Het gezag van de toortsen
Dara Eklund*

 

*Uit een lezing gehouden in het Theosophical Library Center, Altadena, Californië, 2 april 2004.


In de nacht aanvaard ik het gezag van de toortsen,
hoewel ik weet dat er een zon is.    – Victor Hugo

In het westen is het woord gezag tegenwoordig besmet door de angst voor dogma’s en valse leiders die hun web van gebroken beloften spinnen. We staan voor het raadsel van het streven naar volmaaktheid – zoeken naar helden en rolmodellen – in een onvolmaakte wereld. Wat bedoelde Victor Hugo met zijn prikkelende woorden? Beslist geen slaafse onderwerping. De grote literator vervolgt: ‘Dezelfde wet die vereist dat de mensheid geen EIGENAREN heeft, vereist dat de mensheid wel GIDSEN moet hebben. VERLICHT zijn is het tegenovergestelde van AFHANKELIJK zijn.’ In Isis Ontsluierd schreef H.P. Blavatsky over zulke gidsen:

Zoals signaalvuren in de oude tijden, die van de ene bergtop na de andere beurtelings werden aangestoken en gedoofd, door een hele landstreek een bericht overbrachten, zo zien wij een reeks ‘wijzen’ vanaf het begin van de geschiedenis tot in onze tijd het woord van wijsheid aan hun directe opvolgers doorgeven. Het ‘woord’ dat van de ene ziener op de andere overgaat, schittert als een bliksemstraal, en terwijl het de inwijder voor eeuwig aan het menselijk oog onttrekt, maakt het de nieuwe ingewijde zichtbaar.
       – 2:571 Eng. uitgave

Omdat deze Groten de omvangrijke cyclussen kennen, verschijnen ze onder de mensen ‘telkens wanneer er een vermindering van deugd is en ondeugd en onrechtvaardigheid in de wereld opkomen’, zoals de Bhagavad-Gita ons vertelt. Hoewel het bemoedigend is om zich bewust te zijn van deze wijze gidsen achter de schermen, en zich te realiseren dat de goden als liefhebbende opzichters heersen in die innerlijke gebieden waarnaar wij verlangen, worden we gewaarschuwd om niet te veel naar hun aanwezigheid te hunkeren:

Laat ik je verwijzen naar dat deel van De Geheime Leer, geschreven door de meester zelf, . . . Het zou . . . alle ijdele verlangens naar een huidig verblijf bij onze onzichtbare gidsen en broeders wegnemen. . . .
   Maar concreet gesproken heeft ons werk als geheel een bepaald doel. Het is om een nieuwe kracht op gang te brengen, een nieuwe stroom in de wereld, waardoor edele en sinds lang verdwenen jñani’s, of wijzen, weer zullen worden aangetrokken om hier en daar onder de mensen te incarneren, en zó het ware leven en de juiste gebruiken zullen terugbrengen. Op dit moment ligt er een sluier van duisternis over allen, waardoor geen jñani zal worden aangetrokken. Hier en daar zijn er een paar stralen die daardoorheen schieten. . . . We dienen, ieder van ons, van onszelf een centrum van licht te maken; een beeldengalerij van waaruit op het astrale licht zodanige taferelen zullen worden geprojecteerd, zulke invloeden, zulke gedachten, dat velen erdoor ten goede zullen worden beïnvloed; dat er een nieuwe stroom zal ontstaan, en dan zal tenslotte het grootse en het goede vanuit andere sferen hoger dan onze aarde weer worden aangetrokken.
        – William Quan Judge, Brieven die me hebben geholpen, blz. 113-5

We worden veeleer aangespoord om de weg naar ons ware zelf te vinden, de geestelijke zon binnenin. Wat weerhoudt het licht ervan om ons te verlichten, en belemmert de werking van de innerlijke god? Bij het beschrijven van de armzalige, kleingeestige, en beperkte greep van de persoonlijkheid, die de atmosfeer rond ons wezen samenperst, vraagt G. de Purucker, ‘Hoe kan de innerlijke mens groeien zonder de schaal van het lagere zelf te breken? Hoe kan de innerlijke god – uw eigen goddelijke bewustzijn – zich manifesteren vóór het onvolkomene, het kleine, het beperkte . . . is overwonnen, . . . opgegeven, verworpen?’ Hier ligt de strijd, de donkere nacht van de ziel. Hier zijn de ‘toortsen’ nodig om een doorgang te verkrijgen naar het ware licht. Purucker voegde hieraan toe:

De goden roepen ons voortdurend – niet met menselijke woorden, maar met die geluidloze signalen die langs de innerlijke ethers naar ons worden overgebracht en die door het hart en de ziel van de mens worden geïnterpreteerd als geestelijk instinct, aspiratie, liefde, zelfvergetelheid; en de hele bedoeling van deze stille boodschappen is: ‘Kom hoger!’    – Levensvragen, blz. 87

Hoe leert men de innerlijke geestelijke stem kennen? Hoe worden we ‘Koninklijke Metgezellen van de Hemel’, zoals de godinnen van het oude China, de kameraden van die hogere wezens die ons denken en ons hart verheffen? Waar is het pad naar die innerlijke boeddhavelden van waaruit we naar hun voorbeeld de verdorde velden van de aarde kunnen hervormen? Om een centrum van licht te worden hoeven we niet als asceten in meditatieve houdingen te zitten. Men kan het Pad gaan zonder te hoeven reizen, hebben we gehoord, en Krishna vertelt Arjuna dat de plaats die wordt bereikt door hen die afstand doen van handelingen dezelfde is als de plaats die wordt bereikt door hen die toegewijd zijn door te handelen. We moeten denken aan de woorden van Sri Jnaneshwar, verbeeld in De Droom van Ravan:

   Of men nu naar de bloei van het Oosten gaat of naar de kamers van het Westen komt, zonder zich te bewegen – oh! houder van de boog! – is het reizen langs deze weg . . . naar welke plaats men ook wil, die stad (of plaats) wordt het eigen zelf!    – blz. 78

Het voor de geest roepen van het edele beeld van de boogschutter, en hoe de boogschutter door zijn blik de pijl één laat worden met zijn doel, herinnert ons eraan dat het mooiste gebed misschien wel dat van aspiratie omgezet in actie is. Achter de zwakke motivatie van de meeste gebeden en smeekbeden, waarin we de last van ons succes op een of andere uiterlijke kracht leggen, ligt de overtuiging dat zulke krachten bestaan, dat de waarheid in ons eigen hart besloten ligt, dat we kunnen worden wat we ons voorstellen. Onze wil is verzwakt door gebrek aan oefening of door het vertrouwen dat anderen de weg voor ons zullen effenen. Maar de goden zelf zijn gebonden aan de grenzen van de kosmische wet. B.P. Wadia definieert wil als de kracht van geest in actie: ‘Omdat de mens eeuwig denkt en de geest eeuwig actief is, vormen Wil, Denken en Handelen een goddelijke trilogie.’*

Om wilskracht te ontwikkelen moeten we het verschil zien tussen onafhankelijk zijn en weloverwogen handelen. Velen eisen tegenwoordig hun rechten en voorrechten op, gebaseerd op wisselende begeerten, gevestigde gedragscodes, ondersteund door diepgewortelde sociale waarden van wederzijdse zelfzucht, vermomd als het recht van de vrije keus. Zelden horen we mensen spreken over het recht om hun plichten na te komen, het vermogen om het na te laten anderen te bekritiseren bij het volbrengen van hun plicht, of het zich niet bemoeien met het leven van onze medemensen. Het oude gezegde ‘Goede schuttingen maken goede buren’ is zeker waar in ons morele leven waarin we ons afzijdig moeten houden van het binnendringen in het privé-leven van anderen, zelfs in gedachten. Een beschermmuur kan ook door het cement van stilte worden gevormd, zodat een ander tegen schadelijke roddels wordt beschermd. Of het kan worden vermengd met de zoete wateren van vriendelijke, bemoedigende woorden die niet bijdragen aan de negatieve gedachten die zo achteloos worden verspreid door een samenleving die zich niet bewust is van de kracht van geluid. We moeten medewerkers worden van de hiërarchie van mededogen om haar weldadige invloed aan anderen door te geven.

Ik geloof dat Hugo met het gezag van de toortsen deze medewerking bedoelde, want zijn er niet allerlei soorten ‘toortsen’? Er zijn levende lichtbakens die stralen als het licht van een vuurtoren, dat schepen veilig langs zandbanken, puntige rotsen en gevaarlijke kustlijnen loodst; dat zijn moedige mannen en vrouwen bij wie de zelfopoffering is ontvlamd als een vuur. Er zijn ook kleinere lichten en kaarsvlammen van inspiratie van mensen wiens genialiteit zelfs henzelf ontgaat, maar die wel licht afgeven of anderen aansporen verder te gaan. Dan zijn er die grote wezens van wie het licht kalm en rustig straalt zoals dat van onze zon. Toen Krishna ‘de heerlijkheid en verbazingwekkende schoonheid openbaarde van dit machtige Wezen . . . dat was te vergelijken met het stralen van duizend zonnen die tezamen opkomen aan de hemel’, overweldigde dit schouwspel Arjuna. Naar aanleiding van de uitspraak van Hugo verklaarde G. de Purucker:

Er zijn mensen met een bepaalde instelling van geest en hart voor wie de stralende zon te helder is. Zij houden van de leiding van toortsen. Zij houden van het kleinere licht, omdat een kleiner licht gemakkelijker kan worden gevolgd, hanteerbaarder is, gemakkelijker te begrijpen. Maar eens verlaten ze de schaduwen, waar de toortsen hun enige licht zijn, de grot waarover Plato sprak, waar men alleen de dansende schaduwen op de muur zag. Zij gaan naar buiten het zonlicht tegemoet. Dan worden de toortsen opzij gelegd.    – Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 618

Wijzen verblijven niet altijd onder de mensen in de volle pracht van vlammende toortsen, maar stimuleren ideeën die het innerlijke bewustzijn raken van hen die er klaar voor zijn. Een van de leraren van H.P. Blavatsky liet A.P. Sinnett weten dat de enige ‘geesten’ waarin zij geloofden – in tegenstelling tot die van het spiritisme – de hogere planeetgeesten zijn, de hiërarchie van mededogen voor onze aarde. Ze hadden de hoop om een ‘oprechte, praktische broederschap van de mensheid’ te vormen ‘waarin ieder een medewerker van de natuur wordt’. Om dit te verwezenlijken moeten we ons op de beginselen richten, en niet op meningen of vraagstukken die het hersenverstand vanuit alle hoeken bestormen. We kunnen ons de beschermmuur die de mensheid beschermt voorstellen als een bouwwerk van grondbeginselen. Zoals Franz Hartmann beweerde: de menselijke ziel bewondert mooie vormen maar de menselijke geest houdt van beginselen. In ‘Een hymne voor iedereen’ van Proclus vinden we deze afsluitende woorden die tot de verbeelding spreken:

En goddelijke paden ontvouwen zich als ik opklim.
Laat mij die stralen van glorieus licht zien,
Die de ziel vanuit de nacht van wording helpen . . .
Terwijl ik naar huis keer hijs ik de ongeduldige zeilen,
Drijf mijn schip voort over de stormige zee van het leven,
Tot ik de waarachtige haven van barmhartigheid bereik;
Want daar vindt mijn ziel, bedrukt door het vele zwoegen,
Na lange tijd haar paradijs van rust.

 

Noot

*Inspiration for Aspirants, ed. Jeanne Sims, blz. 21

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 2005

© 2004 Theosophical University Press Agency