De dichter was gaan zitten, met de pen in de hand en een blanco vel
papier voor zich; hij had zelfs al enkele regels geschreven toen hij
– zwart tegen de achtergrond van de witte bladzijde – een
minuscuul stipje, ongeveer zo groot als een punt, opmerkte. . . . Het
bewoog! Eerst dacht hij dat zijn ademhaling een pluisje in beweging
had gebracht. Maar nee, het begon nu uit eigen wil over de hele lengte
van het papier te wandelen waarmee het aantoonde dat het inderdaad een
waardevolle stip was, die de moeite van zijn aandacht waard was.
Vruchteloos, zei Frost, balanceerde hij zijn pen ‘om het met
een stipje inkt tegen te houden’. Maar alleen al bij het naderen
van de pen bleef het stipje plotseling stilstaan, en vluchtte vervolgens
over de bladzijde, om slechts te worden tegengehouden door de nog natte
inkt van de laatst geschreven regel. Hier aarzelde het, en was zich
vaag bewust van iets dat mogelijk bedreigend zou zijn in die plas van
natheid, draaide zich om en vluchtte als in paniek weg. Maar die vlakke
ononderbroken uitgestrekte woestijn waarin het zich bevond, bleek uiteindelijk
te veel voor hem te zijn; en na het voortkruipen, weifelen, verdergaan,
en aarzelen, dook het bewegingloos ineen midden op de bladzijde, alsof
het zich aan zijn lot overgaf. Intussen keek de menselijke god toe,
en had het vermogen om die worstelende entiteit door het aanraken van
een vinger te vernietigen. Maar Frost hield zich in en hoopte dat het
arme wezen aan het slapen was. . . . Het was een studie in bewustzijn,
want het microscopisch kleine wezentje had door zeer minutieuze reacties
blijk gegeven van achterdocht, schrik, verbijstering, angst, en het
overweldigende verlangen om te overleven.
Ik ben er zeker van dat toen de dichter ging zitten om te schrijven,
hij niet had verwacht dat hij kort daarop een glimp zou opvangen, als
door een knoopsgat, van de ontzagwekkende dimensies van het uiterst
kleine. Het was alsof je met een microscoop of telescoop naar het universum
keek, en dezelfde volmaaktheid en volledigheid en ook graad van bewustzijn
ontdekte, als in de meer vertrouwde schepping – een bewijs uit
de eerste hand dat er in de goddelijke huishouding niets groot is, en
niets klein. Emerson, die veel had gestudeerd, voelde deze waarheid
aan toen hij zei dat de wereld ‘zichzelf bolvormig maakt in een
dauwdruppel’, dat de microscoop ‘het microscopisch kleine
diertje dat minder volmaakt is omdat het klein is, niet kan vinden’;
en dat ‘God met al zijn samenstellende delen opnieuw verschijnt
in elk mosje en spinnenweb’.
Hier hebben we een kijkje in de wereld van het bewustzijn, van motivatie,
en in een wezen zo klein dat we het ongelooflijke naderen. Kan aan de
handelingen van een wezen dat zo laag staat zo’n interpretatie
worden gegeven? Misschien gaat het te ver om te geloven dat er motivaties
kunnen opkomen in een entiteit waarin een denkvermogen en wil tot nu
toe ontbreken. Maar wijzelf met al onze delen en organen die zo subtiel
samenwerken en in evenwicht zijn – en met hogere eigenschappen
die zich voortdurend ontvouwen – moeten bijna onopgemerkt blijven
vergeleken met die verheven reusachtige wezens in het universum. Aan
de andere kant is de gedachte geopperd dat zelfs op de elektronen van
een atoom, die worden beschouwd als planeten die om hun centrale kern
wentelen, wezens kunnen leven die zelfs nog verder zijn geëvolueerd
dan onze vertrouwde mensheid. We zijn dus in één opzicht
een microkosmos, en in een ander opzicht een macrokosmos, tenminste
voor de atomaire levens die onze constitutie opbouwen, en die door hun
activiteiten in de cellen en moleculen de grondslag vormen waardoor
wij op ons eigen gebied kunnen functioneren.
Misschien kunnen we hier beter stoppen met onze speculaties. Frost
besluit zijn gedicht met de humoristische opmerking dat omdat hij zelf
een denkvermogen heeft, hij dat ‘in elke gedaante’ herkent
wanneer hij het ontmoet:
Niemand kan weten hoezeer het mij verheugt
Om op een vel papier
Het geringste blijk van denkvermogen te vinden.
De dichter brengt door deze momenten van inzicht een nieuw begrip van
de immense omvang van het universele leven over. En wij mensen die de
gewoonte hadden onszelf te beschouwen als de enige kern en het toppunt
van de hele schepping, hebben eenvoudig onze natuurlijke plaats in deze
immense samenstroming van evoluerende wezens.