Door de eeuwen heen is geestelijke kennis in samengevatte vorm vele
malen aan ons, sterfelijke lagerstaande wezens, gegeven. Zulke korte
overzichten zijn het resultaat van de ervaringen en leringen van die
dappere zielen die het hebben aangedurfd zich in de innerlijke gebieden
van het bewustzijn te begeven en terug te keren met de kennis van wat
ze hadden waargenomen. We weten dat zulke avonturen van de ziel al in
het oude Egypte en daarvoor werden ondernomen: de neoplatonische filosoof
Iamblichus (250-330 n.Chr.) wijst erop dat de Egyptenaren zo’n
stelsel bezitten ‘betreffende hoofdzaken en de Allerhoogste oorzaak
van de dingen.’ Eén moderne samenvatting ervan bestaat
uit de zeven juwelen van wijsheid. Deze juwelen vormen een soort op
waarneming gebaseerde atlas die ons helpt onze weg te vinden door een
hoogst ingewikkeld en toch onuitsprekelijk simpel universum. Ze zijn
praktisch van aard en beïnvloeden onze ethische opvattingen en
gedrag ten goede op de lange weg van groei die de ziel ook in de toekomst
doormaakt – en wat zou nog praktischer kunnen zijn voor het oplossen
van onze individuele en wereldproblemen dan dat? Als we deze juwelen
toepassen kunnen we een aantal van de mysteriën van het heelal
oplossen, onszelf en anderen beter begrijpen, en onze gedachten in harmonie
brengen met het functioneren van het heelal. Misschien zal een nader
onderzoek van ieder schitterend juweel ons aanmoedigen om ons eigen
onderzoek voort te zetten.
Het eerste juweel, reïncarnatie of wederbelichaming,
gaat over de onvernietigbaarheid van bewustzijnscentra, hoewel de uiterlijke
vormen ervan kunnen veranderen. Men heeft het principe wel vergeleken
met een acteur die in de ene rol op het toneel ‘wordt vermoord’,
maar dan andere kleren aantrekt om vervolgens een andere rol te spelen.
In Egypte werd reïncarnatie beschouwd als transformatie, gesymboliseerd
door de Benuvogel of de feniks die uit zijn as oprijst tot nieuw leven.
Joseph Campbell suggereert dat ons wezen een dieper niveau kent:
‘mensen die zich met hun sterfelijke lichaam
en de neigingen daarvan hebben geïdentificeerd zullen onontkoombaar
tot de conclusie komen dat alles pijnlijk is, want alles moet –
althans voor hen – tot een einde komen’, zelfs als daarna
wederbelichaming plaatsvindt. ‘Maar voor degene die het stille
punt van het eeuwige heeft gevonden waaromheen alles – inclusief
hijzelf – draait, is alles acceptabel zoals het is; het kan
zelfs als glorieus en prachtig worden ervaren.’
– Geciteerd in Sylvia
Cranston and Joseph Head,
Reincarnation:
The Phoenix Fire Mystery, blz. 22
De lijst van bekende mensen in het westen die de reïncarnatiegedachte
hebben geaccepteerd is enorm, en omvat onder andere Plato, Marcus Aurelius,
Paracelsus, Henry More, Alfred Lord Tennyson, Edgar Allen Poe, Herman
Melville, Gustav Mahler, H.G. Wells en George Santayana. Zoals Benjamin
Franklin zei:
Als ik zie dat niets
wordt vernietigd en geen druppel water wordt verspild, kan ik niet
geloven in de vernietiging van de ziel, of dat [God] het zou toelaten
dat dagelijks miljoenen kant en klare geesten worden verspild en Zichzelf
vervolgens de moeite getroost voortdurend nieuwe aan te maken.
.
.
.
Ik zie de dood als
iets dat even onontbeerlijk is als de slaap. We zullen de volgende
ochtend weer fris opstaan. –
Ibid., blz. 271
Als het geloof in reïncarnatie algemeen was, zou dat mensen kunnen
aanmoedigen tot ethisch gedrag, als ze daarbij beseften dat zijzelf
in hun volgende leven de mensen zouden zijn die ze verdienen te zijn.
Het is ook goed erover na te denken dat we onze vrienden en vijanden
in een ander leven misschien weer tegenkomen!
Het tweede juweel is karma (afgeleid van het Sanskriet
voor ‘doen, maken’), de wet van oorzaak en gevolg. Als we
een steen in een vijver gooien zullen de rimpelingen zich verspreiden
en uiteindelijk worden getransformeerd in nieuwe vormen van energie.
Op vergelijkbare wijze heeft iedere gedachte of handeling ten goede
of ten kwade een effect op de omgeving, wat over een langere periode
ook anderen kan beïnvloeden. Daarom kunnen we onze handelingen
en gedachten niet scheiden van de rest van het heelal of hopen immuun
te zijn voor de gevolgen van hun handelingen. Theologische stelsels
van beloning en straf, zoals de hemel en de brandende hel van het christendom
zijn verdraaiingen van dit denkbeeld, want karma is geen stelsel van
bestraffing. Het is veeleer een onpersoonlijke wet waardoor de resultaten
die we scheppen uiteindelijk door onszelf in evenwicht worden gebracht.
Het derde juweel is dat van de hiërarchieën,
wat inhoudt dat er niet alleen geen afgescheidenheid in het heelal bestaat,
maar dat geen enkel deel van de werkelijkheid immuun is voor de invloeden
uit de omgeving. Alle niveaus van de werkelijkheid waarop we ons ontwikkelen
zijn met elkaar vermengd. Het idee van hiërarchieën suggereert
dat er ontelbaar veel niveaus van bestaan zijn binnen de grote opmars
van de evolutie. Op ieder niveau bevinden zich bewustzijnen die richting
en leiding geven aan de bijna ontelbare wezens die leven op de verschillende
niveaus van het universum. Zoals G. De Purucker schrijft:
Het heelal bestaat uit belichaamde bewustzijnen;
en deze belichaamde bewustzijnen komen voor in een praktisch oneindige
verscheidenheid van graden van volmaaktheid – een ware levensladder
. . . die zich in beide richtingen eindeloos uitstrekt, want onze
verbeelding kan zich geen andere dan een hiërarchische begrenzing
voorstellen; en een dergelijke hiërarchische begrenzing is slechts
van ruimtelijke en niet van werkelijke kwalitatieve en formele aard.
Deze levensladder vertoont bij wijze van spreken op bepaalde afstanden
platformen, die door theosofen de verschillende gebieden van zijn
worden genoemd – de verschillende sferen van bewustzijn, om
de gedachte op een andere manier uit te drukken. –
Occulte
woordentolk, blz. 95-6
Hiërarchieën kunnen ook worden opgevat volgens de leer van
de elkaar doordringende bestaansvormen. Zoals de stoïcijnen zeiden:
‘Alles bestaat in al het andere.’
Svabhava, de essentiële aard van ieder wezen,
betekent in het Sanskriet ‘worden’, ‘tot iets worden’,
of ‘zelf-wording’. Het houdt in dat ieder wezen uitdrukking
geeft aan zijn essentiële aard door middel van lichamen die geschikt
zijn voor ieder stadium van zijn geestelijke evolutie. Het fundamentele,
onsterfelijke zelf zendt stralen de materiële werelden in en gebruikt
geschikte voertuigen om uitdrukking te geven aan zijn innerlijke natuur,
ongeveer zoals de zon stralen uitzendt in de omringende duisternis van
het zonnestelsel en de verschillende planeten in zijn rijk voedt. Zoals
G. De Purucker schrijft:
Svabhava heeft twee
algemene filosofische betekenissen: ten eerste, zelf-verwekking, zelf-voortbrenging,
zelf-wording, waarbij de algemene gedachte is dat er in de natuur
geen zuiver mechanische of zielloze activiteit bestaat die ons tot
aanzijn brengt, want wij brachten onszelf voort, in en door
de natuur, waarin we deel uitmaken van de bewuste krachten, en daarom
zijn we onze eigen kinderen. De tweede betekenis is dat iedere bestaande
entiteit het resultaat is van wat ze in haar eigen hogere natuur geestelijk
werkelijk is; ze brengt datgene voort wat ze zelf innerlijk
is en niets anders. . . .
Waardoor brengt een roos altijd een
roos voort en geen distels of madeliefjes of viooltjes? . . . Het
komt door haar svabhava, de essentiële natuur in en van het zaad.
. . . Kortom, svabhava kan de wezenlijke individualiteit van iedere
monade worden genoemd, die haar eigen kenmerken, kwaliteiten en type
tot uitdrukking brengt door zelfgeleide evolutie. –
Occulte
Woordentolk, blz. 175-6
Het is duidelijk dat de zeven juwelen met elkaar samenhangen en op
elkaar bouwen. Maar wat is het nut van deze ingewikkelde ideeën
en waarom is er zoveel strijd in de natuur? Het volgende juweel, evolutie
suggereert dat er een eindeloze ontwikkeling is voor ieder aspect van
het universum en van onszelf. In de theosofie betekent dit dat alles
een nog niet verwezenlijkt potentieel heeft en dat groei van binnenuit
komt. Dit leren is niet een proces van het toevoegen van kwaliteiten
maar van het verwijderen van barrières die verhinderen dat eigenschappen
die al in ons bestaan tot uitdrukking kunnen komen. Zoals Lao-tzu het
graag formuleerde: ‘Hoe meer men weet, hoe meer men kwijt moet
zien te raken.’
De essentiële kenmerken of de svabhava van een individu te ontwikkelen
betekent ze in manifestatie tot werkelijkheid te brengen. De natuur
is het terrein van handelen waar en waarin deze inherente kwaliteiten
werken en de overeenkomstige reactie ontvangen, wat de aansporing is
tot verdere manifestatie van de kant van de evoluerende entiteit. Onze
innerlijke natuur gebruikt uiterlijke voertuigen om te leren, in begrip
te groeien door geleidelijk meer complexe lichamen te ontwikkelen die
de inherente kwaliteiten in steeds grotere mate tot uitdrukking kunnen
brengen. Ooit in een ver verleden hebben we ons gemanifesteerd als mineralen,
vervolgens in het plantenrijk, toen in het dierenrijk, nu als mensen
en in de toekomst als wat wij [nu] als goden zouden beschouwen.
De twee paden: Hoewel het boeddhaschap ver weg ligt
voorbij de bergen van geestelijke verworvenheden, verwijst dit juweel
naar de kwaliteit van onze dagelijkse geestelijke inspanningen en is
daarom relevant voor ons huidige leven. Eenvoudig gezegd, het vraagt:
verrichten we onze geestelijke inspanningen voornamelijk ter wille van
onze eigen spirituele vooruitgang, of is ons voornaamste doel anderen
te dienen zonder zich al te zeer te bekommeren om ons eigen stadium
van vooruitgang? Theosofie propageert om veeleer het pad van mededogen
te volgen dan zich te concentreren op individueel resultaat of ontsnapping
aan de benarde toestand waarin onze medemensen in deze wereld vol lijden
zich bevinden. De keuze is ieder moment aan ons – en betreft niet
alleen de richting die we aan onze geestelijke studies geven.
Het pad voor zichzelf is wel beschreven als een pad van ‘zuivere
verstandelijkheid en zelfzucht dat uiteindelijk leidt tot geestelijke
verstikking en verduistering’. Als dat het geval is, dan hebben
we misschien wel nooit een gemakkelijker keuze hoeven maken dan deze!
Toch vinden egocentrische zoekers uiteindelijk de gelukzaligheid van
nirvana waar ze zich zó lang met al hun krachten op hebben gericht.
Daarin, zo wordt gezegd, zullen ze eonenlang verblijven terwijl de overgrote
meerderheid van de mensheid geleidelijk het stadium van hun geestelijke
ontwikkeling bereikt. Zoals geestelijke leraren ons herhaaldelijk hebben
verteld, kunnen we niet aan de broederschap van de mensheid ontkomen
– of we willen of niet, we zijn allemaal deel van één
entiteit en zijn zelfs op het hoge niveau van het boeddhaschap innig
met elkaar verbonden!
Met het zevende of laatste juweel, atma-vidya of kennis
van het zelf, krijgt het begrip ‘zelf’ een nieuwe
dimensie. We moeten onze definitie van wie we zijn nu misschien uitbreiden
door begrippen en gangbare opvattingen los te laten in plaats van eraan
vast te houden. In zijn commentaar op de beperkingen van het zelf zei
Gautama Boeddha: ‘Sluier na sluier zal worden opgetild, maar toch
zal daarachter sluier na sluier worden gevonden.’ We zijn al oneindig,
en zullen tenslotte zelfbewust de hele werkelijkheid omvatten. Onszelf
van het universum afsluiten is iets waar we erg goed in zijn, en daarom
worden broederschap (of mensenschap), mededogen en ethiek in de theosofie
als fundamenteel beschouwd. Omdat er in het heelal geen wezens zijn
die niet met de anderen in relatie staan, betekent het schaden van anderen
dat we onszelf schaden. Als we harmonisch handelen en denken op basis
van universele beginselen dan houdt dat in dat we een sterker, bewuster
deel van het universum zijn. Atma-vidya betreft ook ‘hoe het Ene
het vele wordt’.
De zeven juwelen van wijsheid zijn één poging om de elementen
van de werkelijkheid te presenteren op een manier die het voor ons mogelijk
maakt het universum en de werkingen ervan beter te begrijpen. Als we
zwemmen zijn we ons zeer bewust van wat zich boven het water bevindt
– voor ons is dat de werkelijkheid – maar onder het wateroppervlak
bevindt zich een andere werkelijkheid die ons steun geeft, een oceaan
van ander-zijn. We kunnen doorzwemmen zonder ons dat bewust te zijn,
tot we nieuwsgierig worden naar wat zich onder de oppervlakte bevindt.
Totdat we die beslissing nemen, zijn we ons slechts half bewust van
wat we werkelijk zijn boven en onder de oppervlakte van verschijnselen.