Het vergaren van kennis over de bewegingen van de aarde is een uitdagende
en tijdrovende klus, maar het is ook hard nodig: aardbevingen en andere
vaak terugkerende gebeurtenissen eisen te veel levens. Sinds de theorie
van de schuivende continenten, die in 1912 door Alfred Wegener werd
ontwikkeld, in de jaren 60 algemeen bekend werd, wordt het denken van
geologen overheerst door een geweldige draaikolk van eenstemmigheid
waaruit nauwelijks een tegengestelde visie kan ontsnappen. Terwijl de
theorie niet geheel voldoet aan het beeld van een ‘werkelijk nieuwe
kijk op wereldwijde tektoniek’, heeft ze volgens de Encyclopaedia
Britannica,
niettemin een enorme invloed uitgeoefend door onduidelijke zaken
te verhelderen, schijnbaar tegenstrijdig bewijsmateriaal te verzoenen,
gebeurtenissen die plaatsvinden in afgelegen gebieden op deze aarde
in een opvallende mate onder één noemer te brengen,
nieuwe wegen naar kennis te vormen, de deur te openen naar nieuwe
onderzoeksgebieden, en intussen talloze nieuwe en belangrijke vraagstukken
op te roepen.
De
theorie van Wegener houdt in dat de wereld oorspronkelijk bestond uit
één supercontinent, Pangaea, dat in twee grote landmassa’s
uiteenviel: Laurasia en Gondwanaland. In de loop van miljoenen jaren
vielen deze continenten uiteen en dreven van elkaar weg. Algemeen werd
verondersteld dat continenten omhoogkomen en verzinken, maar de theorie
van de plaattektoniek gaat veel verder. Zij gaat uit van een lithosfeer,
ofwel een vaste buitenste schil die bestaat uit de aardkorst en het
bovenste deel van de mantel, dat weer is onderverdeeld in een klein
aantal platen dat drijft op en onafhankelijk reist over het meer vloeibare
deel van de aardmantel. Deze platen vormen de continenten en de oceaanbodem.
Veel van de seismische activiteit en het vulkanisme, en ook de processen
die de bergen vormen en de bodem doen wegzinken, vinden plaats in het
grensgebied van deze platen.
Een van de redenen dat deze theorie direct tot de verbeelding spreekt
is dat wereldkaarten iets weg hebben van een legpuzzel. Zuid-Amerika,
bijvoorbeeld, lijkt prachtig te passen in de zuidwesthoek van Afrika.
Maar zoals met zoveel schijnbaar vanzelfsprekende feiten worden problemen
gemakkelijk over het hoofd gezien wanneer we daadwerkelijk proberen
de twee continenten in elkaar te laten passen, zoals David Pratt laat
zien in ‘Plaattektoniek: een paradigma onder vuur’:
Veel reconstructies zijn uitgeprobeerd . . . maar
niet één daarvan is volledig acceptabel.
Het computermodel van Bullard, Everett en Smith,
bijvoorbeeld, vertoont een aantal opvallende tekortkomingen. Heel
Centraal-Amerika en veel van zuidelijk Mexico zijn weggelaten, hoewel
daar grote gebieden met paleozoïsche en precambrische continentale
rotsen voorkomen1.
– Journal
of Scientific Exploration (14:3), blz. 313
Andere problemen met deze reconstructies betreffen de manier waarop
de geologische lagen van enkele continenten onder allerlei hoeken samenkomen
in plaats van naadloos op elkaar aan te sluiten.
Hoewel deze theorie van de plaattektoniek tegenwoordig het denken overheerst,
onderschrijven toch niet alle onderzoekers haar. Een toenemend aantal
geologen dat zoekt naar een scheurtje in deze starre korst van het denken
wisselt resultaten uit in forums zoals de New Concepts in Global
Tectonics-nieuwsbrief [Nieuwe denkbeelden over wereldtektoniek].
Hier bevestigt geoloog Shantanu Keshav van de geologische faculteit
van de Universiteit van Bombay, India, dat de ‘plaattektoniek
ons denken werkelijk heeft verlamd’ en dat de voorstanders ervan
‘over weinig feitelijke data beschikken die hun waarnemingen staven,
en dat de daaruit voortvloeiende interpretaties dus misleidend zijn.’
Tegenwoordige versies van de plaattektoniek-theorie
bevatten veel fysiek onmogelijke processen zoals het wegzinken van
sedimenten (terwijl in eerste instantie werd gezegd dat sedimenten
lichter zijn en het wegzinken tegenwerken), het loskomen van de continentale
aardkorst en de hierdoor veroorzaakte delaminatie (al dit jargon wordt
uit de kast gehaald om de diverse geofysische en geochemische anomalieën
die zijn waargenomen te verklaren en die met het model van de plaattektoniek
niet gemakkelijk zijn te verklaren). –
Nummer 3, juni 1997
Hij maakt bijvoorbeeld duidelijk dat niet alle bergketens in dit huidige
model passen. Over het Tibetaanse plateau schrijft hij: ‘Volgens
de plaattektoniek-theorie is het een dubbeldikke korst als gevolg van
een botsing, maar geofysische studies laten zien dat in Tibet het bewijs
voor zo’n verdikking ontbreekt, het is een enkelvoudige monolithische
plaat.’ Hij laat ook zien dat het Kunlungebergte, ten noorden
van het Tibetaanse plateau, te ver verwijderd ligt van de veronderstelde
plaats van subductie van de Indiase plaat om zijn aanwezigheid plausibel
te maken.
De geologie stoelt grotendeels op wat instrumenten laten zien, zoals
seismografen en satellieten die in toenemende mate een rol spelen bij
het meten van de grootte en bewegingen van delen van het aardoppervlak.
Wetenschappers observeren en bestuderen de trillingen van de aarde op
basis van dezelfde natuurwetten die gaan over de waterrimpelingen aan
het oppervlak van een meertje. Omdat trillingen door vaste substanties
met een hogere snelheid bewegen dan door vloeistoffen of gassen, kunnen
onderzoekers afleiden hoe de binnenkant van onze aardbol eruit kan zien.
Maar evenmin als we naar de uiterste grens van het universum kunnen
reizen zijn we niet in staat de kern van onze aarde te bereiken. Tot
op heden is niemand in staat geweest dieper te boren dan zo’n
10 kilometer; vergeleken met de afstand tot de kern van de aarde van
6300 kilometer is dat minder dan het doorprikken van de schil van een
aardappel.
 |
| Grenzen
van de continentale platen en frequentie van aardbevingen volgens
de plaattektoniek-theorie. |
Het ontsnappen van spanning die is opgebouwd tussen drijvende
continentale platen, wordt algemeen gezien als de oorzaak van aardbevingen.
Deze grote platen worden door convectie of temperatuurverschillen voortgestuwd;
warmere platen rijzen naar de oppervlakte terwijl koudere naar beneden
duiken, naar het inwendige van de aarde. Dit proces wordt verder beïnvloed
door het uiteendrijven van de continenten. Dit is een strikt mechanische
verklaring voor het bestaan van geologische rampen, maar volgende de
theosofische filosofie is er veel meer aan de hand:
Het is daarom volstrekt onjuist, en slechts een bewijs te
meer van de grote verwaandheid van onze tijd, om (zoals de geleerden)
te beweren dat alle grote geologische veranderingen en omwentelingen
werden teweeggebracht door gewone en bekende natuurkrachten.
Want deze krachten waren alleen maar de werktuigen en laatste hulpmiddelen
voor het bereiken van bepaalde doeleinden; zij werken periodiek en
schijnbaar mechanisch door middel van een innerlijke impuls die is
vermengd met hun stoffelijke natuur, maar daar toch buiten staat.
Elke belangrijke werking van de Natuur heeft een doel; deze werkingen
zijn alle cyclisch en periodiek. Maar omdat geestelijke krachten gewoonlijk
worden verward met zuiver stoffelijke, wordt het bestaan van de eerstgenoemde
door de wetenschap ontkend en die krachten blijven daardoor aan haar
onbekend, omdat ze niet zijn onderzocht. . . . Er is een
voorbeschikking in het geologische leven van onze bol, evenals in
de geschiedenis van het verleden en de toekomst van rassen en volkeren.
Deze is nauw verbonden met wat wij karma noemen . . . –
H.P. Blavatsky, De
Geheime Leer, 1:710-1
Voor veel mensen in wetenschappelijke disciplines is karma niet meer
dan een exotische kreet uit het oosten. Maar wat kan een meer aannemelijke
verklaring zijn voor de geologische activiteit dan karma als we de aarde
als een levend, bezield organisme beschouwen? Blavatsky stelt dat grote
rampzalige veranderingen het resultaat zijn van zowel excentriciteit
van de omloop van de aarde als het verschuiven en omkeren van de aardas.
Deze beweging heeft zowel een diepgaand effect op klimatologisch gebied
als op dat van de verspreiding van landmassa’s. Een andere factor,
de afname van de draaisnelheid van de aarde, wordt in een oude Toelichting
gezien als de oorzaak van grote overstromingen in het verleden:
‘Wanneer het wiel met de gebruikelijke
snelheid draait, zijn de uiteinden ervan (de polen) met de
middencirkel (de evenaar) in evenwicht; wanneer het langzamer
draait en naar alle kanten wankelt, zijn er grote verstoringen aan
het aardoppervlak. De wateren stromen naar de beide uiteinden en nieuwe
landen verrijzen in de middengordel (landen op de evenaar), terwijl
die aan de uiteinden onderworpen zijn aan pralaya’s door verzinken.’
En verder:
‘Zo is het wiel (de aarde) onderworpen aan en
wordt het geregeld door de geest van de maan, voor wat de adem van
zijn wateren (de getijden) betreft. Tegen het einde van het
tijdperk (de kalpa) van een groot (wortel)ras beginnen
de bestuurders van de maan . . . harder te trekken, en maken zo het
wiel rondom zijn gordel platter, terwijl het op sommige plaatsen inzakt
en op andere opzwelt. En wanneer de zwelling zich naar de uiteinden
(de polen) beweegt, zullen nieuwe landen verrijzen en oude worden
opgeslokt.’ –
Op.cit., 2:366-7
G. de Purucker verklaart dat de draaiing van onze planeet wordt veroorzaakt
door de binnenkomst van krachten aan zijn noordpool: ‘want elektriciteit,
en misschien in het bijzonder magnetisme, volgen een rondgaand of kronkelend
pad, ongeveer als een spiraal, en de entiteit waar ze doorheen stromen,
volgt de draaiende impuls die ze ontvangt en gaat daardoor wentelen
of ronddraaien (Bron van
het Occultisme, blz. 341). Dat het draaien van de aarde wordt
beïnvloed door zonneactiviteit is aangetoond met het Danjon-effect,
ontdekt in 1959: plotselinge verschillen in de draaisnelheid van de
aarde vielen samen met buitengewoon intense zonneactiviteit, zoals coronale
erupties.
Ook doet zich de vraag voor of planetaire en stellaire constellaties
een rol kunnen spelen in geologische en menselijke veranderingen. Ze
zouden een sleutel kunnen zijn waarom de Ouden er zo op gebrand waren
om grote en nauwkeurig gebouwde monumenten te maken die een duidelijk
nauwe relatie met de sterren hebben, zoals de piramiden in Centraal-Amerika
en Egypte, en de monumenten van Angkor Thom in Thailand.2
Blavatsky merkt op dat
archaïsche geleerden ons verzekeren dat alle geologische rampen
– van het oprijzen van oceanen, watervloeden en het verschuiven
van continenten tot de tegenwoordige cyclonen, orkanen, aardbevingen,
vulkanische uitbarstingen, vloedgolven en zelfs het buitengewone weer
en de schijnbare verschuiving van de seizoenen . . . zijn toe te schrijven
aan en afhankelijk zijn van de maan en de planeten; ja, dat zelfs
kleine en onbelangrijk geachte sterrenbeelden de grootste invloed
hebben op de meteorologische en kosmische veranderingen boven en in
onze aarde.
–
De Geheime Leer, 2:795
Zeker, de mensheid kan ook een rol spelen in geologische verschijnselen.
Opwinding, gruwelijkheden, of welke grootschalige disharmonie dan ook
zou kunnen leiden tot een verstoring van astrale en psychospirituele
krachten die het leven voeden. Net zoals het omhakken van bomen het
ecosysteem van een bos verwoest en ervoor zorgt dat de bodem wordt weggevoerd
door de regen, zo kan menselijk handelen tegen de natuur op psychische
en spirituele dan wel op fysieke niveaus ernstige repercussies hebben
op geologisch gebied. Bovendien zouden natuurrampen nauw verbonden zijn
met de menselijke evolutionaire ontwikkeling, en zelfs ervoor zorgen
dat de overgrote meerderheid van de mensen op cruciale cyclische momenten
vergaan.
In diverse oude teksten vinden we uiteenzettingen over grote cyclische
tijdperken. De oude Grieken hadden hun terugkerende tijdperken van goud,
zilver, brons en ijzer. De vier hindoe-yuga’s, die deel uitmaken
van nog grotere cycli, worden in het Mahabharata op subjectieve
wijze goddelijke wezens genoemd. De yuga’s degenereren geleidelijk
van een lang tijdperk van zuiverheid tot het veel kortere kali-tijdperk
van onwetendheid en hartstochten, voordat een nieuwe cyclus van vier
yuga’s begint. Als we accepteren dat de planeet aarde een levend
wezen is, met zijn eigen innerlijke leven, zoals volgens de theosofie
het geval is, dan beïnvloeden zijn levensenergieën de levende
wezens waarvoor hij als gastheer optreedt, net zoals wij op onze beurt
de aarde beïnvloeden. Met het veranderen van grote aardse cycli,
gaat de aarde door vele omwentelingen en ontzagwekkende rampen. Hoe
groter de cyclus hoe indrukwekkender de veranderingen of rampen. De
hindoe-literatuur vertelt ons dat het kaliyuga, waar wij 5000 jaar geleden
aan begonnen, zo’n 430.000 jaar zal duren; dan, na rampzalige
gebeurtenissen, zal een nieuw gouden tijdperk aanbreken. Los van de
vele kleinere cycli die in dit sombere tijdperk een rol spelen, kunnen
we er zeker van zijn dat de mensheid nog ruim de tijd heeft om de raadsels
van het zichtbare en onzichtbare leven van deze aarde op te lossen!
Noten
- Ook te vinden op http://ourworld.compuserve.com/homepages/dp5/tecto.htm;
dit Engelstalige artikel vat op heldere wijze veel wetenschappelijk
vastgestelde feiten samen die botsen met de moderne theorie van de
plaattektoniek of daardoor niet tot volle tevredenheid worden verklaard.
- Vgl. Graham Hancock en Santha Faiia, Spiegel van
de hemel: De mysterieuze vondsten van oer-astronomen of het onderzoek
naar verloren beschavingen, blz. 198ev, Baarn, 1998.
|