Whitman, die het grenzeloze potentieel in de mens en in het universum
zag, staat kritisch tegenover de georganiseerde religies met hun theologieën
die aan denkbeelden dwingend beperkingen opleggen. Hij beschrijft zichzelf
als iemand die ‘van begin af aan met de oude behoedzame broodschrijvers
heeft afgerekend’,
Ik neem precies dezelfde dimensies aan als Jehovah,
. . . . . .
Ik neem ze allemaal voor wat ze waard zijn, en voor geen cent meer;
. . . . . .
Ik aanvaard de ruwe goddelijke schetsen om die in mezelf beter in te
vullen – om die vrijelijk toe te kennen aan iedere man of vrouw
die ik zie . . . – 1025-33
In plaats van God te maken tot de afgescheiden Andere, ziet hij het
goddelijke in alle dingen, en zegt:
Ik zie elk van de 24 uur iets van God, en wel elk
ogenblik;
In de gezichten van mannen en vrouwen zie ik God, en in mijn eigen
gezicht in de spiegel;
Ik vind brieven van God, neergevallen op straat – en elk ervan
is ondertekend met Gods naam,
En ik laat ze liggen waar ze zijn, want ik weet dat waarheen ik ook
ga,
Er andere punctueel zullen komen, steeds maar weer. –
1281-85
Whitman richt de aandacht op de goddelijkheid van de mens, en zingt:
‘Goddelijk ben ik vanbinnen en vanbuiten, en ik maak heilig wat
ik ook aanraak of waardoor ik ben aangeraakt’ (520). Al eerder
had Emerson beweerd dat de goddelijkheid van Jezus eenvoudig een vollediger
erkenning was van de goddelijkheid in alle mensen – op zichzelf
een gedurfde bewering voor een eminente denker aan het begin van 19de
eeuw. Maar in zijn meer conventionele benadering pleit Emerson voor
gezond verstand en een collectieve spiritualiteit waarin de verlichten
het grote publiek leiden naar begrip en een deugdzaam leven. In overeenstemming
hiermee is hij van mening dat de Sabbath en de prediking de twee grote
voordelen van het christendom zijn, die mensen de gelegenheid bieden
samen te komen en te luisteren naar het verkondigen van waarheden. In
tegenstelling daarmee staat Whitman achter individuele ervaring en het
onuitsprekelijke: ‘Ik ken het niet – het heeft geen naam
– het is een onuitgesproken woord; / Het staat in geen enkel woordenboek,
er kan geen uitdrukking aan worden gegeven, er is geen symbool voor’
(1309-10). Hij merkt op dat ‘logica en preken nooit overtuigen’
(650) en vindt ‘een rookspiraal, of een haar op de rug van mijn
hand, even bijzonder als elke openbaring’ (1036).
Beide denkers verheffen hun stem tegen de te grote verering van de traditie,
maar terwijl Emerson nieuw leven wilde blazen in ‘al bestaande
vormen’ beweegt de spiritualiteit die te vinden is in ‘Song
of Myself’ zich totaal buiten het christendom en de geïnstitutionaliseerde
religie. Zo behoudt Emerson de tweedelingen van het christendom –
goed en kwaad, deugd en ondeugd – en zegt: ‘Het goede is
positief. Het kwaad is alleen maar een ontkenning, niet absoluut . .
. Alle kwaad betekent in zoverre dood of een niet-entiteit’. Zelf
geeft hij zich over aan de deugd en verkondigt: ‘‘Deugd,
ik ben de uwe, red mij, gebruik mij; u zal ik dienen, dag en nacht,
in het grote en in het kleine, opdat ik niet deugdzaam ben, maar deugd’;
– dan wordt het doel van de schepping vervuld, en is God zeer
tevreden.’ Whitman verzet zich echter tegen elke poging om onderscheid
te maken tussen de verschillende ervaringen – goed of kwaad –
en zegt:
Ik ben niet alleen de dichter van het goede –
ik weiger niet om ook de dichter van het slechte te zijn.
. . . . . .
Wat is dit voor gedaas over deugd en ondeugd?
Het kwaad stimuleert me, en het herstellen van het kwaad stimuleert
me – ik ben neutraal . . . – 457-60
Met het verwerpen van de christelijke theologie die de geest prijst
en het lichaam kleineert, verklaart Whitman dat hij de dichter is van
zowel het lichaam als van de ziel, waarbij geen van beide de mindere
is van de andere. Hij gaat nog verder dan deze verwerping en draait
de traditionele christelijke opvatting om: ‘Als ik het ene meer
moet vereren dan het andere, dan is het mijn eigen lichaam zoals dat
zich uitstrekt, of een deel ervan’ (523). Whitman schept genoegen
in het menselijk lichaam – dat van hemzelf en dat van anderen
– in plaats van het te zien als een bezoedeld gewicht dat de ziel
naar de hel trekt, iets wat ontkend en gestraft moet worden. Zo zingt
hij bijvoorbeeld: ‘De geur van de oksels, aroma fijner dan gebed;
/ Dit hoofd beter dan kerken, bijbels, en alle geloofsovertuigingen’
(521-22).
In zijn onderzoek naar de dood blijft Whitman zijn aandacht richten
op de fysieke kant van de mens. Eén aspect van onsterfelijkheid
dat hij beschouwt, is verbonden met de stof van het lichaam –
atomen en moleculen – die volgens hem bij de dood niet wordt vernietigd,
maar slechts overgaat in andere vormen. De dood is niet het einde, het
is een ander stadium van leven, wat hij illustreert aan de hand van
frappante voorbeelden uit de biologie (118-19):
De kleinste knoppen laten zien dat er in feite geen
dood is;
En als die er ooit was, leidde ze het leven verder, en wacht niet
aan het einde om het stil te zetten,
Omdat het lijk ‘goede mest’ is (1291) – laat Whitman
aan het eind van het gedicht zichzelf na aan de modder die voortkomt
uit het gras dat hij liefheeft. Het leven is het ‘overschot van
vele sterfgevallen; / (Ongetwijfeld ben ik zelf al 10.000 keer gestorven)’
(1294-95). Evenals het ‘spookachtige schijnsel van de maan worden
de zonnestralen op het middaguur weerkaatst’ (1304), dus is de
dood eenvoudig een ander aspect van het leven – in tegenspraak
met nóg een christelijk dogma, waarin de dood tegenover het leven
wordt gesteld als iets dat door eeuwige verlossing moet worden overwonnen.
Zoals de fysieke stof van het lichaam na de dood blijft bestaan, zo
ziet Whitman een onsterfelijkheid voor de ziel, waarvan hij zegt dat
die in het verleden altijd heeft bestaan en in de toekomst altijd zal
bestaan. ‘Heel diep beneden zie ik het reusachtige eerste Niets
– ik weet dat ik zelfs daar was’ (1150). En
Ik weet dat ik onsterfelijk ben;
Ik weet dat mijn weg niet door de passer van een timmerman kan worden
beschreven . . . – 399-400
Hij neemt de implicatie van eeuwigheid serieus – ‘de uitgestrektheid
van de tijd’ – en houdt zich dus niet bezig met zijnskwesties
zoals hoe het Zijn voortkwam uit Niet-Zijn:
De klok geeft het moment aan, maar wat geeft de eeuwigheid
aan?
Tot nu toe hebben we triljoenen winters en zomers doorlopen;
Triljoenen liggen er vóór ons en triljoenen daarna.
– 1134-36
Hij stelt zich een grenzeloos universum voor:
Hoe ver je ook kijkt, daarbuiten is eindeloze ruimte;
Tel zoveel je wilt, er is grenzeloze tijd omheen. –
1193-94
En hij ziet in dat er in een werkelijk oneindig tijdsverloop geen begin
of einde is:
Ik hoorde waar praters over aan het praten waren,
het gepraat over het begin en het eind;
Maar ik praat niet over het begin of het eind. –
30-31
Whitman verwerpt de beperkte tijdruimte van het christendom –
te beginnen met de Schepping en afgesloten door een Dag van het Laatste
Oordeel die voert naar een eeuwig statisch leven na de dood –
ten gunste van een visie die zowel een stoffelijke als een spirituele
evolutie omvat, een eindeloos proces dat zich uitstrekt over de brede
horizon van geologische en kosmische tijd.
De betekenis van evolutie in ‘Song of Myself’ houdt ook
universele vooruitgang in. Whitman maakt gebruik van zijn kennis van
geologie en pre-darwinistische theorieën over evolutie om dit proces
te beschrijven:
Vóór ik uit mijn moeder werd geboren
begeleidden hele generaties mij;
Mijn embryo is nooit inactief geweest – niets kon het bedekken.
Voor mij trok een nevelvlek zich samen tot een bol,
De lange trage lagen stapelden zich om mij te ondersteunen,
Weelderige begroeiing diende mij als voedsel,
Monsterlijke sauriërs voerden mij mee in hun muil en legden mij
voorzichtig neer.
– 1159-64
Hij beschouwt dit proces als onvermijdelijk, aangedreven door een beginsel
van onuitputtelijke voortbrenging, een beginsel waardoor vernietiging
en tegenslagen uiteindelijk geen betekenis hebben. Hij zegt dat
er geen onderbreking is, en nooit onderbreking kan
zijn;
Als ik, jij en de werelden en alles onder of op hun oppervlak, op
dit moment tot een bleek schijnsel werden teruggebracht, zou dat op
de lange duur geen verschil maken;
We zullen zeker weer opduiken waar we nu staan,
En even zeker evenzoveel verdergaan – en dan steeds verder.
– 1186-90
Onvermijdelijk maakt dit alles vergelijkingen op een cultureel niveau
zinloos –
De vriendelijke en meegaande wilde, Wie is hij?
Wacht hij op beschaving, of is hij dat stadium voorbij, en komt hij
deze te boven?
– 974-75
– en ook op individueel niveau:
Heb je de rest achter je gelaten? Ben je de President?
Het stelt niets voor – ze zullen nog verder dan dat punt komen,
iedereen, en nog verder gaan. – 425-26
Hij besluit dat ‘grootte slechts ontwikkeling is’ (424)
en voegt eraan toe:
Ik noem het ene niet groter en het andere kleiner;
Dat wat in zijn tijd past en op zijn plaats is, is gelijkwaardig aan
al het andere.
–1139-40
In tegenstelling tot de meedogenloze rivaliteit van de darwinistische
evolutie is het proces dat Whitman voor ogen heeft een van samenwerking
en harmonie:
Immens waren de voorbereidingen voor mij,
Trouw en welwillend de armen die mij hebben geholpen.
Cyclussen voerden mijn wieg mee, al roeiend en roeiend als opgewekte
schippers.
Om voor mij ruimte te maken weken de sterren in hun baan . . .
– 1154-57
En op een persoonlijk niveau wordt dit thema herhaald:
Als je moe wordt, geef mij je last, en laat de palm
van je hand op mijn heup rusten,
En na verloop van tijd zul je mij dezelfde dienst bewijzen;
Want nadat we op weg zijn gegaan, zullen we nooit meer stoppen.
– 1214-16
In plaats van beheerst te worden door toeval, ziet Whitman een groots
plan dat voert naar steeds verdergaande zelfontwikkeling, en hij zegt:
‘Het is geen chaos of dood – het is vorm, verbondenheid,
plan – het is eeuwig leven – het is GELUK’
(1315). Hij ziet geen eind aan dit proces, maar veeleer een altijd toenemende
geestelijke ontplooiing:
Vandaag beklom ik vóór de dageraad
een heuvel, en keek op naar de sterrenbezaaide hemel,
En ik zei tot mijn geest, Wanneer wij de ontvouwers van die hemellichamen
en de vreugde en kennis van alles daarin zijn geworden, zullen we
dan vervuld en voldaan zijn?
En mijn geest zei, Nee, we bereiken die hoogte slechts om dat
punt voorbij te gaan en daarna nog verder dan dat. –
1217-19
Ieder mens trekt rond op een ‘nooit eindigende reis’ (1199)
door de eeuwigheid, waarbij het gaat om het proces van onophoudelijke
groei, niet om het bereiken van een specifiek doel. Daarom stelt hij
dat
Er nooit méér een begin was dan er
nu is,
Noch méér jeugd of ouderdom dan er nu is;
En nooit zal er méér volmaking zijn dan er nu is . .
. – 32-34
Ieder mens is op elk moment waar hij hoort te zijn en verkeert in zijn
eigen stadium van ontwikkeling: ‘Ik besta zoals ik ben,’
concludeert hij, ‘dat is voldoende’ (406).
Zowel Emerson als Whitman voerden strijd om de pessimistische kijk op
de mensheid – zoals die in christelijke dogma’s is te vinden
– te vervangen door een nieuwe visie waarin de ingeboren goddelijkheid
en het grote potentieel van ieder mens wordt verdedigd; zoals Whitman
beweert: ‘We hebben meer dan genoeg van het wegduiken en kleineren’
(423). Maar in zijn ‘Toespraak tot de Theologische Faculteit’
waagt Whitman zich zelfs verder dan Emersons radicale poging om het
christendom te hervormen, en begeeft zich geheel en al buiten het christelijke
raamwerk. In ‘Song of Myself’ onderzoekt Whitman de relatie
tussen lichaam en ziel, de rol van de dood in het leven, en de aard
van spirituele ontwikkeling. Op elk gebied staat hij eenheid voor en
een rigoureuze democratische gelijkheid, en deze visie is vandaag nog
even fris, radicaal, en stimulerend als toen ze 150 jaar geleden voor
het eerst werd gepubliceerd.