Theosofie en wetenschap
Rudi Jansma

 

De wetenschap presenteert zich als de leidende kracht binnen het menselijk denken. De opvattingen van onze moderne cultuur over de samenstelling, oorsprong en toekomst van de kosmos; de visie die we hebben op de evolutie van de mens en de natuur; beslissingen die we moeten nemen over kwesties van leven en dood, en wat leven en dood werkelijk zijn; en inzichten in het psychische, sociale, politieke en materiële welzijn van de mens – al deze dingen zijn gebaseerd op onze wetenschappelijke onderzoekingen en uitgangspunten. De wetenschap en haar beoefenaars, de wetenschappers, dragen daarom een enorme verantwoordelijkheid.

De studie van oude en moderne religie, wetenschap en filosofie onthult ons de essentiële eenheid van de menselijke geest, en toont aan dat onze huidige cultuur zich niet alleen hoeft te baseren op de verworvenheden van de westerse cultuur van de laatste paar eeuwen, maar kan staan op de schouders van alle culturen die de wereld kent en heeft gekend, zowel oude als moderne. Zo’n studie laat ook zien dat de wetenschap wel degelijk spiritueel van aard kan zijn en het één-zijn van al wat leeft in de natuur als feit kan aantonen – wat de basis is voor een ethiek van universele broederschap. De wetenschap – de waarneming en interpretatie van natuurlijke feiten – wordt dan de grote ondersteuner van de hogere doelen van de menselijke ontwikkeling, zoals dat ook in meer geestelijk gerichte culturen het geval is geweest. Tegen deze achtergrond gezien, kan de wetenschap het niet stellen zonder een onwankelbare trouw aan de waarheid, een filosofie over het één-zijn van alle dingen, en toewijding aan het welzijn van allen.

Als we de meer vooruitstrevende en moedige pogingen van sommige filosofisch geïnspireerde wetenschappers van de laatste tientallen jaren nader beschouwen, zien we langzaam een bewustzijn ontwaken dat er misschien iets meer is in het universum dan een louter materialistische en mechanistische natuur. We horen over ‘immateriële’ morfogenetische velden, over een aarde die als een levende moeder kan worden beschouwd, over het heelal als een levend wezen, over heelheid en holistische benaderingswijzen in de gezondheidswetenschappen. Niettemin zijn we tot nog toe niet getuige geweest van een volledige doorbraak naar begrip van de onafscheidbaarheid van alle aspecten van de manifestatie van de natuur: van fysieke materie, velden, leven, energie, denkvermogen, intelligentie en krachten in de natuur; van sterren en mensen, van goden en bescheidener wezens. Dit komt grotendeels doordat de pogingen van de meerderheid van de onderzoekers en denkers niet worden gebaseerd op het universele raamwerk van onvergankelijke wijsheid van de mensheid zoals dat door de Ouden wordt verschaft.

H.P. Blavatsky besteedt in De Geheime Leer en op andere plaatsen veel aandacht aan het bespreken van onderwerpen uit de wetenschap. Ook ontving zij persoonlijk veel in die tijd prominente geleerden uit een breed scala van disciplines die naar haar toe kwamen om haar te raadplegen. Ze bestormde de burchten van het materialisme en legde, hoewel dat voor de wereld bijna onzichtbaar was, de basis voor een meer spirituele evolutierichting van de wetenschap in de komende eeuwen. Ze was vaak aanvallend in haar toon want haar taak was het oude te vernietigen opdat het nieuwe kon worden geboren. Meer dan een eeuw later is het onze taak het nieuwe kind te helpen bij zijn geboorte en de basis te leggen voor een gezonde groei tot volwassenheid. Theosofische commentatoren in de 19de en 20ste eeuw verwezen, hoewel ze reageerden op de wetenschappelijke impulsen van hun tijd, steeds naar universele thema’s die nu even actueel zijn als toen, en we hebben de volle betekenis van hun woorden nog lang niet doorgrond. Ongetwijfeld bevatten hun werken een bijna onuitputtelijke bron van geestelijke rijkdommen, want er is nauwelijks een onderwerp dat voor wetenschap, filosofie, religie of menselijk welzijn van belang is waarnaar niet wordt verwezen.

Het is van grote waarde de wetenschap te beschouwen vanuit het perspectief van de filosofie en de diepzinnige niet-westerse kennis die we tegenwoordig tot onze beschikking hebben. We kunnen bijvoorbeeld de hypothese van de morfogenetische velden die door bioloog en wetenschapshistoricus Rupert Sheldrake sterk is gepropageerd beschouwen. Hij stelt dat er velden bestaan die zijn te vergelijken met gravitatie- en magnetische velden die van niet-materiële aard zijn, maar die niettemin invloed uitoefenen op de fysieke materie. Ze definiëren de vorm die zich in potentie kan manifesteren in de rangschikking van moleculen die het fysieke lichaam van planten, dieren, mineralen en zelfs astronomische structuren opbouwen, en op kleinere schaal in de inwendige structuren van atomen, enz. Deze velden zouden verantwoordelijk zijn voor of een beschrijving geven van het ontstaan van de karakteristieke vorm van embryo’s en andere zich ontwikkelende systemen. In boeken als De nieuwe levenswetenschap en The Presence of the Past [De tegenwoordigheid van het verleden] werkt Sheldrake zijn ideeën in detail uit en verklaart vanuit die ideeën de processen van regulatie en regeneratie. Hij stelt ook dat ‘morfogenetische velden een causale rol spelen in de ontwikkeling en instandhouding van vormen binnen systemen op alle niveaus van complexiteit’. Door middel van ‘morfische resonantie’ kunnen verworven eigenschappen worden overgedragen aan andere morfogenetische velden onafhankelijk van (ons huidige begrip van) ruimte en tijd, en worden ze patronen of gewoonten. Aldus schrijdt de evolutie voort door middel van een leerproces. De velden geven uiteindelijk ook een verklaring voor beweging, psychologische tendensen, gedrag, gewoonten, enz. Hij stelt echter dat niets kan worden gezegd over de oorsprong van het gemanifesteerde universum en over hoe de eerste vormen zijn ontstaan, waaruit andere zijn geëvolueerd door te leren en door overdracht via morfische resonantie.

Sommige aspecten van zijn ideeën doen denken aan wat in de theosofie bekendstaat als het liṇgaśarīra of astrale modellichaam. Andere aspecten doen ons denken aan het astrale licht of ākāśa dat de eigenschap heeft om een optekening vast te leggen van alles wat ooit heeft bestaan, waaronder modellen of astrale matrijzen voor toekomstig gebruik. Maar het zou al te oppervlakkig zijn om onmiddellijk te concluderen dat Sheldrake daarmee de wetenschap in belangrijke mate in een meer spirituele richting stuurt. Voordat we zoiets kunnen beweren, moeten we zijn werk in detail bestuderen en ons goed vertrouwd maken met de oude leringen over het astrale licht, het astrale of etherische lichaam, ākāśa, geheugen, en de manifestatie van geestelijke krachten door en in de materie.

Volgens mij zitten er, ondanks zijn intelligente pogingen en intuïtieve inzichten, vooronderstellingen in Sheldrake’s theorieën die niet helemaal overeen lijken te komen met het gezichtspunt van de oude wijsheid. Een van de punten waar Sheldrake mee worstelt is hoe zijn velden voor het eerst zijn ontstaan. Hij geeft niets aan over het innerlijke wezen van een plant, een dier, een atoom, of wat dan ook dat achter de fysieke materie staat en zich op dit bestaansgebied via de materie manifesteert. Vanuit het gezichtspunt dat er subtielere substanties bestaan dan fysieke materie, is het veld niet af te leiden van een materiële ‘kiem’ zoals Sheldrake stelt, maar bestaat het onafhankelijk van de fysieke materie. De materiële vorm is een neerslag van materiële deeltjes naar en op dit model. Het valt zelfs te betwijfelen of het juist is om een morfogenetisch veld te vergelijken met een gravitatieveld. Gravitatievelden zijn, zo lijkt het mij, manifestaties van het leven door – niet van – fysieke materie, in een vorm van manifestatie die onverbrekelijk is verbonden met materie. Maar vormvelden (of, beter gezegd, astrale of etherische modellen) met al hun gedetailleerde complexiteit, plooibaarheid en schoonheid, die ongetwijfeld worden beïnvloed door vormgevende intelligentie, kunnen zelfs gescheiden van de fysieke materie bestaan. Dit wordt ook aangegeven in het veronderstelde feit dat informatie die wordt vergaard in een morfogenetisch veld op de ene plaats op aarde kennelijk kan worden overgedragen aan een andere plaats in zo’n veld, en dan zaken kan beïnvloeden zoals de groeisnelheid van kristallen of het gedrag van vogels of apen. Wellicht zou het beter zijn van het woord ‘veld’ in deze zin helemaal af te zien en het te vervangen door een term als ‘morfogenetisch etherisch model’.

Men zou wel een reeks artikelen kunnen schrijven enkel om Sheldrake’s theorieën te analyseren. Naar mijn gevoel geven veel wetenschappers – en de westerse maatschappij als geheel, vooral de jongere generatie – blijk van een intuïtie die hen boven het absolute materialisme doen uitstijgen, maar is er nog lang geen sprake van een doorbraak die leidt tot de vereniging van de westerse met de universele geestelijke wetenschap. Dit stadium dient in komende tijden te worden bereikt.

Deze schets gaat over een bepaald biologisch onderwerp; iets dergelijks zou kunnen worden gedaan, en veel uitgebreider, door degenen die verstand hebben van natuurkunde, evolutietheorie, scheikunde, biochemie, astronomie, hersenonderzoek, het onderwerp ‘leven in het heelal’, psychologie, en ook mythologie, archeologie en antropologie. Er zijn zoveel interessante vraagstukken die kunnen worden besproken, waarvan er veel van fundamenteel belang zijn voor de hedendaagse wetenschap, zoals de tweede wet van de thermodynamica. Deze wet stelt dat een gesloten systeem in de natuur altijd streeft naar de grootst mogelijke entropie of de laagste energietoestand. Hoewel deze wet inderdaad lijkt te gelden waar het alleen gaat om fysieke materie, lijkt het leven zelf de draak te steken met de thermodynamica: men zou zich nauwelijks een structuur kunnen voorstellen die verder afstaat van deze situatie dan een boom met zijn lange dunne hoog oprijzende stam met daarop een zware kroon. Bovendien bestaan er geen gesloten systemen in de natuur. Zou het niet beter zijn een theorie te hebben die alle manifestaties van de natuur omvat, en niet alleen haar inertie. Het zou interessant zijn om in dit verband de drie-eenheid van de hindoes te onderzoeken: energie, inertie en evenwicht. Andere vragen die men kan stellen: Is de opvatting van Einstein over een gekromde ruimte zinvol? Is licht inderdaad dualistisch in zijn manifestatie als deeltje en als golf? Is de lege ruimte leeg? Wat is kracht, en energie? Al zulke vragen zijn uitgebreid besproken in theosofische en oude literatuur, zij het niet altijd in termen die we tegenwoordig onmiddellijk zouden herkennen.

Nog een bekend voorbeeld uit de biologie. James Lovelock heeft een theorie voorgesteld die bekend is geworden onder de naam Gaia-hypothese – het idee dat de aarde een zelforganiserend en organisme-achtig wezen is. Er was maar een kleine stap voor nodig – waartegen hij zich niet verzette – om te spreken van Moeder Aarde als een levend wezen. Hij ontdekte dat zulke constanten als temperatuur, zuurstof- koolzuur- en ozongehalte van de lucht in feite werden gereguleerd door micro-organismen in de oceanen, moerassen, op continenten, enz. Men kan echter niet verwachten dat die micro-organismen zelfbewust het bredere perspectief van dienstbaarheid aan de aarde als geheel bezitten. Maar we kunnen ons wel afvragen: is de aarde zelf in feite een levend organisme? Heeft zij een eigen intelligentie, of worden processen geleid door ‘iets’ dat een overzicht heeft van de processen van de aarde? Lovelock en anderen haastten zich om te verklaren dat hun ideeën volledig overeenstemmen met het darwinisme. Maar is dat wel zo?

Het is moeilijk uit te maken of iets een levend organisme is als we geen duidelijk beeld hebben van wat leven is. Veel niet-westerse tradities zullen mineralen waaruit de aarde en ons lichaam zijn opgebouwd tot het leven rekenen. Nog een vraag over ons aardse bestaan: Leven wij en de planten en dieren op de aarde, of maken we deel uit van de aarde? Is de aarde een levend organisme, maar Mars of Venus niet? Al deze vragen zijn zowel in recente als oudere theosofische literatuur besproken. Alles wat is verbonden met de aarde, zichtbaar en onzichtbaar – de goddelijke en de elementale menigten wezens, de onzichtbare aspecten van onze aarde als een levend wezen, de cyclisch rondtrekkende levensrijken, de verschillende kosmische bestaansgebieden en hun bewoners, de vitale stroom van het zonnestelsel die door de zon en de zichtbare en onzichtbare planeten heengaan – is ongetwijfeld erg complex. Maar is er enig levend wezen in het universum dat niet complex is?

Voordat we de vraag of de aarde een levend organisme is, en wat dat betekent, kunnen beantwoorden, moeten we diverse onderwerpen die daarmee samenhangen in voldoende detail bestuderen. Op dit moment gaat het beschouwen van de aarde als een levend organisme voor de meeste wetenschappers te ver om het te kunnen vatten en te accepteren, maar misschien kunnen wij als studenten van de oude en onvergankelijke wijsheid dit idee filosofisch in een bredere context plaatsen, om op die manier enige hoop te verschaffen aan degenen die in hun hart al aanvoelen dat er grotere waarheden bestaan. We kunnen wijzen op de boeddhistische wijsheid dat er geen afgescheidenheid bestaat en dat er dus niets bestaat dat niet de aard van alle andere dingen in zich heeft. Dat betekent dat als wij als mensen in ons wezen behalve een fysiek beginsel een levensbeginsel of -kracht hebben, een intelligentie, verlangen, en de mogelijkheid om één te worden met het goddelijke, dat ook zo moet zijn voor alle andere dingen in het universum, waaronder Moeder Aarde. Als er stromen van vitaliteit door de cellen van ons lichaam vloeien, dan moet dat ook gelden voor de aarde, het zonnestelsel of de uiterst kleine wereld van het atoom. Natuurlijk heeft iedere entiteit binnen de oneindigheid haar eigen plaats, evolutiestadium, bewustzijnsgraad en ingeboren karakteristieken, en hoewel alle in essentie identiek zijn, zijn geen twee wezens in het heelal identiek in hun uitdrukkingswijze.

In iedere wetenschap doen serieuze denkers pogingen de meer universele waarheden binnen hun specifieke aandachtsveld te begrijpen. Ieder van ons heeft een verantwoordelijkheid om de huidige discussie over en het begrip van de fundamentele waarheden van de natuur te verdiepen en te verruimen door na te denken over de betekenis van onze eigen interessegebieden. Te vaak bestaat er een taal- en begripskloof tussen wetenschap en andere disciplines. Om deze te overbruggen is het nodig de feiten en theorieën van de moderne wetenschappen in een context van universele tradities – zowel religieuze, filosofische als wetenschappelijke – te beschouwen, en de wezenlijke resultaten van onze studie en verworven inzichten in ons hart en denken op te slaan. We moeten steeds vermijden oppervlakkig, vaag of bevooroordeeld te zijn. Dit te bereiken vereist zelfverbetering door in stilte te studeren en onze idealen en overtuigingen in praktijk te brengen. De andere kant van de taak die we volgens mij hebben, is om de wereld actief te helpen waar we maar kunnen, in praktische, filosofische en wetenschappelijke zin. Zo’n gezamenlijk streven is een werkelijke bijdrage aan de evolutie en het welzijn van de mensheid.

 
Andere artikelen over: Wetenschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency