Children’s Dreaming
and the Development of Consciousness (Het dromen van kinderen
en de ontwikkeling van bewustzijn), David Foulkes, Harvard University
Press, Cambridge, MA, 2002; isbn 0674009711, 208 blz., paperback.
Gepensioneerd
psycholoog David Foulkes, die internationale erkenning heeft gekregen
voor zijn empirisch onderzoek naar het dromen van kinderen, geeft
in dit boek een samenvatting van zijn levenswerk voor een breed publiek,
en deelt ons zijn conclusies mee over hoe en wanneer bespiegelend
zelfbewustzijn zich ontwikkelt. Volgens hem is ‘de bestudering
van het dromen de koninklijke weg naar een begrip van het zich ontvouwen
van bewustzijn en persoonlijkheid in de eerste kinderjaren’,
en ‘Het belangrijkste van droomverslagen is dat ze een ongeëvenaarde
mogelijkheid bieden om te leren of en wanneer jonge kinderen bewuste
mentale stadia kunnen ervaren en welke soort bewuste mentale stadia
ze wel en welke ze niet kunnen ervaren’ (blz. 158, 3).
Omdat zijn methodiek en de waarde van zijn bevindingen in twijfel
zijn getrokken door mensen met theorieën die niet overeenstemmen
met zijn gegevens, beschrijft hij in detail de onderzoekmethoden die
hij heeft gebruikt in zijn slaaplaboratoria aan de Universiteit van
Wyoming en het Georgia Mental Health Institute in Atlanta, en de gegevens
die zijn verkregen over kinderen van drie tot vijftien jaar uit onderzoek
waarin zowel dezelfde kinderen over een lange periode worden bestudeerd
als leeftijdsvergelijkingen worden gemaakt tussen verschillende groepen
kinderen over kortere perioden. Hij is het oneens met de gedachte
dat het droomleven van kinderen en hun bewustzijn in wezen gelijk
zijn aan die van volwassenen. ‘Het bewijsmateriaal van dit boek
wijst erop dat hun benadering van de wereld en de zich ontwikkelende
werkingen van hun eigen denken fundamenteel anders zijn dan de onze,
en dat het verschil ligt in automatische in plaats van bewuste overdracht’
van ervaringen en gedragingen (blz. 156). In de waaktoestand en in
dromen ‘lijken de eerste mentale beelden statisch en nogal onbeweeglijk
te zijn’ (blz. 150), en bewegende, veranderende beelden verschijnen
in het algemeen vanaf het zevende of achtste jaar. Ook ziet de dromer
tot tenminste die leeftijd in het algemeen niet zichzelf in de droom,
terwijl er in de eerste jaren vaak dieren in de dromen optreden, die
het kind en andere mensen vervangen. ‘Na zijn eerste aarzelende
pogingen wordt het bewustzijn van het kind verhalenderwijs georganiseerd
door middel van een voortdurend gevoel van zelfheid’ (blz. 151).
Daarvóór is er geen zelfidentiteit om ‘de zich
verschillend gedragende zelven van het kind te integreren’ (blz.
153). Zijn bewijsmateriaal ‘duidt niet op wonderbaarlijke, ogenblikkelijke,
algemene verschuivingen in het kenvermogen van het kind, maar eerder
op een geleidelijke en aanhoudende reeks van zich ontwikkelende vaardigheden
die tenslotte uitmonden in iets dat lijkt op het soort bewuste waarneming
waarmee wij volwassenen vertrouwd zijn’ (blz. 157).
Zijn gegevens wijzen erop dat bespiegelend zelfbewustzijn een samengesteld
proces is dat is ontwikkeld om informatie te organiseren en te integreren.
Opmerkelijk is dat, evenals bij volwassenen, de meeste REM-droomverslagen
van kinderen niet bizar en onlogisch zijn, zoals dromen doorgaans
worden beschouwd, maar redelijk gewoon en logisch. Hij heeft in het
bijzonder kritiek op Freud en zijn droomanalyse, die volgens hem niet
alleen zonder enige empirische basis is, maar die in feite door de
empirische bevindingen wordt weersproken. Hij bekritiseert ook de
reductionistische theorieën die stellen dat dromen en hun inhoud
volledig kunnen worden verklaard door chaotische impulsen die hun
oorsprong hebben in de lagere hersenen. Dit boek presenteert een tot
nadenken stemmende kijk op de ontwikkeling van ons karakteristiek
menselijke bewustzijn en ons gevoel van persoonlijkheid.
God heeft een droom: Hoopvolle gedachten
voor onze tijd, Desmond Tutu en Douglas Abrams, Gottmer/H.J.W.
Becht, 2004; isbn 9025738184, 128 blz., gebonden.
‘Best
Kind van God, ik schrijf deze woorden omdat we allemaal verdriet meemaken,
we allemaal op bepaalde momenten wanhopen, en we allemaal de hoop
verliezen dat aan het leed in ons leven en in onze wereld ooit een
einde zal komen. Ik wil mijn geloof met u delen en mijn opvatting
dat dit lijden kan worden getransformeerd en opgeheven.’ Het
boek is in eenvoudige taal geschreven en bevat voorbeelden uit het
leven van de auteur en zijn strijd tegen de Apartheid. Hij geeft daarin
zijn visie op de mogelijkheden die kunnen worden gecreëerd wanneer
we ‘met de ogen van het hart kijken’ en de verantwoordelijkheid
nemen om een wereld van vrede en rechtvaardigheid tot stand te brengen
door onze individuele beslissingen en daden. Veel van het materiaal
is op allerlei plaatsen terug te vinden in No Future without Forgiveness
[Geen toekomst zonder vergeving], zijn dikkere boek uit 1999 over
de Commissie van Waarheid en Verzoening, maar zoals het nu is bewerkt,
vormt het een ‘verzamelde uiting’ van het levenswerk van
deze winnaar van de Nobelprijs voor de vrede. Zijn adeldom schijnt
er overal in door. Het boek maakt gebruik van christelijke taal, maar
heeft een universele aantrekkingskracht, en benadrukt het feit van
broederschap – dat we allemaal kinderen van één
geestelijke bron zijn – en de noodzaak om met liefde, mededogen,
vergevensgezindheid en geduld te handelen om voor iedereen een betere
toekomst tot stand te brengen.
|