Het bewustzijn dat wij zijn
Peter Kingsley*

 

*Vertaald uit Reality, blz. 510-3; © 2003 Peter Kingsley, met toestemming overgenomen. Meer over zijn werk is te vinden op www.peterkingsley.org.


Over de instructies die Empedocles [zijn leerling] Pausanias geeft, kan men één belangrijke opmerking maken, namelijk dat de dingen die hij hem zegt te doen, dingen zijn die wij zelf nooit doen.

Ze liggen in feite helemaal buiten onze ervaring.

Mensen kunnen een leven leiden dat voor iedere uiterlijke waarnemer het meest vervulde leven schijnt te zijn, zonder ook maar één keer in de toestand te zijn waarop Empedocles doelt. En dat komt omdat we ons hele leven in een diepe slaap doorbrengen, in een droomtoestand.

De eerste opdracht die hij Pausanias geeft is niet om waar te nemen, maar om waar te nemen dat hij waarneemt – dat wil zeggen het waarnemingsproces zelf gade te slaan. Met andere woorden, hij zegt hem niet alleen maar te kijken en te voelen of te horen, maar te kijken en te voelen terwijl hij zich volledig bewust is te kijken en te voelen; en te horen, in het besef dat hij aan het horen is.

En iedereen die dit in ernst begint te doen, zal zich ervan bewust worden dat wat doorgaat voor het gewone menselijke bestaan, niets anders is dan een droom.

Op dit moment vindt u het misschien gemakkelijk om gedurende een fractie van een seconde de voorwerpen vóór u op te merken, terwijl u ook opmerkt dat u ze waarneemt; om gedurende een zeer kort moment bewust te zijn van alle geluiden of van de stilte op de achtergrond. Het zal u waarschijnlijk zo gemakkelijk voorkomen dat u zult afdwalen, volkomen tevredengesteld omdat u weet dat hieraan voor u niets mysterieus is.

En dan bent u weer terug in de droom.

Deze bewustzijnstoestand is heel lastig omdat hij nooit verder reikt dan het huidige ogenblik. Empedocles wijst zijn leerling hierop, en reikt hem dit als een heel specifieke oefening aan, omdat het niet vanzelf gebeurt. Het is geen automatisme, maar duurt slechts zolang je je bewust blijft.

Zodra je wordt gefascineerd door iets wat je waarneemt, zal je neus je meenemen naar een schijnbaar uiterlijke wereld van zich steeds verder openbarende vormen en kleuren. Zodra je afdwaalt naar een of andere boeiende gedachte binnen in je hoofd, zit je daar met ogen die niet zien, aldoor starend in het niets, doof voor de lieflijke geluiden om je heen. En zo brengen wij ons leven door, stilletjes her- en derwaarts getrokken van de ene toestand naar de andere; altijd onbewust van onszelf, behalve misschien tijdens een kortstondig moment.

Voor Empedocles, en dat geldt ook voor Parmenides, is een van de opmerkelijkste feiten van het menselijk bestaan, dat de mensen zintuigwezens schijnen te zijn en toch hun zintuigen helemaal nooit gebruiken.

Ze worden door deze alleen maar gebruikt – door deze heen en weer gebeukt, naar alle kanten gesmeten. En het ergste van deze situatie is, dat we erin slagen te denken dat we alles kunnen zien – zoals een blinde die zo blind is dat hij denkt dat hij niet blind is.

Maar tot nu toe hebben we nog nauwelijks, zelfs maar oppervlakkig, aangeduid wat Empedocles met deze weinige woorden Pausanias opdraagt te doen.

Als hij hem zou instrueren niet alleen maar te kijken, maar zich tegelijkertijd ervan bewust te worden dat hij kijkt, dan was dat al belangrijk genoeg. Maar dat doet hij niet. Hij legt hem uit dat hij zich zowel bewust dient te zijn van wat hij ziet als van elk afzonderlijk ding dat hij hoort, aanraakt, proeft of voelt.

Niets mag daarbij over het hoofd worden gezien. Geen enkele voorkeur mag worden verleend aan het ene zintuig boven het andere. En dit allesomvattende bewustzijn dat geen keuzes maakt kan er alleen zijn op één bepaald moment: nu. Want als je nu iets mist, mis je alles. Dan ben je weer in slaap.

Zelfs als je nadenkt over wat je doet, betekent dit dat je dat bewustzijn verliest, want op het moment dat je denkt, ben je het moment van nu al voorbij.

Het eisen van een dergelijke volledige, aanhoudende aandacht is zo onredelijk, dat het alleen maar zinnig lijkt om wat Empedocles zegt af te zwakken; te wensen dat hij minder eist dan hij in feite doet.

Maar Empedocles is, op zijn zachtst gezegd, niet de meest redelijke leraar. En behalve dat de oefening die hij slechts heeft geschetst, veel zwaarder is dan ons afdwalende denkvermogen ooit aankan, is er nog dat andere vermogen, dat hij al met name heeft genoemd, dat op elk willekeurig moment volkomen op zijn taak is berekend – de wakkere alertheid, die van nature altijd aanwezig is, de zogeheten metis.

Er zijn weinig dingen die meer inspanning lijken te vereisen dan het proces om te wennen aan dit bewustzijn. Maar niets is moeitelozer dan het bewustzijn zelf. En wat in het begin zo onmogelijk leek, wordt na verloop van tijd gemakkelijker want, al is elk bewust moment slechts een bewustzijn op dat ene moment, metis is als een organisme dat in feite zichzelf voedt. Of zoals Empedocles in een enkele dichtregel uitlegt – die werd geciteerd door filosofen van latere datum die aanvoelden dat het iets moest betekenen, maar te druk waren met nadenken om te begrijpen wat:

Voor de mensen neemt metis toe in verhouding tot wat er in het nu is.

Deze uitspraak van hem ‘in verhouding tot wat er in het nu is’ kwam veel voor. Ze werd ook vaak gebruikt om te beschrijven hoe iemand zou handelen die bekend is met de finesses van kairos, met de kunst hoe doeltreffend te reageren op de noden van het ogenblik. En dat is natuurlijk wezenlijk voor metis.

Maar hier zijn we terug bij de kern van de traditie waartoe Empedocles, en ook Parmenides, behoorden.

Het genoeg metis ontwikkelen om waarlijk mens te worden, was voor hen beiden niet méér dan een schamel begin. Elke metis die een einde heeft als het schip in de haven aankomt, of wanneer een wagenrace is gewonnen, verdient die naam nauwelijks. Voor hen lag de waarde ervan niet erin om hen te helpen het menselijke leven ten volle te kunnen leven. Integendeel, de allesbeslissende waarde ervan was haar vermogen om hen geheel en al voorbij het menselijke bestaan te brengen.

Niets kan paradoxaler zijn dan de traditie waartoe zij beiden behoorden. Deze onderwees dat, om bevrijd te worden van illusie, wij niets anders hoeven te doen dan de illusie met heel ons hart te accepteren. Het enige wat we moeten doen om te ontdekken wat achter beweging ligt, is haar totaal te beleven.

En op precies dezelfde manier geldt: het enige wat we moeten doen om verder te reiken dan deze zintuiglijke wereld, is onze zintuigen volledig gebruiken. Want als we die instrumenten van metis ‘openzetten’, en alles met volle aandacht op dit moment waarnemen, betekent dit dat we de weg vrijmaken naar een wereld van stilte die geheel onbekend is aan ons rusteloze denken – en ons bewust worden van de gemeenschappelijke factor die alle zintuigen verbindt, bewegingloos, zonder kenmerken, zonder plaats of tijd, en die het bewustzijn is dat wij zijn.

 
Andere artikelen over Griekse filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency