Kosmische intelligentie in de microkosmos
Rudi Jansma

 

In het scheppingsverhaal van het Vishnu Purana is kosmische intelligentie het eerste wat aan het begin van onze kosmische cyclus naar buiten treedt. Vanuit deze kosmische intelligentie emaneren de individuele intelligenties van alle bestaansvormen in het heelal. In de mens manifesteert zij zich als menselijke intelligentie, het menselijke denkvermogen. Maar zij treedt ook op als de intelligente invloed die zich toont in alle rijken van de natuur, zowel zichtbare als onzichtbare. Wat zich in een enkele biologische cel afspeelt – zijn aanpassingsvermogen aan veranderende omstandigheden, zijn verfijnde inwendige technologie en zijn opbouw van eiwitten en DNA-moleculen – gaat zelfs met onze huidige kennis het menselijke begripsvermogen ver te boven, om maar te zwijgen van het vermogen dat de mens zou hebben om zoiets zelf te kunnen construeren.

Volgens de theosofische leringen is de kosmische intelligentie de optelsom van alle goddelijke en spirituele intelligenties die er zijn. Het begin van een nieuwe evolutiecyclus op welke schaal dan ook – neem bijvoorbeeld de ‘schepping’ van de aarde – is het opnieuw ontwaken van deze menigten van intelligente wezens of krachten. Deze eindeloze hoeveelheid intelligente wezens vormen met elkaar de intelligente kern van al wat leeft. Met andere woorden, de macrokosmische intelligentie die de geboorte en processen van het universum leidt, wordt op microkosmisch niveau weerspiegeld in ieder individueel wezen. H.P. Blavatsky zei in 1890 in haar artikel ‘Kosmic Mind’ [Kosmisch denkvermogen]:

Het occultisme leert ons dat ieder atoom . . . een klein universum op zichzelf is; en dat ieder orgaan en iedere cel in het menselijk lichaam is uitgerust met een eigen brein, compleet met een geheugen en daarom met ervaring en onderscheidingsvermogen. Het idee van een Universeel Leven dat is samengesteld uit individuele atomaire levens is een van de oudste leringen van de esoterische filosofie . . . Als kan worden aangetoond dat planten een zenuwstelsel en gevoelens en instincten hebben (wat slechts een ander woord is voor bewustzijn), waarom zou dan hetzelfde niet gelden voor de cellen van ons lichaam? De wetenschap verdeelt de materie in organisch en anorganisch, alleen omdat zij het idee verwerpt van een absoluut leven en een levensbeginsel als een entiteit . . .

Blavatsky schreef later dat dankzij de fysiologie de moderne wetenschap op de drempel staat van de ontdekking dat bewustzijn universeel is. Nu, meer dan een eeuw later, heeft de wetenschap die drempel overschreden, zoals we aan de hand van een aantal voorbeelden zullen laten zien.

Niet zo lang geleden ontkenden wetenschappers nog het bestaan van bewustzijn en intelligentie in ‘eenvoudige’ organismen zoals amoeben. Tegenwoordig weten we door op moderne technologie gebaseerd onderzoek dat zelfs deze simpele wezentjes hun eigen aanvals- en verdedigingsstrategieën hebben en in staat zijn op verschillende manieren op uitwendige prikkels te reageren. Ze kunnen verschillen en veranderingen in hun omgeving waarnemen en op basis daarvan reageren. Ze hebben dus zintuiglijke waarneming en, wat nog belangrijker is, een ‘denkvermogen’ nodig om verschillende soorten impulsen te beoordelen en te combineren en vervolgens hun lichaam aan te zetten tot een adequate reactie. Ze hebben geen zintuigorganen zoals wij die hebben, maar niettemin hebben ze organellen (inwendige organen van een cel) met analoge functies. Ze zijn minstens even intelligent als tamelijk gecompliceerde computer software, maar moeten bovendien een reden hebben om tussen het ene en het andere te kiezen. Met andere woorden, ze lijken hun voorkeuren en aversies te hebben, wat op zichzelf een aspect van bewustzijn is. Voorkeuren en aversies heeft men ook bij planten ontdekt. We kunnen de fysiologische reacties op ‘telepathische’ waarneming van menselijke emoties meten, zoals uitgebreid is besproken in onder andere het boek Het verborgen leven van de plant van Peter Tompkins en Christopher Bird. De beroemde uitvinder Thomas Edison dacht dat zelfs atomen een zekere mate van intelligentie bezitten.

Dit alles verwijst naar de persoonlijke intelligentie of het bewustzijn van cellen, planten en organismen in het algemeen. Maar er zijn uitdrukkingen van bewustzijn binnen deze zelfde organismen die hun persoonlijke vermogens ver te boven gaan, zoals de uiterst gecompliceerde organisch-chemische processen binnenin onze cellen en ons lichaam. De biochemicus Michael J. Behe geeft in zijn boek Darwin’s Black Box (1996) een hele reeks voorbeelden van uiterst gecompliceerde chemische processen in de natuur, met name over die in het menselijk lichaam. Een van de voorbeelden die hij aanhaalt betreft de reeks processen die plaatsvindt vanaf het moment dat een ‘lichteenheid’ of foton het netvlies van het oog raakt. Om dit hier kort en onvolledig samen te vatten: binnen een picoseconde wordt een molecule die cis-retinal wordt genoemd omgezet in trans-retinal – geen chemische verandering, maar een verandering van de ruimtelijke structuur van het molecule. Dit brengt op zijn beurt een verandering teweeg in een eiwit dat van nature in netvliescellen aanwezig is. Dit eiwit heeft verschillende chemische eigenschappen en hecht zich aan een ander eiwit – dat een deel van zichzelf, dat te maken heeft met de energiehuishouding, loslaat. Er treden nog een aantal fysische en chemische transformatieprocessen op. Sommige moleculen worden in twee stukken gehakt, waardoor elektronenkanalen worden gesloten. Hierdoor ontstaat een elektrisch onevenwichtige situatie die als informatie via een zenuwcel naar de hersenen wordt overgebracht. Maar dat is niet alles. Als dat zo zou zijn, zou een netvliescel maar eenmaal kunnen worden gebruikt. In werkelijkheid wordt de balans via een even ingewikkelde en intelligente reeks processen hersteld, en keert de cel terug tot zijn oorspronkelijke chemische toestand. Natuurlijk is deze weg terug naar evenwicht niet zomaar een omkering van het oorspronkelijke proces, maar volgt haar eigen complexe route.

Al met al worden er een groot aantal moleculen opgebouwd en afgebroken. Er is heel wat gebeurd sinds de cel zijn eerste foton ontving en zich herstelde om het volgende te kunnen ontvangen. Wie kan nu nog volhouden dat de essentie van zo’n cel geen intelligentie is? Hier gaat het om maar één foton dat één cel raakt. Maar er zijn miljoenen van zulke cellen, sommige voor het waarnemen van zwart en wit, andere voor elk van de drie basiskleuren. En hoe weten de hersencellen die deze miljoenen ongespecificeerde impulsen ontvangen deze opnieuw zo te combineren dat een voor ons bewustzijn begrijpelijk beeld ontstaat?

Ons bewustzijn ontvangt niet alleen de impulsen, maar het is ook in staat hun betekenis te interpreteren. Bovendien heeft ons bewustzijn het vermogen informatie afkomstig van verschillende zintuigen met elkaar in verband te brengen: zowel door te zien als te voelen kunnen we herkennen dat een voorwerp rond is; een aardbei kunnen we onafhankelijk als aardbei identificeren door deze te zien, te ruiken, te proeven of aan te raken. Geen van onze zintuigen zal ons wijsmaken dat het een sinaasappel is. Toch weten we dat beide eetbare vruchten zijn. Geschreven tekst die we door middel van onze ogen tot ons nemen bevat voor het bewustzijn vrijwel dezelfde informatie als wanneer we die tekst horen uitspreken. Hoe dit mogelijk is, is nog een mysterie voor de wetenschap, en dat mysterie kan alleen worden opgelost als we ons realiseren dat zintuiglijk zowel als intelligent onderscheidingsvermogen en bewustzijn inherente kwaliteiten zijn van alle materie; of liever andersom: dat wat we materie noemen vertegenwoordigt ‘gekristalliseerde’ fasen van bewustzijn-intelligentie. Als de subtiele krachten van de natuur zoals intelligentie, bewustzijn en leven in hun diepste wezen fundamenteel zouden verschillen van materie, zou het niet mogelijk zijn te verklaren dat we de kloof tussen beide kunnen overbruggen.

Michael J. Denton beschrijft in zijn Nature’s Destiny (1998) eveneens een interessant voorbeeld uit de biochemie: dat van de eiwitten. Eiwitten zijn opgebouwd uit ketens van aminozuren die voornamelijk bestaan uit koolstof, waterstof en stikstof. Eiwitten hebben een specifieke ruimtelijke structuur die, zoals we in het vorige voorbeeld hebben gezien, uiterst gevoelig is voor veranderende omgevingsfactoren, zoals temperatuur en zuurgraad, en die heel gemakkelijk kan worden veranderd en weer worden hersteld voor specifieke doeleinden binnenin een levend organisme. Eiwitten zijn stabiel, maar bevinden zich in een delicate evenwichtssituatie, steeds op de rand van de chaos. Ze kunnen zich aan bepaalde chemicaliën binden en die in andere situaties weer vrijlaten. Deze eigenschap stelt hen in staat een reeks functies te vervullen, bijvoorbeeld het beïnvloeden van de snelheid van andere chemische reacties binnen de cel. Eiwitten hebben het vermogen om informatie afkomstig uit verschillende chemische bronnen te integreren, wat wordt bepaald door de concentratie van de betreffende chemische stoffen in de cel. Zoals we hebben gezien toen we de processen van het oog bespraken, stellen de eiwitten de processen in de cel in staat zichzelf te reguleren. Deze zelfregulatie noemt men allosterie.

De eiwitten hebben een opmerkelijk tweezijdig vermogen – ten eerste het uitvoeren van unieke chemische reacties en de integratie van de informatie van diverse chemische componenten van de cel; en ten tweede, het intelligent reageren op deze informatie door hun eigen enzymactiviteit te doen toenemen of afnemen overeenkomstig de behoefte van dat moment. Hoe dit mogelijk is, wordt nog altijd beschouwd als een van de grootste mysteriën van het leven. Het betekent dat de functionele eenheden die de chemische processen ten uitvoer brengen dezelfde zijn als de regulerende eenheden. Deze eigenschap is cruciaal voor het in ordelijke samenhang functioneren van de celprocessen. Zij voorkomt de chaos die ongetwijfeld zou ontstaan als de enzymatische activiteit niet nauwkeurig zou worden afgestemd op de steeds veranderende behoeften van de cel. Het is aldus de opmerkelijke eigenschap van eiwitten om de rol van microprocessor en functionele productie-eenheid in één object te verenigen. Door deze eigenschap zijn eiwitten veel geavanceerder dan enig door de mens gemaakt instrument. Een oven bijvoorbeeld, heeft een thermostaat om de temperatuur te regelen, en een functionele eenheid – een brander of elektrische spiraal – die warmte genereert. In een eiwit zouden die twee samenvallen.

Blavatsky merkte op dat iedere cel in het menselijke lichaam is voorzien van zijn eigen brein met een eigen onderscheidingsvermogen en geheugen. Hoe kon ze dat zeggen binnen de context van de wetenschappelijke kennis van haar tijd? Haar kennis was afgeleid van de occulte axioma’s betreffende het functioneren van het universum en door gebruik te maken van het principe van de analogie, dat op elk bestaansniveau van toepassing is. Als er in de grote orde van het universum intelligentie is, dan is deze ook vertegenwoordigd binnenin een cel, en moet er een structuur in die cel zijn die vergelijkbaar is met de fysieke hersenen. Deze structuur moet het vermogen hebben om de processen van intelligentie op fysiek niveau mogelijk te maken.

G. de Purucker schreef ongeveer zeventig jaar geleden over levensatomen, centrosomen en centriolen. Hij stelde dat ‘In elke cel zich een centrale pranische kern bevindt die de levenskiem van een levensatoom is, en de rest van de cel is niet meer dan de bekleding van de cel die om de kern is opgebouwd door de krachten die uit het hart van dit levensatoom stromen.’ Een levensatoom is een bewustzijnspunt. Hij verklaarde dat

het levensatoom werkt door de twee kleine stippen of vonken in het centrosoom die bij het begin van de celdeling uiteengaan; de energieën ervan stromen naar buiten via deze twee kleine stippen en elke stip vormt, als het ware, reeds het begin van een nieuwe cel; of, anders gezegd, één blijft het centrale deel van de moedercel, terwijl de andere kleine stip het centrale deel van de dochtercel wordt, enz.
    Al deze verschijnselen van mitose of celdeling zijn eenvoudig het werk van de innerlijke ziel van de fysieke cel . . . Het hart van een oorspronkelijk kernlichaampje in een cel is het levensatoom, en de twee kleine stippen of vlekjes in het centrosoom zijn als het ware uitsteeksels of vingers van zijn energie. De energie van het oorspronkelijke levensatoom, dat het hart van een cel is, werkt door de hele cellulaire structuur in het algemeen, maar in het bijzonder door het kernlichaampje en ook door de twee kleine stippen.     – Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 448-9

In dit verband zegt Blavatsky dat de ‘innerlijke ziel van de fysieke cel – dit ‘geestelijke plasma’, dat het kiemplasma beheerst – de sleutel is die eens de poorten moet openen van de terra incognita van de bioloog . . .’ (De Geheime Leer, 1:247).

We hebben gezien dat de aanwezigheid van intelligentie in biologische en zelfs chemische structuren in wetenschappelijke kringen niet meer helemaal taboe is. Maar hoever is de huidige wetenschap gevorderd wat betreft haar opvattingen over het bestaan van een brein, een bewustzijn, en het vermogen om verschillende situaties in een cel te kunnen onderscheiden? Leden van een modern onderzoeksteam onder leiding van Guenther Albrecht-Buehler van het Institut für Höhere Studien in Berlijn en Robert Laughlin Rea van de Northwestern Medical School in Chicago hebben na tientallen jaren van onderzoek uitgebreid over dit onderwerp gepubliceerd. In hun lange internetartikel schrijven ze: ‘Intelligente ecosystemen bestaan uit intelligente populaties, die uit intelligente organismen bestaan, die uit intelligente cellen bestaan, die uit intelligente onderdelen bestaan, die . . . enz.’1

Doorsnede van cel waarin de centriolen zijn te zien
(uit Mader, Inquiry into Life)

Een van de conclusies uit hun onderzoek is dat cellen beheersing hebben over de beweging van al hun lichaamsdelen, en dat deze worden gereguleerd vanuit een ‘controlecentrum’, het centrosoom. Er was tot voor kort weinig bekend over centrosomen. Onder de microscoop ziet men vaak, maar niet in iedere cel, twee zwarte puntjes, centriolen, binnenin het centrosoom. Tegenwoordig is veel meer bekend over de structuur en functies van de centrosomen. De centriolen in de centrosomen worden gevonden in menselijke en veel dierlijke cellen, maar slechts zelden bij planten. Zowel dierlijke als plantencellen kunnen nieuwe centriolen aanmaken als ze die nodig hebben, dat wil zeggen, als ze zich differentiëren tot cellen die zich kunnen verplaatsen. Albrecht-Buehler en Rea beschrijven de twee centriolen tot in de kleinste details. Het paar dat bestaat uit twee cilinders die loodrecht op elkaar zijn gerangschikt, is verantwoordelijk voor de navigatie en de oriëntatie van de cel. Het is interessant dat de centriolen liggen ingebed in dicht elektronegatief materiaal. De Purucker sprak van een pranische kern, de levenskiem van een levensatoom die door de twee kleine puntjes in het centrosoom heen werkt. Prana is het psycho-elektrische veld dat zich in het individu als vitaliteit of levenskracht manifesteert.

Het uiteengaan van chromosomen gedurende de gewone celdeling (mitose) en de reductiedeling (meiose) wordt geregeld vanuit de centrosomen. Men vermoedt dat het centrosoom tevens het oriëntatiepunt is van het cytoskelet – de inwendige skeletachtige structuur die de cel zijn vorm doet behouden – dat voorziet in de inwendige organisatie en vorm van de cel en de differentiaties daarvan. Dankzij deze differentiatie bestaan er vele soorten cellen en gespecialiseerde weefsels in een organisme. In meercellige organismen (zoals wijzelf) bevatten alle cellen de genetische informatie die ook aanwezig is in de oorspronkelijke genen van dat organisme, maar het verschil tussen bijvoorbeeld een huidcel en een niercel hangt af van welke genen respectievelijk in genoemde cellen actief zijn onder de specifieke omstandigheden waarin deze verkeren. Er bestaan aanwijzingen dat de genen van de cel worden geactiveerd en gereguleerd vanuit het cytoskelet.2 Differentiatie vereist een functionele samenwerking binnen het cytoskelet.

Centriolen blijken rood- en infrarood-gevoelig te zijn, en sommige cellen verplaatsen zich in de richting van lichtbronnen in die golflengtegebieden door gebruik te maken van hun centriolen. Men heeft ontdekt dat centriolen perfect ontworpen lichtdetectoren zijn en functioneren als receptoren en transductors in lichtgevoelige cellen. Ieder van de loodrecht op elkaar georiënteerde cilinders bestaat uit negen iets gekromde, schuin geplaatste lamellen (die ieder zijn opgebouwd uit microtubuli – dat zijn kleine buisjes) die evenwijdig aan de as van de cilinder zijn geplaatst. Onderaan die lamellen bevinden zich lichtgevoelige plekjes, zodat de cel door onderscheiding van al of niet door een lichtstraal geraakte lichtgevoelige plekjes de richting en de afstand van de lichtbron kan herkennen.3 De centriolen zouden daarom de ‘ogen’ van de cel kunnen worden genoemd, hoewel hun structuur totaal verschilt van de ogen van grotere organismen zoals gewervelde dieren of inktvissen. Biologen hebben verzucht dat ‘de structurele schoonheid van de centriolen, hun raadselachtige geometrie en complexe gedrag een waas van geheimzinnigheid hebben opgeroepen: ‘biologen hebben lange tijd moeten leven met het spookbeeld dat de betekenis van centriolen hen volledig ontging’.’4

Als de cel een lichtbron ontdekt, kan hij zich in de richting daarvan bewegen, maar dat gebeurt niet louter automatisch. Hij kan ook keuzes maken en van de ene bron naar de andere bewegen ook al hebben beide dezelfde kwaliteit en intensiteit. Cellen kunnen zich ook in de richting van andere cellen bewegen en kunnen, als er meerdere mogelijkheden bestaan, keuzes maken betreffende de weg die ze zullen bewandelen. De conclusie van Albrecht-Buehler is dat cellen hoogstwaarschijnlijk met elkaar communiceren door middel van hun vermogen om lichtgolven waar te nemen, en signalen uitzenden in de vorm van infraroodpulsen die door andere cellen kunnen worden waargenomen. Dit zou dan de manier zijn waarop ze hun juiste positie bepalen binnen het lichaam van een groter organisme. De beweging schijnt, in reactie op wat de centriolen of ‘ogen’ van de cellen waarnemen, te worden geleid vanuit het centrosoom, het ‘brein’ van de cel, via een straalsgewijze rangschikking van onvertakte microtubuli of ‘zenuwbanen’ die het centrosoom verbinden met de cellulaire microplasma’s of ‘spieren’ die zich in de cortex, het gebied dichtbij het buitenmembraan van de cel, bevinden.

Het meest opmerkelijke is het feit dat de cel in staat is om de binnenkomende informatie te interpreteren, om aldus talloze onvoorspelbare signalen te ordenen en te integreren, en dan, binnen zijn beperkte mogelijkheden, bewust kan handelen. Daarvoor is een zekere mate van intelligentie nodig. Kennelijk is het orgaan voor die intelligentie, van waaruit alle organisatie en beweging tot stand wordt gebracht, het centrosoom, ‘een van de geheimzinnigste delen van de cel’, zoals Albrecht-Buehler zegt. Het centrosoom is niet alleen de informatiedrager betreffende de morfologie van de cel, maar kan volgens Albrecht-Buehler als het ‘brein’ van de cel worden gezien, omdat het waarschijnlijk het cellulaire data-integratiesysteem is. Dit houdt in dat cellen veel meer zijn dan louter automaten die overeenkomstig hun genetische codering op chemische prikkels reageren, en op hun eigen bescheiden manier een deel bevatten van het kosmische intelligentiebeginsel. De intelligentie van cellen houdt ook in dat het klassieke beeld op zijn kop wordt gezet: in plaats dat genen en chemische processen het doen en laten van de cel bepalen, zouden de genen, in de woorden van Albrecht-Buehler, slechts ‘de ‘medewerkers’ of zelfs ‘slaven’ van de levensfuncties van de cellen zijn’. De genen kunnen dan worden vergeleken met een bibliotheek waarin alle noodzakelijke fysieke informatie is opgeslagen. Hoe het ook zij, het idee dat cellen een waarnemingsvermogen en intelligentie, keuzevrijheid en daarom een ‘wil’ en bewustzijn hebben, is in overeenstemming met de oude leringen over de alomtegenwoordigheid van bewustzijn en van alle andere kosmische beginselen.

Onze conclusie is dat het vanuit een theosofisch standpunt niet het DNA of zelfs de kern is die de wezensessentie van een cel of van het leven uitmaakt, maar het ‘levensatoom’ of de ziel, die haar bijzondere brandpunt heeft in het fysieke aspect van de cel. Via dit brandpunt geeft de ziel leiding aan alle processen van de cel, en past deze wellicht aan haar behoeften aan. Terugkerend naar het Vishnu Purana merken we op dat de kosmische intelligentie in haar lagere aspect verdelend werkt (dat wil zeggen, ze manifesteert zich in ontelbare uitdrukkingsvormen), maar dat ze in haar hogere aspect niet-verdelend is (dat wil zeggen, ze weet dat alle schijnbare afgescheidenheid van verschijnselen een illusie is). Het boeddhisme leert dat de allerhoogste realisatie is dat afgescheidenheid een illusie is en dat alle dingen met elkaar in een afhankelijkheidsrelatie staan en in essentie Eén zijn. Als we deze lering toepassen op de centrosomen, moeten we dan niet concluderen dat hun geestelijke kern intelligentie is die in haar hogere aspect van zichzelf weet dat ze is verenigd met een meeromvattend functioneel geheel waarvan ze een deel is – in dit geval de hele cel, die op zijn beurt een deel is van het fysieke lichaam? Mensen, dieren, planten zijn op hun beurt deel van het nog grotere geheel van de aarde, enz. Evolutie in de natuur is niet meer en niet minder dan de altijd voortgaande zich cyclisch ontvouwende kosmische geest.

 

Noten

  1. ‘Cell Intelligence’ op: http://www.basic.northwestern.edu/g-buehler/contents.htm.
  2. T.T. Puck en A. Krystosek, ‘Role of the Cytoskeleton in Genome Regulation and Cancer’ in International Review of Cytology (1992), 132:75-108.
  3. G. Albrecht-Buehler, ‘The cellular infrared detector appears to be contained in the centrosome’, Cell Motility and the Cytoskeleton (1994), 27(3):262-271; zie ook zijn Cell Intelligence op het internet.
  4. Stuart Hameroff, ‘Quantum Vitalism’ http://www.consciousness.arizona.edu/
 
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency