Het woord hiërarchie stamt af van het Griekse hieros,
‘heilig’, en archein, ‘besturen’. Het
duidt daarom op graden of reeksen van levende wezens die samenwerken
onder een gedelegeerd gezag, onder leiding van iemand die het hoogste
gezag heeft. Voorbeelden zouden zijn een commerciële onderneming,
een regering of een club waartoe we misschien hebben behoord, die leden
heeft, een bestuur en een president. De natuur geeft overal voorbeelden
van een hiërarchische structuur, van talloze individuele levende
wezens die in hun evolutionaire opmars samenwerken als onderdelen van
meer complexe entiteiten. Let maar eens op de verbazingwekkende sociale
organisatie in de insectenwereld waar bijvoorbeeld kolonies mieren of
bijen zich als één organisme gedragen. Het menselijk lichaam
is nog een voorbeeld met zijn samenstel van gespecialiseerde organen
die elk zeer specifieke taken vervullen om de gezondheid van het geheel
te bevorderen. Als we kijken naar de basisbouwstenen van het lichaam,
de cellen, zien we miniatuurorganen met specifieke functies binnen hun
uiterst kleine kosmos, en we zien iets dergelijks ook op de moleculaire
en subatomaire niveaus van een oneindige hiërarchie van leven.
De opvatting dat het heelal een hiërarchie van leven is die zich
uitstrekt van de fysieke naar de geestelijke rijken, is onderdeel van
de meeste religieuze stelsels in de wereld. Van de traditionele animistische
geloofsvormen van Afrikaanse volkeren tot aan de hiërarchie van
de hindoegoden is er bewijs voor een wijdverspreid geloof in een trapsgewijze
opklimming van macht en gezag in het heelal, van een menigte entiteiten
die in hun eigen gebieden samenwerken om leiding te geven aan wat er
in de kosmos gebeurt.
In sommige religies wordt deze hiërarchie symbolisch
voorgesteld als een boom – bijvoorbeeld de asvatthaboom in India,
de boom van wijsheid en kennis waarvan de vruchten onsterfelijkheid
zijn, met zijn wortels in de hemel en zijn takken in de stoffelijke
wereld. De joodse kabbala spreekt over negen sephiroth die
hangen aan een tiende, kether, de kroon of het oorspronkelijke
punt. De pythagorische school voor Griekse filosofie had wat zij de
heilige tetraktis noemde die door wiskundige symboliek verwees naar
de hiërarchieën van de kosmos. Het christendom beschouwt verschillende
graden van aartsengelen, engelen, serafijnen en cherubijnen waarover
in de bijbel wordt gesproken als schakels tussen de mens en God. Van
bijzonder grote invloed op onze opvatting in de westerse wereld over
engelachtige wezens waren de geschriften van de vijfde eeuwse christelijke
mysticus Dionysius de Areopagiet, waaronder zijn Over de hemelse
hiërarchie.
In de hedendaagse theosofische literatuur betekenen hiërarchieën
de ontelbare graden, treden en stappen van zich in de kosmos ontwikkelende
entiteiten, geleid en begeleid door hogere entiteiten, in een oneindige
reeks omhoog naar het goddelijke en omlaag naar steeds grotere stoffelijkheid.
Over de positie van de mensheid op de ontelbare treden van de evolutieladder
zegt G. de Purucker:
De reeks van hiërarchieën strekt zich eindeloos
in beide richtingen uit. Om zijn gedachten te bepalen kan de mens,
als hij dat verkiest, zich voorstellen dat hijzelf in het midden staat
vanwaar zich, omhooggaande, een oneindige reeks van klassen van hogere
wezens in allerlei stadia uitstrekt – wezens die steeds minder
stoffelijk en meer geestelijk en verhevener worden, in alle opzichten
– naar een onbeschrijfelijk punt. En daar houdt de verbeelding
op, niet omdat de reeks zelf eindigt, maar omdat onze gedachten niet
verder reiken, naar binnen of naar buiten. En overeenkomstig deze
reeks bestaat er een oneindig lange reeks van wezens in neerwaartse
richting . . . steeds verder en verder omlaag, totdat ook daar de
verbeelding ophoudt, eenvoudig omdat onze gedachten niet verder kunnen
gaan.
– Occulte Woordentolk, blz. 67
In theosofische literatuur gebruikt men gewoonlijk een schaalverdeling
in zeven, tien of twaalf graden om de hierarchieën van wezens ‘boven’
en ‘beneden’ het menselijke niveau te omschrijven. De hiërarchieën
hangen aan elkaar zoals hangende sieraden die een ketting vormen. Als
we dus de schaal van tien gebruiken, is de hoogste van onze reeks de
laagste van de volgende hiërarchie erboven, en de laagste van onze
hiërarchie is de hoogste van de kosmische hiërarchie eronder,
wat negen treden geeft. De negen levensrijken van de hoogste tot de
laagste worden, zoals de Grieken ze onderwezen, soms gegeven als: supergoddelijk,
dat voor ons het hoogste is maar dat het onderste is van de hiërarchie
boven ons – dan 1) goddelijke hiërarchieën; 2) goden
of het goddelijk-geestelijke; 3) halfgoden, soms de goddelijke helden
genoemd; 4) helden, wat hoogontwikkelde mensen betekent; 5) mensen;
6) dieren; 7) planten; 8) mineralen; en 9) elementalen. Als laatste
komt het hoogste ‘supergoddelijke’ niveau van de hiërarchie
beneden de onze, die voor hen de hoogste is, maar is vastgehaakt aan
het laagste deel van onze tegenwoordige kosmische hiërarchie.
Hoe is het gesteld met de wezens ‘boven’ de mensheid, de
engelen en goden uit religie en folklore die ons zo boeien? H.P. Blavatsky
schreef dat het heelal ‘van binnen naar buiten wordt geleid’,
zoals ook geldt voor de handelingen van de mens:
De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield
door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste
wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die – of we
ze nu de ene of de andere naam geven en ze dhyan-chohans of engelen
noemen – ‘boodschappers’ zijn, maar alleen in die
zin dat ze werktuigen zijn van de karmische en kosmische wetten. Ze
variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn
en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder
enig aards bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’,
geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder
van die wezens is òf een mens geweest, òf bereidt zich
voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere
of komende cyclus . . . – De Geheime
Leer 1:301-2
Theosofie wijst op de verder geëvolueerde wezens als de hiërarchie
van mededogen die zich uitstrekt van goede en verheven mensen, in stijgende
lijn via meesters van wijsheid, goden en supergoddelijke intelligenties
tot de onuitsprekelijke levensbron in ons universum.1
Hier brengen kosmische intelligentie en goddelijke substantie, die voortvloeien
uit het grenzeloze onkenbare, samen alle verschijnselen voort die behoren
tot de spirituele of bewustzijnskant van de natuur. Als zelfbewuste
mensen bevinden wij ons halverwege tussen de goden en de elementalen.
Omdat we ontluikende goddelijke vermogens hebben, kan ieder van ons
op elk moment kiezen of hij ernaar zal streven zich bij de goden aan
te sluiten of ermee tevreden is om in de lagere natuurrijken te blijven.
Als leerlingen in de school van het leven moet ons doel zijn om op
een dag samen met onze klasgenoten op te klimmen naar andere scholen
voor hogere kennis in de kosmos. Onze leraren uit de hiërarchie
van mededogen roepen vriendelijk, en moedigen ons aan ons in te spannen
bij onze studie en ons op een dag bij hen aan te sluiten om de levensrijken
steeds verder omhoog te leiden op de kosmische levensladder.
Noot
- Zie ‘Mededogen in De
Geheime Leer’, blz. 162.