De Zweedse lente is een prachtige tijd. De sneeuw smelt enorm snel;
het vrijgekomen water vormt kleine stroompjes en plotseling breekt zijn
inherente wil met kracht door alsof het alle weerstand overwint. Het
halfverhongerde vogeltje tsjilpt alsof het wil zeggen dat het verleden
wordt vergeten nu een nieuw seizoen nadert – de grote verscheidenheid
aan krachten en de onbedwingbaarheid van het leven die we waarnemen,
stimuleren ons tot gedachten en bespiegelingen van een hogere soort.
Toch gaat er veel tragiek schuil achter het vreugdevolle tapijt: zelfs
de lijster die bij mijn raam zo prachtig zingt, moet haar verdriet dragen
– ze is alleen.
Het verouderingsproces en de omstandigheden die iemand innerlijk
steeds eenzamer maken zijn voor mij de grootste tragedie. De laatste
jaren zijn bij de Zweedse Spoorwegen veel collega’s met pensioen
gegaan en hebben hun plek op de locomotief verlaten – mensen die
ik had leren kennen en waarvan ik was gaan houden. In bijna alle gevallen
zijn ze in een crisis terechtgekomen: hoewel ze het financieel goed
hebben, lijkt het alsof de kern van hun bestaan is weggenomen. Ze hebben
geen ‘thuis’ meer omdat ze niets hebben om zich voor in
te zetten. Bij de spoorwegen voelden ze een verbondenheid, iets betekenisvols,
en had hun leven een doel; bovendien kregen ze van de spanning op hun
werk op een of andere manier steeds nieuwe energie. Maar nu zijn ze
snel oud geworden, en sommigen van hen zijn eenvoudig weggekwijnd. Diegenen
echter die hobbies en belangstelling voor andere dingen hadden, hebben
hun vitaliteit behouden; ze hebben hun innerlijke energieën in
verschillende richtingen geleid, en genieten zo van hun pensioen.
De afgelopen jaren heb ik hierover veel nagedacht en ben tot de conclusie
gekomen dat de manier waarop iemand ouder wordt veel te maken heeft
met zijn vermogen om ervaringen op te doen en zich in te leven. Dat
deel van ons moet niet afgestompt raken, en ik denk dat het één
van de grootste uitdagingen is om het bewust actief te houden.
Het doel van hen die zich in hun werk volledig kunnen toeleggen op het
helpen van de mensheid is in zijn eenvoud subliem. Deze prachtige vorm
van dienstverlening werkt als een spirituele dynamo en schijnt een bijzondere
soort stuwkracht te bezitten. Maar ze veroorzaakt soms een gevoel van
melancholie omdat het leven van de meeste mensen is gevuld met de dagelijkse
routine van het volbrengen van kleine plichten. Misschien kan dit gevoel
worden vergeleken met de verdrietige gevoelens van gepensioneerden,
die gedurende een korte periode het voorrecht hadden om deel te nemen
aan een activiteit waarbij grote inzet en zelfs opoffering van hen werd
gevraagd, enkel om te eindigen als gepensioneerden. Maar misschien zijn
alle inspanningen achter de uiterlijke onvolkomenheden en de vriendelijke
en ontroerende uitwisselingen tussen mensen op zich een werk voor de
mensheid. Is het, gezien de enorme worsteling van mensen over de hele
wereld, niet vooral de aspiratie naar edelmoedige dingen die ons met
elkaar verenigt, die iedereen met elkaar verbindt? Er gebeurt beslist
iets op het gebied van de ziel wanneer een mens, waar hij ook is, probeert
zijn best te doen bij alles wat op zijn pad komt. We hoeven volgens
mij niet te denken dat we niet voor de mensheid werken wanneer we ons
werk doen, of dit nu op een locomotief is, op kantoor of waar onze plicht
ook ligt: het is misschien precies wat het leven van ons verlangt omdat
waar wij ons bevinden niet alleen van groot belang is voor
onszelf maar ook voor het geheel.
Als we dit diep vanbinnen voelen, worden we ons bewust van een enorme
bron van inspiratie die ondanks de moeilijke tijd waarin we leven, ons
een stille vreugde en een vertrouwen in de goedheid van het leven en
van mensen schenkt. Het is alsof we innerlijk worden gezuiverd, alsof
we tenminste even contact hebben met de sfeer van gedachten die in de
diepte van onze ziel verborgen liggen en die de werkelijke verantwoordelijkheid
dragen voor onze daden.