Door de galerijen van de tijd
Gertrude W. Hockinson

 

In de uitgestrekte wereld van individuen banen we ons allemaal al denkend en voelend een weg door de galerijen van de tijd naar een verafgelegen geestelijk doel. Hoewel we nog niet alle stappen die nodig zijn volledig begrijpen, en het doel steeds weer terugwijkt, is het duidelijk dat we deze reis door de eeuwen gezamenlijk maken. Voorzover we kunnen ontdekken is er geen stap die niet door anderen vóór ons genomen is; al onze vragen zijn in beginsel al lang geleden beantwoord. Hun sporen zijn duidelijk aanwezig in de maatschappelijke gebruiken, in de literatuur, en meer in het bijzonder in het filosofische en religieuze denken, tot en met de hoogste menselijke ervaring. Wanneer we hen het meest nodig hebben, en het hardst zoeken, vinden we altijd inspirerende gidsen naar een vollediger waarheid. De drang naar verlichting schijnt een magnetisch vermogen te bevatten dat ons naar deze gidsen leidt, of ze binnen het bereik van onze waarneming brengt.

Denken is ons vrije en onschatbare voorrecht. De gedachten die we aantrekken doen op zichzelf niets voor ons; het is de kwaliteit van ons inzicht en ons motief om ernaar te zoeken die ze voor ons van nut maken, of juist niet. Vaak stromen inspirerende gedachten veel te snel door onze ziel, en kunnen we ze niet vasthouden, terwijl we dat wel zouden willen. We ontvangen ze eenvoudig en laten ze weer gaan – om later te ontdekken dat ze moeilijk in de herinnering zijn terug te roepen.

Het gebruik dat we van gedachten maken hangt af van ons vermogen om ons van de verkeerde elementen te ontdoen en om een deel van hun ware kwaliteit te transformeren in het weefsel van onze dagelijkse handelingen en onze instelling. In dit opzicht hebben we allemaal gelijke kansen, en op deze wijze zijn we allen de architect en bouwer van onszelf. Wanneer het motief de hoogste waarden die we kennen omvat, zijn we evenveel bezorgd om het welzijn van anderen als om dat van onszelf.

We scheppen ons leven door gedachten en inspanning, een weefsel dat zo complex verweven is met dat van lotgenoten op deze reis, dat het onmogelijk is de draden van deze oneindige diversiteit die we hebben ontvangen van elkaar te scheiden. Alles in onze ervaringen bestaat uit het geven en nemen tussen onszelf en anderen. Hoe zouden de talenten die zo uitgerekend van onszelf lijken te zijn, anders tot uitdrukking kunnen worden gebracht dan door de gelegenheden die totstandkomen door de relaties met andere mensen? Hebben we onze talenten wel volledig aan onszelf te danken? Het schijnt me soms toe dat ik alles wat van belang is in mezelf te danken heb aan wat ik aan tijd en aandacht, inspanning en gedachten van anderen heb ontvangen. Dus – en ik weet dat ik hierin niet de enige ben – hebben we onze momenten van diepe dankbaarheid voor alles wat we van de grote stroom van het menselijke leven, en in feite van de hele natuur, hebben ontvangen. Omdat we zulke dankbaarheid voelen, verlangen we ernaar onze eigen bijdrage waardevoller te maken. Hoewel we ons niet minder afhankelijk voelen van de levensstroom waaruit we onophoudelijk putten, weten we dat we moeten ontdekken hoe we kwalitatief meer kunnen geven, hoe we betrouwbaarder kunnen worden.

De natuurlijke manier is om zo goed mogelijk te leren van de dagelijkse ervaringen die we met elkaar delen, wat ertoe leidt dat we aan zowel tijd als waarneming een ruimere betekenis geven: om voorbij vandaag en onze huidige zelf naar de eeuwigheid van de tijd te kijken, waaruit we zijn gekomen en waarin we reizen. Eigenlijk doen we dat, in zekere mate, zonder erover na te denken, want we weten dat we in de tijd en in onze groei niet statisch kunnen blijven – wat we ook willen worden. Door de kleine opening van elk moment kijken we in de duur, en de lens die ons gezichtsveld versterkt of vernauwt wordt nauwkeurig geslepen door de molen van herinnerde – en vergeten – ervaringen.

Het is heel bemoedigend te beseffen dat we samen vooruitgaan, dat als we groot genoeg kunnen zijn, ruimdenkend genoeg, om de mogelijkheden te accepteren die ons ten deel vallen, deze er altijd zullen zijn in ons wederzijds voordeel. Want we zijn onafscheidelijk van elkaar. Het mooiste is het inspirerende voorbeeld van hen die de weg al hebben bewandeld en allerlei instructies hebben nagelaten die we in praktijk kunnen brengen om de weg te vinden naar geestelijk begrip – zelfs tot aan de poorten van de goden.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency