele deugden van de ‘belangrijke activiteiten van de redenaar’
toe, die tot de ‘grootste hoogte van menselijk geluk’ kunnen
leiden. Toen Jezus in de Evangeliën zijn discipelen uitzond om
zijn leringen te verkondigen, zei hij dat ze alleen maar in hem hoefden
te geloven om de juiste woorden te vinden om het hart van de mensen
te bereiken. Geloof in het Christos-beginsel in ons, het deel dat intuïtief
begrijpt, kan het hersenverstand met wijsheid verlichten zodat er ongetwijfeld
spontaan, waarheidlievend en geestelijk geïnspireerd taalgebruik
zal zijn. De inheems Amerikaanse traditie leert ons dat ieder persoon
zijn of haar eigen leven moet beheersen. ‘Geef je woord en leef
na wat je zegt,’ is een advies van een medicijnman. Als we proberen
de gemoedsgesteldheid van de Boeddha – van ‘medeleven voor
levende wezens’ – aan te nemen, zullen onze woorden misschien
eenvoudig voortvloeien uit onze meer altruïstische motieven.
Omdat het geschreven woord uitgesproken kan worden en gedachten en
intenties overbrengt, volgt daaruit dat de ethische regels die voor
spreken gelden, ook voor het geschreven woord moeten gelden. Maar de
eigenschap die het meest door de ware zoeker wordt geprezen –
wijsheid – wordt verworven door te leven, niet door te lezen of
te schrijven. De natuur maakt, terwijl ze de kans biedt om haar geheimen
te leren kennen, geen onderscheid tussen de geletterden en de ongeletterden,
en ook niet tussen hen die kunnen spreken en zij die dat niet kunnen.
Veel geestelijke leraren laten geen geschreven optekeningen na. De kracht
achter hun gesproken woorden, daden en invloed, wordt door hun volgelingen
opgetekend, en na verloop van tijd wordt de eens zo levendige boodschap
bijna levenloos. Daarom verschijnen de Groten op geschikte momenten
in de geschiedenis regelmatig opnieuw, en volgen de mondelinge traditie
van kennisoverdracht, hoewel er natuurlijk altijd uitzonderingen zijn.
Hoewel juiste spraak een deugd is die iedereen kan toepassen, is ze
ook relatief: wat voor de ene mens goed is om te zeggen kan voor de
ander niet goed zijn. Het gaat er niet om dat we zó intensief
bezig zijn met wat we zeggen dat we verstarren ten koste van de spontaniteit.
Wat uiteindelijk het meest belangrijke van spreken of schrijven is,
is dat we de bedoeling of intentie overbrengen. Bij het luisteren en
lezen is het meest belangrijke dat we proberen te begrijpen wat er werkelijk
wordt bedoeld. We vertrouwen allemaal op onze intuïtie bij het
ontcijferen van de wirwar aan informatie en stimuli waarmee we dagelijks
worden geconfronteerd, om het ware van het onware te onderscheiden.
De intuïtie doet een beroep op ons om te proberen de taal van de
geest te begrijpen die overal in de natuur is te horen. Dit weerspiegelt
ons aangeboren en onophoudelijke verlangen om de waarheid te begrijpen,
een erfenis van onze geestelijke voorouders, de scheppende goden of
krachten van het universum. We doen dit zonder dat we het ons bewust
zijn. We leren wanneer we er niet aan denken dat we leren, en toch is
er ongetwijfeld een verantwoordelijkheid om deze onzichtbare, innerlijke
impuls halverwege tegemoet te treden door onszelf zo ontvankelijk mogelijk
te maken als we kunnen. Het beoefenen van ethiek, en de dagelijkse wil
van het denkvermogen om de opdrachten van ons geweten en onze intuïtie
uit te voeren, vormen een moeilijke maar beproefde en betrouwbare weg
om ons bewustzijn te versterken en scherper te maken.
De magie van deze geestelijke leringen van juiste spraak kan alleen
tot leven komen wanneer ze in praktijk worden gebracht. Dit is iets
dat we meteen kunnen doen, het kost niets en we kunnen er relatief gemakkelijk
mee beginnen. Het is bemoedigend om te weten dat ondanks dat er duizenden
talen zijn, er een innerlijke, diepgewortelde universele kwaliteit bestaat,
die door ieder van ons op de ‘juiste’ manier kan worden
gebruikt. Wanneer we altijd proberen om juist te spreken, zal ieder
woord dat we uitspreken een grotere betekenis hebben. Hoewel het een
gedragsregel is, houdt juist spraakgebruik toch een totale vrijheid
van handelen in. Het geeft ons een grotere ruimte voor creativiteit,
omdat het ons aanmoedigt om dingen te zeggen die we normaal niet zouden
zeggen, of om helemaal niets te zeggen, en meer na te denken over de
bedoeling en gevolgen van de woorden die we gebruiken, zodat de dingen
die we zeggen of schrijven hopelijk het vermogen om te kwetsten zullen
verliezen, en in plaats daarvan zullen bijdragen aan het gewicht van
de hoognodige krachten van mededogen die het lijden in de wereld verlichten.