Tijdens het wintersolstitium staat de zon aan de zuidelijke hemel ‘stil’
en begint daarna, ‘herboren’ uit zijn ‘grot van duisternis’,
aan zijn reis naar het noorden om alle levende wezens te verlichten
en nieuw leven in te blazen. Dit is een gebeurtenis die door veel verschillende
culturen wordt herdacht om hun volk eraan te herinneren dat dit een
heel gunstig moment is om uit de duisternis van onwetendheid en verdriet
op te stijgen, en het licht in ons te ontdekken – er zelfs één
mee te worden.
In het oude Egypte werd deze gebeurtenis gevierd met groene takken en
symbolische festiviteiten, en ook nu nog roeren de woorden uit het Egyptische
Dodenboek ons hart. In dit verband kunnen we Osiris en de zonnegod Ra
beschouwen als de kosmische, solaire, en individuele godheid, terwijl
Maat rechtvaardigheid-karma vertegenwoordigt. De havik symboliseert
misschien de aspirerende menselijke ziel, en de feniks de ingewijde
die, nadat hij is opgestaan uit de as van zijn verleden en zich heeft
gebaad in het licht van het eeuwige, zich nu aansluit bij de goden die
‘miljoenen jaren’ lang de ‘zielen van hen die lijden’
verblijden. De volgende begroeting van de zon heeft de suggestieve titel
‘De gestorven mens staat op en zingt een hymne tot de zon’:
Hulde aan u, o Ra, voor uw ontzagwekkende opkomst!
U komt op! U schijnt! De hemelen worden weggerold!
U bent de koning van de goden, u bent de alomvattende,
Uit u komen we voort, in u worden we vergoddelijkt.
Uw priesters trekken bij de dageraad eropuit; ze baden hun hart in
vreugde;
Goddelijke windvlagen maken muziek op uw gouden snaren.
Tijdens zonsondergang omhelzen ze u, als iedere wolk opvlamt
Met de weerspiegelde kleuren van uw vleugels.
U zeilt door het zenit, en uw hart verheugt zich;
Uw ochtend- en avondboot ontmoeten elkaar bij gunstige wind;
Voor uw aangezicht houdt de godin Maat haar veer van het lot omhoog,
En bij het horen van uw naam klinken er stemmen uit de hallen van
Anu.
O u volmaakte! U eeuwige! U de enige!
Grote havik die samen met de vliegende zon vliegt!
Tussen de turkooizen vijgenbomen die naar de lucht reiken, eeuwig
jong,
Schittert uw beeld plotseling boven de heldere hemelse rivier.
Uw stralen zijn op elk gezicht te zien; u bent ondoorgrondelijk.
Eeuw na eeuw hervat uw leven zijn onstuimige jeugd.
Beneden u doet de tijd haar stof dwarrelen; u bent onveranderlijk,
Schepper van tijd, en staat zelf boven alle tijd.
U gaat door de deuren die na de nacht sluiten,
En verblijdt de zielen van hen die lijden.
De waarachtigen, met een rustig hart, staan op om uw licht in te drinken;
U bent vandaag en gisteren; u bent morgen!
Hulde aan u, o Ra, die het leven uit zijn sluimering haalt!
U komt op! U schijnt! Uw stralende gezicht verschijnt!
Miljoenen jaren zijn voorbijgegaan – hun aantal is niet te tellen
–
Miljoenen jaren zullen nog volgen. U staat boven de jaren!

In een andere hymne, ‘Hij die tevoorschijn treedt in het daglicht’,
roept een kandidaat die de verschrikkelijke beproevingen van inwijding
heeft doorstaan uit:
Ik ben er, ik heb de dood overwonnen, ik zie u,
U die sterk bent!
Ik ben door de onderwereld gegaan, heb mijn blik laten rusten op Osiris,
De nacht verdreven.
Ik ben gekomen, ik heb mijn blik laten rusten op mijn vader, Osiris,
Ik ben zijn zoon.
Ik ben de zoon die zijn vader liefheeft,
Ik ben bemind.
Ik heb mij een weg gebaand door de westelijke horizon,
Gelijk god.
Ik ben in zijn voetstappen getreden, en heb door zijn magie
Miljoenen jaren doorstaan.
De poort tussen hemel en aarde staat open,
Vreugdevol is mijn pad.
Gegroet, alle goden! alle zielen! uit de duisternis
Schijnt mijn licht!
Gelijk de havik ging ik naar binnen; ik kom tevoorschijn zoals de
feniks,
Ster van het ochtendgloren.
In de prachtige wereld, bij het heldere meer van Horus,
Breekt de dag aan.
|