Robert Frosts waardevolle stipje
Madeline Clark

 

De dichter was gaan zitten, met de pen in de hand en een blanco vel papier voor zich; hij had zelfs al enkele regels geschreven toen hij – zwart tegen de achtergrond van de witte bladzijde – een minuscuul stipje, ongeveer zo groot als een punt, opmerkte. . . . Het bewoog! Eerst dacht hij dat zijn ademhaling een pluisje in beweging had gebracht. Maar nee, het begon nu uit eigen wil over de hele lengte van het papier te wandelen waarmee het aantoonde dat het inderdaad een waardevolle stip was, die de moeite van zijn aandacht waard was.

Vruchteloos, zei Frost, balanceerde hij zijn pen ‘om het met een stipje inkt tegen te houden’. Maar alleen al bij het naderen van de pen bleef het stipje plotseling stilstaan, en vluchtte vervolgens over de bladzijde, om slechts te worden tegengehouden door de nog natte inkt van de laatst geschreven regel. Hier aarzelde het, en was zich vaag bewust van iets dat mogelijk bedreigend zou zijn in die plas van natheid, draaide zich om en vluchtte als in paniek weg. Maar die vlakke ononderbroken uitgestrekte woestijn waarin het zich bevond, bleek uiteindelijk te veel voor hem te zijn; en na het voortkruipen, weifelen, verdergaan, en aarzelen, dook het bewegingloos ineen midden op de bladzijde, alsof het zich aan zijn lot overgaf. Intussen keek de menselijke god toe, en had het vermogen om die worstelende entiteit door het aanraken van een vinger te vernietigen. Maar Frost hield zich in en hoopte dat het arme wezen aan het slapen was. . . . Het was een studie in bewustzijn, want het microscopisch kleine wezentje had door zeer minutieuze reacties blijk gegeven van achterdocht, schrik, verbijstering, angst, en het overweldigende verlangen om te overleven.

Ik ben er zeker van dat toen de dichter ging zitten om te schrijven, hij niet had verwacht dat hij kort daarop een glimp zou opvangen, als door een knoopsgat, van de ontzagwekkende dimensies van het uiterst kleine. Het was alsof je met een microscoop of telescoop naar het universum keek, en dezelfde volmaaktheid en volledigheid en ook graad van bewustzijn ontdekte, als in de meer vertrouwde schepping – een bewijs uit de eerste hand dat er in de goddelijke huishouding niets groot is, en niets klein. Emerson, die veel had gestudeerd, voelde deze waarheid aan toen hij zei dat de wereld ‘zichzelf bolvormig maakt in een dauwdruppel’, dat de microscoop ‘het microscopisch kleine diertje dat minder volmaakt is omdat het klein is, niet kan vinden’; en dat ‘God met al zijn samenstellende delen opnieuw verschijnt in elk mosje en spinnenweb’.

Hier hebben we een kijkje in de wereld van het bewustzijn, van motivatie, en in een wezen zo klein dat we het ongelooflijke naderen. Kan aan de handelingen van een wezen dat zo laag staat zo’n interpretatie worden gegeven? Misschien gaat het te ver om te geloven dat er motivaties kunnen opkomen in een entiteit waarin een denkvermogen en wil tot nu toe ontbreken. Maar wijzelf met al onze delen en organen die zo subtiel samenwerken en in evenwicht zijn – en met hogere eigenschappen die zich voortdurend ontvouwen – moeten bijna onopgemerkt blijven vergeleken met die verheven reusachtige wezens in het universum. Aan de andere kant is de gedachte geopperd dat zelfs op de elektronen van een atoom, die worden beschouwd als planeten die om hun centrale kern wentelen, wezens kunnen leven die zelfs nog verder zijn geëvolueerd dan onze vertrouwde mensheid. We zijn dus in één opzicht een microkosmos, en in een ander opzicht een macrokosmos, tenminste voor de atomaire levens die onze constitutie opbouwen, en die door hun activiteiten in de cellen en moleculen de grondslag vormen waardoor wij op ons eigen gebied kunnen functioneren.

Misschien kunnen we hier beter stoppen met onze speculaties. Frost besluit zijn gedicht met de humoristische opmerking dat omdat hij zelf een denkvermogen heeft, hij dat ‘in elke gedaante’ herkent wanneer hij het ontmoet:

Niemand kan weten hoezeer het mij verheugt
Om op een vel papier
Het geringste blijk van denkvermogen te vinden.

De dichter brengt door deze momenten van inzicht een nieuw begrip van de immense omvang van het universele leven over. En wij mensen die de gewoonte hadden onszelf te beschouwen als de enige kern en het toppunt van de hele schepping, hebben eenvoudig onze natuurlijke plaats in deze immense samenstroming van evoluerende wezens.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency