De theosofische filosofie stelt dat het leven overal is. Elk mathematisch
punt in elke dimensie van de ruimte, zowel innerlijk als uiterlijk,
is een evoluerend bewustzijn, zodat we van het allergrootste tot het
uiterst kleine een uitgestrekte keten van zijn kunnen waarnemen. Maar
is deze Grote Keten van het Zijn een grote keten van wezens? Als we
erkennen dat er alleen een éénzijn bestaat, dan kunnen
afzonderlijke wezens slechts weerspiegelingen zijn van het Ene die door
het voorwaardelijke bestaan gaan, zoals de vele kleuren die zichtbaar
worden als zonlicht door een prisma valt. Wat wij werkelijkheid noemen,
kunnen in feite verschijnselen zijn die door andere verschijnselen heenwerken
en op deze inwerken.
Met onze beperkte zintuigen en de vaak ongecontroleerde rede worstelen
we om de oneindige aard van het Werkelijke te begrijpen. Maar als we
ons denken iets meer dan gewoonlijk inspannen, duiken er nieuwe beelden
van de werkelijkheid op. We zien, bijvoorbeeld, een tafel niet als een
wezen, hoewel je een houten tafel opgebouwd kunt denken uit het lichaam
van een wezen. Of een tafel nu van natuurlijk materiaal of van kunststof
is gemaakt, het is moeilijk om haar te zien als bewust, hoewel ze een
uitdrukking is van bewustzijn – het menselijke bewustzijn dat
haar heeft ontworpen. Een tafel lijkt stevig, maar we weten dat ze een
samenstel is van bewegende moleculen die aan onze zintuigen de indruk
geven massief te zijn. De moleculen worden gevormd door atomen die voornamelijk
uit ruimte bestaan. We kunnen zeggen dat een tafel bestaat uit ontelbare
atomaire levens. Maar zijn deze niet, evenals de tafel, vormen die uit
nog kleinere structuren zijn samengesteld: allereerst elektronen, neutronen,
protonen, dan subatomaire en subsubatomaire deeltjes? Misschien bestaan
de subsubatomaire deeltjes zelf uit nog kleinere vormen. De dingen zijn
ongetwijfeld niet wat we op het eerste gezicht denken dat ze zijn.
Verschilt ons lichaam in principe van de tafel? Het is een samenstelling
van kleinere delen: allereerst haar, huid, maag, milt, vloeistoffen
en beenderen, die op hun beurt zijn samengesteld uit cellen die ook
weer uit nog kleinere eenheden bestaan, samengesteld uit atomen die
uit subatomaire deeltjes zijn opgebouwd, enz. En wordt ons lichaam niet
gevormd als een uitdrukking van bewustzijn – dat van de mens?
Anders dan de tafel lijkt ons lichaam een actief, zichzelf tot expressie
brengend bewustzijn te hebben, dat het bezielt en erdoorheen werkt –
maar ‘erdoorheen’ wijst op een bron buiten het lichaam.
Als een tafel en een menselijk lichaam wat structuur betreft zoveel
overeenkomst vertonen, is elk lichaam of ding dan meer dan een uitdrukking
of voertuig van bewustzijn dat, vanuit één gezichtspunt,
zelf niet bewust is? Is wat wij menselijk bewustzijn noemen een ingewikkelde
reeks van weerspiegelingen – zelfreflecties – van het ene
zelf of bewustzijn, misschien zoiets als een huis van spiegels? Bij
zorgvuldige beschouwing lijkt het dat wat we een afzonderlijk wezen
noemen, bij nader onderzoek een verschijnsel is bestaande uit nog kleinere
verschijnselen; hoe dieper we kijken, hoe meer niet-iets we vinden.
Is alles een illusie of maya?
als we eenmaal erkennen dat onze planeet en wijzelf
evenmin scheppingen zijn als de ijsberg . . . en dat zowel
de planeet als de mens voor een bepaalde tijd toestanden
zijn; dat hun huidige verschijningsvorm – geologisch en antropologisch
– voorbijgaand is, en slechts een toestand is die hoort bij
het evolutiestadium dat ze in de dalende cyclus hebben bereikt –
dan zal alles duidelijk worden. U zult gemakkelijk begrijpen wat er
wordt bedoeld met het ‘ene en enige’ element of beginsel
in het heelal . . . aan de emanaties waarvan werelden, wezens en dingen
ontspringen. U zult begrijpen waarom de eerste filosoof ALLES
tot maya verklaarde, behalve dat ene beginsel dat alleen tijdens de
mahapralaya’s rust – de ‘nachten van Brahma.’
– De
Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Brief 13, blz. 81-82
Nu komen we op het begrip éénzijn, maar wat betekent
dat? Zijn wij wezens die uit één bron komen, of zijn we
weerspiegelingen die niet noodzakelijk daaruit voortkomen? Of zijn wij
allen – mensen, dieren, planten, atomen, planeten, melkwegstelsels,
zichtbare en onzichtbare – het Ene? Zulke gezichtspunten veranderen
de manier waarop we de wereld bekijken. Hoewel deze zienswijzen alle
drie van toepassing zijn, denk ik dat we in essentie het Ene zijn. Om
het nauwkeuriger te zeggen, we zijn het Ene dat in zijn werkingen beperkt
wordt door een aantal omstandigheden, en staan in wisselwerking met
andere beperkte wezens en toestanden die ook het Ene zijn.
Waar komt ons wereldstelsel dan vandaan? Een oneindig universum moet
beschikken over wat we alleen maar een bronloze bron zouden kunnen noemen,
iets dat onze verbeelding en ons begripsvermogen te boven gaat maar
dat een filosofische en logische noodzakelijkheid is. Geen beschrijving
kan er recht aan doen, want woorden beperken het; we kunnen het beschrijven
als dat. Uit dit grenzeloze emaneert het Ideaal, soms de eerste logos
genoemd. In dit stadium is er een actief brandpunt van wortelbewustzijn
dat inwerkt op passieve wortelstof. Wanneer het actieve denkvermogen
de passieve stof activeert, wordt deze ongemanifesteerde manifestatie
de gedeeltelijk gemanifesteerde of tweede logos. Het uiteindelijke product
is de gemanifesteerde manifestatie of de derde logos, de wortel van
de bijna oneindige verscheidenheid van mogelijkheden die we de kosmos
noemen.
Hoe zouden we in een eindeloos universum van éénzijn
iets anders kunnen zijn dan een kleiner, ‘vager’ beeld van
het Ene? We worden niet het Ene, gaan niet naar het Ene, of smelten
niet samen met het Ene; we zijn al het Ene. Dit uitgangspunt
geeft niet alleen een nieuw besef van wie ik ben, maar ook van wie u
bent en wie elk ander wezen is. Wanneer er een persoonlijk conflict
gaande is, zouden we ons kunnen afvragen: Wat is er aan de hand? Wat
verdedig ik? Wat de beschaving betreft kunnen we ons afvragen: Wat is
opvoeding? Wat is oorlog? Hoe zien we de dood? Wat is het lot van de
mensheid? Wat zijn hebzucht en begeerte? Hoe maken we een einde aan
het lijden? In de context van het éénzijn roept dit soort
vragen een nieuw scala van overwegingen op.
Voor de godsdienst, die een belangrijke bron is van afgescheidenheid
tussen mensen en van geweld, zijn de goden van de mensheid emanaties
van het Ene, zoals alles dat is. Het beeld dat we van hen maken, wordt
gefilterd door de sluiers van het denken en de toestand waarin de mens
verkeert; daardoor wordt de werkelijkheid ervan verdraaid. Maar het
schijnt wel zo te zijn dat het transcendente onkenbare, de bronloze
bron, het meest waardige voorwerp is van menselijke verering. Dat iedere
religie noch helemaal goed, noch helemaal slecht is, is een inzicht
dat noopt tot een bescheidenheid die in de huidige wereld van extremisme
bijzonder nuttig zou zijn.
De gevestigde wetenschap beperkt zich nu veeleer tot de verschijnselen,
in plaats van hun uiteindelijke oorzaken te bestuderen. Maar zelfs verschijnselen
zijn een zwakke afspiegeling van de werkelijkheid, en sinds de 19de
eeuw zijn enkele wetenschappers begonnen te denken dat de bronnen van
de werkelijkheid buiten het bereik van hun instrumenten kunnen liggen,
maar niet noodzakelijk buiten dat van hun wiskunde. De ‘heilige
graal’ van de moderne wetenschap is de Grote Geünificeerde
Theorie, een vorm van éénzijn. Een grote trekker is tegenwoordig
de snarentheorie, een elegante wiskundige en conceptuele formulering
die ervan uitgaat dat alles in het heelal in de kern trilling is. Uit
de ontelbare mogelijkheden van trillingen komt de enorme verscheidenheid
van het universum voort. Trilling die vormen voortbrengt doet denken
aan de oude ideeën over een actief wortelbewustzijn dat voortkomt
uit het onkenbare.
De implicaties van de gedachte dat mensen onderling afhankelijke aspecten
zijn van het Ene, in plaats van afzonderlijke, zijn voor de cultuur
en de maatschappij diepgaand. Ieder van ons kan een facet zijn van het
ontluikende kosmische denkvermogen. Ons tegenwoordige begrensde mentale
vermogen schept een beperkte visie die de ontzagwekkende waarheid niet
kan vatten, hoewel onze intuïtie ernaar verwijst. Samenwerken,
elkaar aanvaarden als co-elementen van het Ene, transformeert onze relatie
met gezin, vrienden, gemeenschappen en naties. Zoals onze eigen gedachten
een onderlinge strijd voeren, zo komen ook mensen met elkaar in conflict.
Maar uit mentale botsingen ontspringt een veel ruimer begrip dan wanneer
we niet zouden toestaan dat er nieuwe gedachten in ons hoofd opkwamen.
Zo ontnemen we onszelf een kans om de Werkelijkheid vollediger te leren
kennen als we zonder meer bepaalde mensen of groepen van mensen afwijzen.
Ons huidige besef van een persoonlijke identiteit en de gedachten die
dat met zich meebrengt, zijn verwrongen beelden van de werkelijkheid,
zoals alle manifestaties dat zijn. Toch is de werkelijkheid even dichtbij
als onze gedachten die ons op twee manieren beïnvloeden. Ten eerste,
zij scheppen ingewikkelde eigengemaakte sluiers die onze ware aard of
het Ene verhullen. Hoe dichter we neigen naar het Ene, hoe helderder
onze gedachten worden en hoe dichter we het oorspronkelijke bewustzijn
benaderen. Ten tweede, de cultuur en de maatschappij worden beïnvloed
door een zichzelf in stand houdende cyclus, gevormd door deze sluiers.
Wij denken en dan doen we; anderen knopen aan bij die gedachte en handelen
dan misschien ook, beïnvloeden misschien zo opnieuw onze gedachten.
Men hoeft slechts te kijken naar de rages in de popcultuur om dit proces
aan de gang te zien. Maar ondanks deze sluiers aanvaarden we de veelbetekenende
aanwezigheid van samenhang en wetmatigheid: het emaneren van onze eigen
sluiers is in principe hetzelfde als dat het onkenbare de kosmos emaneert;
en evenals bij het opnieuw emaneren van de kosmos zijn menselijke gedachten
de grondstof van trillingen/bewustzijn. Zoals de oorspronkelijke vormen
voortkomen uit wortelstof en wortelbewustzijn, zo brengen onze gedachten
uitgebreide menigten wezens voort die onze wereld bevolken. Door ons
te realiseren wat we denken en doen door bewust te leven, ontdekken
we onze schakel met het onuitsprekelijke.
Als we niet waken over onze denkgewoonten, niet door onze zelfgeschapen
sluiers kunnen heen breken, continueren we onze afgescheidenheid en
onwetendheid, de hoofdoorzaken van het lijden. Als zelfs maar enkele
mensen hun denken richten op het ondenkbare, doorbreekt dat oude denkgewoonten
en helpt het de mensheid om bewust te worden op haar evolutiereis. Door
te kijken naar het grotere potentieel in de ander, kunnen we in iedere
man en vrouw het aspect vinden dat verlangt vrij te zijn, en dat vrede
en begrip verlangt. Dan kunnen we ons richten tot wat universeel in
hen is, tot wat in het menselijk bewustzijn ernaar streeft om naar buiten
te komen, en door dit te doen spreken we tot Dat.