Enemies of the Enlightenment (Vijanden van de Verlichting),
Darrin M. McMahon, Oxford University Press, Londen, 2002; isbn 0195158938,
288 blz., paperback.
Tegenwoordig
is het in intellectuele kringen mode om de Verlichting van het Europa
van de 18de eeuw te bekritiseren, en de gedachten van denkers die
hun leven riskeerden voor vrijheid van denken, individuele verantwoordelijkheid,
religieuze tolerantie, en de scheiding van de dogmatische religie
van filosofie, wetenschap en de staat, destructief en dwaas te noemen.
Afhankelijk van de bron wordt ze beschuldigd van vrijdenkerij, materialisme,
rationalisme, totalitarisme, universalisme, racisme, vrouwenhaat,
en een hele reeks andere moderne problemen. Dit boek beschrijft en
analyseert op basis van grondig onderzoek de groepen en individuen
die zich tegen de ideeën van de Verlichting verzetten, voornamelijk
in haar centrum in Frankrijk. Daarbij onthult het de oorzaken achter
de opkomst van de Verlichting en van de activiteiten van zowel individuele
filosofen als groepen zoals de Vrijmetselaars. Het voert veel uit
de moderne wereld terug tot het conflict tussen deze twee strijdlustige
groepen en laat zien dat de Contraverlichting vanaf het begin van
de Verlichting bestond en haar tegenstanders bestreed, en dat beide
groepen elkaar in grote mate vormden.
McMahon richt zich op het Frankrijk van de 17de tot begin 19de eeuw.
De tegenkrachten of conservatieven, voornamelijk leden van de Katholieke
Kerk en aristocratische klassen, bestempelden filosofen zoals
Voltaire, Rousseau, Diderot, en d’Alembert als bewonderaars
van het Engels en volgelingen van het protestantisme, een goddeloze
kracht die vastbesloten was om het christendom, de moraal, de patriarchale
familie, monarchie, en cultuur zoals men die toen kende, te vernietigen,
want de conservatieven zagen het katholicisme als de enige ware religie
en de basis van al het goede in de westerse beschaving. De filosofen
maakten in hun gesprekken en geschriften duidelijk dat vernietiging
niet hun doel was, maar het vestigen van vrijheid, gelijkheid en broederschap,
woorden die het motto van de revolutionairen werden. Het groeiende
enthousiasme voor de nieuwe ideeën vormde een reëel gevaar
voor diegenen die op het punt stonden hun macht, rijkdom, status en
heerschappij te verliezen. Als antwoord waarschuwden ze dat gelijkheid
onmogelijk was omdat ongelijkheid het patroon van de natuur
was, en dat zulke bedreigende ideeën tot chaos en een ramp zouden
leiden. De opkomst van de Verlichtingsideeën in Frankrijk bereikte
haar hoogtepunt in de Revolutie, en de auteur brengt naar voren in
welke mate het revolutionaire geweld en extremisme voortkwam uit de
gewelddadige en extreme oppositie. Toch leek het afschuwelijke geweld
de voorspellingen van de Contraverlichting te bevestigen, die zich
herstelde en uiteindelijk erin slaagde om na de val van Napoleon in
1815 de conservatieve koning Lodewijk XVIII op de troon te krijgen.
Na het opnieuw vestigen van de onderling afhankelijke monarchie en
de Katholieke Kerk in Frankrijk, waren de conservatieven er zeker
van dat de oude orde was hersteld. Maar hun overwinning was niet volkomen
– de tijd kon niet worden teruggedraaid. De koning, bijvoorbeeld,
stond toe dat de geschriften van de filosofen, waaronder
het volledige werk van hun grootste vijand Voltaire, werden gepubliceerd.
Om deze verderfelijke invloeden af te zwakken, gaven de conservatieven
omvangrijke geschriften uit en verbrandden de werken van de filosofen
op openbare pleinen. Toch waren de conservatieven zelf verdeeld:
Ook na de val van de monarchie van
de Bourbons in 1830 ging de wedren tussen deze twee krachten verder.
Het woord ‘filosoof’ werd na verloop van tijd vervangen
door ‘liberaal’, hoewel tegenstanders de woorden als synoniem
zagen. Dit boek zal mensen aanspreken die een beter begrip willen hebben
van de Verlichting, de krachten die zich ertegen verzetten, en waarom
de strijd over deze onderwerpen tot op de dag van vandaag voortduurt,
vooral nu orthodoxe en fundamentalistische religies in de wereldwijde
politiek weer opleven.