We leven in een tijd waarin verschillende manieren om de wereld te
bezien tegelijkertijd in omloop zijn. Naast christelijke geloofsbelijdenissen
zien we een belangstelling voor het gnosticisme, voor oosterse religies
en mystieke stromingen uit allerlei bronnen. Naast het materialisme
dat in de vorige eeuw ontstond, zijn er verstrekkende speculaties, gebaseerd
op de nieuwe fysica. De ene wetenschappelijke theorie beschrijft het
heelal als toevallige rangschikkingen van blindelings voortbewegende
deeltjes. Een andere, eveneens wetenschappelijk, noemt het universum
een samenhangend organisme waarin elk deel de weerspiegeling is van
al het overige, zoals een stukje van een hologram het hele beeld bevat.
Het hologram: de beeldspraak is nieuw maar de gedachte is oud. De filosoof
en wiskundige Leibniz zag, net als Pythagoras en Plato vóór
hem, het heelal als voortbrengsel van talloze monaden, kernen van bewuste
energie. Leibniz noemde ze ‘meetkundige punten’, om de nadruk
erop te leggen dat het geen fysieke dingen zijn, maar centra van bedrijvigheid
waar zelfs de indeling in geest en stof is verdwenen. Ieder van zijn
monaden wordt gezien als een levende spiegel van de andere, zodat in
elk de mogelijkheden van het universum verborgen liggen. Hij schreef:
Elk deel van de stof kan worden opgevat als een tuin
vol planten, en als een vijver vol vissen. Maar elke tak van de plant,
elk lichaamsdeel van het dier, elke druppel van zijn lichaamsvloeistoffen,
is ook zo’n tuin en ook zo’n vijver.
–
P.P. Wiener, Leibniz-Selections, blz. 547
Volgens de nieuwe fysica bestaat het stoffelijke universum niet uit
afzonderlijke deeltjes in een mechanisch systeem maar uit een gigantisch
weefsel van onderlinge betrekkingen. Noch energiequanta, noch elementaire
deeltjes zijn blijvende eenheden, maar veranderen voortdurend –
in andere deeltjes, in elkaar – en zijn blijkbaar slechts stadia
in een proces van wisselwerking. Zoals Heisenberg heeft opgemerkt, ‘het
universum is een universum van deelgenootschap’. Wisselwerking
is de sleutel. De eigenschappen en structuren van alle verschijnselen
worden niet bepaald door eeuwig onveranderlijke stoffelijke deeltjes,
maar door complexe wisselwerking in het weefsel van gebeurtenissen dat
we natuur noemen. Reeds in de eerste decennia van de twintigste eeuw
komen we uitspraken tegen die vooruitlopen op de komende trend. In zijn
boek The Nature of the Physical World (1927) geeft de Engelse
fysicus en astronoom A.S. Eddington aan hoe materie blijkt op te lossen
in energiepunten en het best getypeerd wordt door de term ‘mind-stuff’.
De wiskundige, fysicus en astronoom J.H. Jeans, en Max Planck, opsteller
van de kwantumtheorie, beschouwen beiden bewustzijn als fundamenteel
en materie als afgeleide van bewustzijn. Teilhard de Chardin vat het
als volgt samen: ‘De moderne fysica is er niet langer zeker van
of wat ze in handen heeft zuiver energie is, of zuiver gedachte.’
Veel onderzoekers komen tegenwoordig tot dezelfde slotsom als de mystici
uit alle tijden.
In de 19de eeuw was het begrip ecosysteem nog onbekend; hoe sterk de
verschillende organismen binnen een levend geheel van elkaar afhankelijk
en in elkaars leven verweven zijn, was nog niet ontdekt. Niemand droomde
over een ‘Gaia-hypothese’ die stelt dat de aarde zich gedraagt
als een levend en zich aanpassend organisme (Lynn Margulis en J.E. Lovelock,
1977). Relaties, patronen van wisselwerking, bepalen de identiteit van
elk deel. Levende wezens zijn als draaikolken in een rivier, voortdurend
wisselen ze moleculen en energie uit met hun omgeving en blijven toch
zichzelf. Ook inwendig speelt heel het dynamische evenwicht van cellen
harmonisch mee: cellen worden vervangen, en omstandigheden kunnen –
binnen zekere grenzen – veranderen, terwijl de identiteit toch
dezelfde blijft. Elk zo’n individualiteit blijkt volledig gevormd
ten tonele te verschijnen, en het hele netwerk van ingewikkelde onderlinge
betrekkingen werkt van meet af aan zonder haperingen. Toen T.H. Huxley
vlak voor het publiceren van Origin of Species aan Darwin beloofde
dat boek te zullen verdedigen, maakte hij de opmerking dat de bewijsvoering
nodeloos werd bemoeilijkt door het proces af te schilderen als iets
langzaams en geleidelijks. Huxley blijkt gelijk te hebben gehad: geologisch
bewijsmateriaal duidt erop dat nieuwe soorten sprongsgewijs ontstaan.
Steeds is vereist: volledige samenwerking van een heel complex van veranderingen,
één zo’n verandering alleen, als het al iets voorstelt,
is een handicap.
Op cellulair niveau is het al niet anders. Albert Szent-Györgyi,
biochemicus en ontdekker van vitamine C, vergeleek het denkbeeld dat
willekeurige mutaties de doeltreffendheid van de levende cel zouden
kunnen verklaren met het idee dat je een precisieuurwerk zou kunnen
verbeteren door het te laten vallen: ‘Om een beter horloge te
krijgen, moet je alle radertjes tegelijk veranderen om opnieuw een passend
geheel te vormen.’ De elektronenmicroscoop heeft een veelheid
van subcellulaire organen onthuld, organellen genaamd, die ingewikkelde
chemische handelingen uitvoeren op precies het juiste moment op precies
de juiste manier, waarbij elk organel functioneert dankzij het functioneren
van alle andere. Zoals Lewis Thomas schreef: ‘Mijn cellen . .
. zijn ecosystemen complexer dan Jamaica Bay.’
In de 19de eeuw dacht men dat toeval het ontstaan van heel het gecompliceerde
weefsel van systemen wel kon verklaren. Tegenwoordig zijn daarover ernstige
twijfels gerezen. Het holistische wereldbeeld beschouwt de mens niet
als los van het web van gebeurtenissen dat we natuur noemen. Als delen
van de natuur bekijken we de natuur: onze intelligentie begrijpt de
intelligente patronen om ons heen. Velen die de toevalstheorie als ontoereikend
ervaren en de scheppingstheorie op logische gronden verwerpen, gaan
inzien dat bewustzijn en intelligentie evenzeer deel uitmaken van het
heelal als de veelheid van vormen en omstandigheden waarin ze zich uiten;
en ze zijn even gevarieerd: van zuiver instinctief tot de hoogste intelligenties
aan toe – als we al van een hoogste kunnen spreken.
Er is geen sluitende definitie van leven. Niet langer kunnen
we zeggen: dit is wel en dat is niet een uiting van leven of bewustzijn
in de een of andere gradatie ervan. De fysicus Paul Davies merkt in
zijn Other Worlds op:
er bestaat geen grens tussen levend en niet levend.
Kristallen bijvoorbeeld zijn hoog georganiseerde structuren die zich
kunnen reproduceren, toch beschouwen we ze niet als levend. Sterren
zijn complexe en ingewikkeld georganiseerde systemen, maar worden
gewoonlijk niet als levend beschouwd. Het zou kunnen dat we te bekrompen
zijn in onze visie op het leven. – blz. 147
Het zou ook kunnen dat levens- en bewustzijnsvormen ons overal omringen,
vanaf de meest primitieve stoffelijke vormen tot aan de wereldziel van
een melkwegstelsel toe. Het menselijk denken is geen uitzondering maar
een uitvloeisel van de algemene wet, een van de ontelbare vormen waarin
deze zich uit. De mysticus en denker Spinoza schreef:
Wat het menselijk denken betreft, geloof ik dat het
ook een deel is van de natuur, want volgens mij bestaat er in de natuur
een oneindige denkkracht . . . Verder ga ik ervan uit dat het menselijk
denken identiek is met deze kracht.
– Brief aan Henry Oldenburg (1665) # 32,
van Vloten ed.
Voor Spinoza waren geest en stof parallelle kenmerken van God of Substantie,
de grote essentie van het heelal die in de theosofische literatuur soms
svabhavat wordt genoemd, de oernatuur, geest-substantie. Svabhavat
(van Sanskriet sva, ‘zelf’ en bhu, ‘worden’)
betekent het zelf-wordende. Er kan niets bestaan of het is een uitvloeisel
van de eeuwige activiteit van deze oernatuur. Er kan niets bestaan,
zei ook Spinoza, behalve deze Substantie en het zich ontvouwen van haar
kenmerken. De ‘schepping’ had dan ook geen begin en heeft
geen einde; alle dingen komen voort uit het grenzeloze en zullen dus
eeuwig voortgaan – theosofische gedachten die we ook in het neoplatonisme
en het gnosticisme tegenkomen.
We zien dat Spinoza nadruk legt op de essentiële eenheid en continuïteit
van al het bestaande, terwijl Pythagoras, Plato en Leibniz daarin ontelbare
monaden onderscheiden, kernen van activiteit in alle denkbare graden
van zelfexpressie. Brengen we de monadenleer en de filosofie van Spinoza
tezamen, dan ontstaat er een wereldbeeld dat opmerkelijk overeenstemt
met gedachten uit de Upanishads, de Vedanta, het boeddhisme,
en die van vele denkers uit het oude Griekenland. Overeenkomstige gedachten
vinden we bij David Bohm, die ook dacht dat het onderscheid tussen levende
en levenloze natuur kunstmatig is – in een bepaalde context nuttig,
maar uiteindelijk onjuist. Hij kwam tot de slotsom dat de ruimte helemaal
niet leeg is, maar een immense oceaan van energie, en dat materie niet
meer is dan een oppervlakkige rimpeling op die oceaan. Alles ligt besloten
in een ‘impliciete orde’ en komt daaruit tevoorschijn. Om
zijn idee te verduidelijken gebruikte Bohm het volgende experiment:
binnen een grotere glazen cilinder staat een kleinere; de tussenliggende
ruimte is gevuld met een stroperige vloeistof, zoals glycerine, en daarin
heeft men een druppel onoplosbare inkt laten vallen. Laat men nu de
buitenste cilinder heel langzaam ronddraaien, dan wordt het bolletje
inkt uitgerekt tot een draad die dunner en dunner wordt en tenslotte
geheel in de vloeistof verdwijnt. De kleurstofmoleculen zijn nu als
een grijze baan tussen de vloeistofmoleculen verdeeld. Het terugdraaien
van de cilinder levert een verrassend resultaat op: eerst verschijnen
er dunne draden, die geleidelijk al dikker worden, en plotseling drijft
daar de druppel inkt weer rond. Dit doet denken aan hoe uit de holobeweging
waarin de oceaan van energie verkeert, het bekende universum met alles
wat daarin is tevoorschijn komt (vgl. Wholeness and the Implicate
Order, 1980, blz. 179 e.v.).
Uit de ‘werkelijkheid van de eerste orde’, de impliciete
orde, komt de expliciete orde, de wereld van vormen en levende wezens,
tevoorschijn. In deze ‘werkelijkheid van de tweede orde’
hebben deze dingen een relatief afzonderlijk bestaan, zoals de Golfstroom
en andere stromen een relatief afzonderlijk bestaan hebben binnen de
Atlantische Oceaan. Alle verschijningsvormen van de natuur, van atomen
tot melkwegstelsels, komen voort uit de oceaan van de impliciete orde,
verschijnen ten tonele als ‘relatief autonome subtotalen’
en zijn tegelijkertijd verbonden met al het andere.
Bohm beschouwde het heelal als een ongedeeld geheel, een ononderbroken
voortgaand proces, waarvan de ‘uiteindelijke bestaansgrond volstrekt
onuitsprekelijk, volstrekt onvoorwaardelijk’ is. De ruimte is
niet een niets, maar is in diepste wezen deze bestaansgrond. Hij gebruikte
het beeld van een kristal waardoorheen volgens de kwantumtheorie bij
het absolute nulpunt elektronen zouden gaan alsof het lege ruimte was.
Het kristal zou dan volkomen homogeen zijn en zou voor de elektronen
niet lijken te bestaan, zoals voor ons de ruimte niet lijkt te bestaan.
Maar als men de temperatuur laat stijgen, dan verschijnen er inhomogeniteiten
die de elektronen verstrooien. Als iemand de elektronen met een elektronenlens
in focus bracht om een beeld te maken van het kristal ‘dan zou
het lijken alsof de inhomogeniteiten onafhankelijk bestaan en of het
eigenlijke kristal puur niets was’ (blz. 191). Evenals de school
van Parmenides en Zeno in het oude Griekenland zag Bohm de ruimte als
een plenum, het volstrekt volle, de grondslag of het substratum
van al het bestaande. De materie die we waarnemen bestaat, evenals de
onregelmatigheden in het kristal, uit inhomogeniteiten in de ruimte,
die de eenheid is die materie en bewustzijn beide omvat.
Een andere natuurkundige die in zijn werk de verbondenheid der dingen
onderschrijft is John S. Bell. Men dacht dat twee deeltjes die zich
met lichtsnelheid van elkaar verwijderen voorgoed contact hadden verloren,
omdat geen signaal van de een de ander nog zou kunnen inhalen en beïnvloeden.
In 1964 bracht Bell zijn hypothese naar voren dat zulke deeltjes elkaar
toch wel beïnvloeden en dus, hoe dan ook, nooit contact verliezen.
In 1972 werd zijn theorie voor het eerst experimenteel bevestigd. De
wetenschap schijnt haar eigen grenzen te overschrijden en door te dringen
tot een terrein waar mystici al veel eerder waren geweest. Het hoeft
ons niet te verbazen dat moderne denkers met verbazing en bewondering
kennis nemen van ideeën uit de oudheid.
Toen H.P. Blavatsky in 1888 De Geheime Leer uitbracht, gaf
ze te kennen dat de erin beschreven ideeën niet van haarzelf en
niet nieuw waren. Ze schetste opnieuw in grote lijnen het beeld van
het bestaan van oneindige Ruimte – de oergrond van ontelbare universa,
bevolkt en bezield door ontelbare monaden: niet als losstaande, afzonderlijke
grootheden, maar als differentiaties binnen het geheel. Ze spreekt over
‘De fundamentele eenheid van alle Zielen met de Universele Overziel’,
en geeft een duizelingwekkend panorama van de evolutieweg, niet van
lichamen, van vormen, maar van bewustzijnskernen, monaden, vanaf hun
differentiatie binnen de Overziel tot aan hun grote consummatum
est, het bereiken van volledig zelfbewuste realisatie van kosmisch
bewustzijn aan het einde van deze wereldperiode. Een werk als De
Geheime Leer moest in die tijd wel deining veroorzaken; recente
ontwikkelingen hebben de weg voor ons bereid om deze gedachten naar
waarde te schatten en de fundamentele eenheid van mens en heelal te
onderschrijven.
De menselijke geest staat niet los van de geest van het heelal. In
feite kan men zich niets voorstellen los van de fundamentele ruimte-energie-geest
waaraan de oude vedische dichter geen naam wilde geven. Namen duiden
op eigenschappen en houden dus beperkingen in, omdat elke eigenschap
z’n tegendeel uitsluit. En zo sprak de vedische wijze dus eenvoudigweg
van tat, Dat. In de subtiele logica van het boeddhistische
denken wordt de absolute volheid van de ruimte sunyata, leegte,
genoemd: al het bestaande is als rimpelingen in deze grenzeloze oceaan,
waarvan niet kan worden gezegd dat het deze of gene vorm heeft en in
die zin dus ‘leeg’ is. De gnostici en andere denkers uit
het Middellandse-Zeegebied legden met hun plenum of pleroma
de nadruk op de ‘volheid’ die alle werelden omvat, zowel
onze zichtbare als de talrijke onzichtbare werelden. Deze werelden kunnen
worden gesymboliseerd als de sporten van de eindeloze ‘ladder
van het zijn’. Of de bewoners van gebieden hoger dan de onze nu
aionen worden genoemd, of orden van engelen, of dhyani-boeddha’s,
maakt geen verschil. De wereld is de wisselwerking van een verscheidenheid
van monaden, maar niet alle monaden uiten zich noodzakelijkerwijs op
het fysieke niveau. Hoewel het diepste wezen van elke monade een aspect
is van de uiteindelijke bestaansgrond, zijn ze in hun uitingsvormen
oneindig verscheiden. In hun totaliteit vormen ze de natuur, de jakobsladder
van evoluerende wezens die gezamenlijk het weefsel van zichtbare en
onzichtbare werelden vormen, de veelheid van ‘parallelle universa’
waarvan denkers in deze tijd het bestaan beginnen te vermoeden.