Het goddelijke is in het centrum van alles, en tijdens elke incarnatie
bouwt iedere entiteit rond deze onveranderlijke kern een geschikte vorm.
In de oneindigheid wordt dit stoffelijke voertuig waarin de gemanifesteerde
godsvonk zich kleedt, omgevormd door de levensritmen, en op die manier
is het centrum van Zijn in staat om in steeds toenemende mate daardoorheen
te schijnen. Vanuit dit gezichtspunt hebben alle dingen een grootsheid,
ongeacht de materiële aspecten die een waarnemer misschien als
afstotelijk beoordeelt.
Als we deze schoonheid en eenheid uit het oog verliezen, die ons met
elkaar en met elk ander bezield of (voor ons) onbezield wezen verbindt,
dan maken we onszelf niet alleen blind voor de wonderen om ons heen
maar ook voor het innerlijke wonder van ons ware zelf. Hoe kunnen we
ons goddelijke centrum volledig erkennen als we niet kunnen aanvaarden
dat alles een gelijkwaardig deel van dezelfde onveranderlijke substantie
in zich bevat, en daarnaar handelen? Ons innerlijke oog kijkt naar de
wereld door een fort met donkere ramen die door onze gedachten, aspiraties,
vooroordelen, en waarnemingen worden gevormd. Deze bedekking van het
onsterfelijke bewustzijn moet worden gezuiverd en doorschijnend worden
gemaakt zodat we de etherische gebieden van de geest steeds duidelijker
kunnen zien.
Het lijkt alsof we een heel fel licht hebben gericht op het onechte
zelf – dat element van ons dat wereldse dingen zoals roem, bezittingen,
erkenning, macht en wraak verlangt. Hoe sterker het licht schijnt op
het onechte zelf als we door de ramen van de ziel kijken, des te meer
zien we slechts de reflectie van dit zelf en zijn we niet in staat om
iets achter het glas te zien. Dit maakt het moeilijk om de universele
behoeften van onze goddelijke natuur te zien of te begrijpen. Als we
de spotlichten op onze passies en verlangens dimmen, is de reflectie
minder ondoorzichtig en kunnen we de wereld die bij ons ware centrum
hoort duidelijker zien, zodat we op een manier kunnen handelen die in
harmonie is met de aangelegenheden van het goddelijke: altruïstisch
en met mededogen.
Er is een boeddhistisch gezegde dat luidt: ‘Om een kaars voor
de Boeddha aan te steken moet men eerst het zelf uitdoven.’ Dit
zelf heeft betrekking op het kleine, onbeduidende zelf; het ware zelf
kan nooit worden uitgedoofd want het is de drager van de vlam van onsterfelijkheid.
De grote waarheid is dat de kaars die we moeten aansteken een gepolijste
ziel is die we hebben bevrijd uit de netten van illusie, die door wereldse
verlangens en het lagere zelf waren uitgeworpen.