Licht uit het mystieke westen
Sarah Belle Dougherty

Boekbespreking: Reality, Peter Kingsley, The Golden Sufi Center, Inverness, CA, 2003; isbn 1890350095, 591 blz., paperback.

Tot wie kunnen we ons richten als het onverminderde rationalisme en materialisme van de moderne samenleving ons geen innerlijke voldoening geeft? In Reality (Werkelijkheid) verwijst Peter Kingsley ons naar de tijdloze mystieke traditie die ongezien aan de wortel van de westerse beschaving ligt. Dit boek met een gedurfde titel gaat over filosofie als een manier van leven en een manier om de werkelijkheid te ervaren die ons in staat stelt onze onsterfelijkheid te herwinnen. Een dergelijke benadering staat ver af van het intellectuele woordenspel en de analyse van argumenten die filosofie als studierichting tegenwoordig kenmerken. Hij richt de aandacht op de weinige overgebleven geschriften van Parmenides en Empedocles, Griekse leraren uit de 6de en 5de eeuw v.Chr. Kingsley onderzocht zorgvuldig hun teksten en maakt ons geleidelijk bekend met de sfeer en context van hun leringen; hij maakt hun inzichten ogenblikkelijk duidelijk door een beroep op onze intuïtie te doen.

De eerste helft van het boek richt zich voornamelijk op Parmenides, geboren in 515 v.Chr. in Zuid-Italië, die vaak de vader van het rationalisme en de grondlegger van de westerse logica wordt genoemd. Natuurlijk is het maar al te gemakkelijk om de oude denkers neerbuigend te beschouwen als slechts opstapjes naar het heden, ‘als een vreemd soort onontwikkelde intellectuelen; als gefascineerde kinderen in het grote ontwikkelingsproces van westerse ideeën, niet meer dan kinderen in het evolutieplan’. De auteur verzekert ons echter dat ‘ze geen kinderen zijn’ (blz. 253). Parmenides was bij lange na geen proto-wetenschapper of intellectuele theoreticus, maar een priester van Apollo en, overeenkomstig de gaven van die god, een profeet, genezer, dichter, wetgever en ingewijde. We beschouwen Apollo tegenwoordig als de god van licht, rede, genezing, en helderheid, maar in de oudheid was hij duisterder en ingewikkelder, en tevens de god van de middernachtzon in de onderwereld die bekendstond om zijn dubbelzinnige profetieën.

De centrale gedachte van de leringen van Parmenides is dat het nodig is een andere bewustzijnstoestand binnen te gaan als we onze onsterfelijkheid willen herwinnen. Zijn gedicht begint met een beschrijving van zijn mystieke reis:

De merries die me zover dragen als het verlangen kan reiken
reden verder, nadat ze waren gekomen om me te brengen naar
de legendarische weg van goddelijkheid die de wijze mens leidt
door het uitgestrekte en duistere onbekende. En ik werd verder gedragen
toen de merries, die wisten waarheen ze moesten gaan, me steeds verder voerden
en zich voor de wagen inspanden; en jonge vrouwen wezen de weg. . . .
dochters van de Zon die de Huizen van de Nacht hadden verlaten
voor het licht en die de sluiers van hun gezicht omhoog deden
met hun handen.

In de onderwereld ontmoet hij de godin van de dood, die hem zegt te luisteren naar haar woorden en dan met haar boodschap naar de mensenwereld terug te keren. Ze schetst drie paden: ten eerste het pad ‘dat is, en dat er onmogelijk niet kan zijn’, het pad van zijn. Het tweede pad ‘is niet, en is noodzakelijk niet-zijn’, en ‘het is onmogelijk dat pad te betreden’ van niet-zijn:

Dit is de eerste weg van onderzoek die ik u afraad.
Maar ik raad u ook de weg af die
stervelingen verzinnen, dubbelhartigen, die niets weten.
Want de hulpeloosheid in hun borst bepaalt de richting van hun
dwalende zielen terwijl ze verblind worden meegesleurd,
doof en blind tegelijkertijd: gewone,
alledaagse menigten die denken dat zijn en
niet-zijn hetzelfde zijn maar toch ook niet hetzelfde. En, voor
hen allen geldt dat de route die ze volgen een pad is dat steeds
terugkeert naar het begin.
Houd uw denken af van dit pad van onderzoek
En laat niet de macht der gewoonte u dwingen
uw blinde oog en weergalmende oor
en tong langs deze weg te leiden . . .

De godin beschrijft dat de mensen staan voor een tweesprong in de weg, niet in staat om voor- of achteruit te gaan, vertwijfeld, onwetend, verstrikt door onbewuste mentale gewoonten en hun zintuigen die weinig waarnemen. Het pad van wat is, is echter het enige ware pad: zonder geboorte of dood, onverdeeld en zonder beweging, bewegingloos en volmaakt. Deze werkelijkheid is geen filosofische stelling of een rationalistische entiteit, maar het Ene, Tat, de Wortelloze Wortel, het Al – voorbij grenzen en rationalisatie. Niet gescheiden van iets, is het al wat is, en de godin besluit met te zeggen dat

Zijn naam zal alles zijn –
iedere benaming die stervelingen hebben bedacht
in de overtuiging dat ze alle waar zijn: geboorte en dood,
bestaan, niet-bestaan, verandering van plaats, wijziging
van heldere kleur.

Om het pad van het zijn te gaan, moeten we allereerst beseffen dat onze huidige kennis en manier van denken ontoereikend zijn – dat we het niet weten.1 Onze gedachten over de werkelijkheid zijn misleidend en bedrieglijk, niet omdat de werkelijkheid ergens anders is maar omdat we niet in staat zijn haar om ons heen te zien.

   De moeilijkheid met de manier waarop intellectuelen Parmenides benaderen is altijd hun overtuiging geweest dat hij, bij het beschrijven van de werkelijkheid als bewegingloos en onveranderlijk en heel en één, over een andere wereld dan waarin wij leven sprak; over een andere werkelijkheid, een afzonderlijk bestaan.
   Maar voor hem is er geen andere werkelijkheid, en zou die er nooit kunnen zijn. Die werkelijkheid is deze.       – blz. 293

Parmenides

Voor Parmenides ‘is de illusie overal: zowel binnen als buiten. En toch is het enige waar het om gaat, dat de weg volledig wordt afgelegd totdat we, wat het ons ook heeft gekost, de bron ervan bereiken’ (blz. 276), de stilte en heelheid die aan alles ten grondslag ligt, waar ‘we al zijn en altijd zijn geweest’ (blz. 284). Dr. Kingsley beschrijft hoe Plato en daarna Aristoteles de leringen van Parmenides overnamen en ze van goddelijke instructies omzetten naar rationele argumenten. Daarmee heeft Plato,

de mensen iets prachtigs gegeven om mee te spelen. En al snel dachten de meeste mensen dat de waarheid in deze ideeën niet wordt verkregen door een of andere staat van bewustzijn binnen te gaan maar door na te denken. Zoals één geschiedschrijver zijn prestatie treffend omschreef was Plato een man die ‘op een schitterende manier deze ideeën uiteindelijk overbracht van het gebied van openbaring naar het gebied van het rationeel redeneren’.    – blz. 305-6

Dr. Kingsley beweert dat deze overheersende rationalistische trend zijn rol heeft gespeeld zodat

het niet langer genoeg is om te lezen wat Plato of anderen zeggen en erdoor te worden geïnspireerd, intellectueel te worden gestimuleerd, emotioneel te worden geraakt, te worden aangespoord door een verlangen naar werkelijkheid. De tijd voor al dat zoeken en worstelen is voorbij. De werkelijkheid is hier, midden in de illusie; en verlangde er al die tijd al naar om te worden herkend. Nu moeten we die werkelijkheid worden, er de verantwoordelijkheid voor op ons nemen, en deze weer werkelijk maken.    – blz. 306

De tweede helft van het boek Reality richt de aandacht op Empedocles (492 - ca. 424 v.Chr.), nog iemand in de lijn van Zuid-Italiaanse leraren. Hij was een dichter, wetgever, genezer, tovenaar, ingewijde, en profeet die we classificeren als een filosoof en een van de grondleggers van de westerse wetenschap. In zijn esoterische kosmologie werken Liefde en Strijd in op de vier elementen en op de onsterfelijke zielen om elkaar afwisselende cyclussen voort te brengen, eerst van belichaming en eenheid waarin wezens verstrikt zijn door Liefde, en dan van scheiding en onsterfelijkheid waarin wezens door Strijd worden bevrijd. Hier is Strijd in plaats van Liefde de bevrijdende kracht:

Als we Strijd de vrije teugel laten zonder met hem samen te werken, zal hij tot uitdrukking komen in geweld en vernietiging overal om ons heen. Maar als we bereid zijn om met hem samen te werken, kunnen we in plaats daarvan zijn energie bewust richten op het vernietigen van onszelf – onze overtuigingen en illusies, onze gehechtheden, ons vasthouden aan de dingen zoals ze zijn. Want het kan heel moeilijk zijn ons te realiseren dat bewustwording op zich een proces van vernietiging is; van scheiding; van leren te sterven vóór we sterven.    – blz. 435

Deze kosmische cyclus is een goddelijk proces omdat er voor Empedocles ‘in het hele bestaan niets is, absoluut niets, dat niet goddelijk is’, of het nu Liefde of Strijd, elementen of zielen betreft (blz. 348). Hij onderwees dat ‘alles bewust is. Alles denkt, ongeacht of het voor onze waarneming levend lijkt of slechts een levenloos voorwerp. Alles is in zekere mate intelligent’ (blz. 397). Planten, dieren, goden, en elementen zijn levende zielen die in de woorden van Empedocles ‘ertoe worden bewogen om de gezegenden te verlaten en in de loop van de tijd allerlei soorten gedaanten en vormen van sterfelijk bestaan aannemen, het ene zware levenspad verruilen voor het andere’ (blz. 362). Alles is dus verbonden met al het andere, zowel in spiritueel als fysiek opzicht, samen verstrikt in een woelige en hevige cyclus van reïncarnaties, alle evenzeer illusies vergeleken met hun bron. Maar Empedocles

komt als een boodschapper om ons te herinneren aan onze werkelijke oorsprong en roept ons op weer vrij te worden, en hij legt ook uit hoe de reis moet worden ondernomen, niet een reis naar een of andere toestand van menselijk geluk maar naar iets veel omvangrijkers. Hij confronteert ons, als we dit tenminste kunnen begrijpen, met het meest merkwaardige vooruitzicht van alle – de dood van onze sterfelijkheid.    – blz. 367

Hij probeert dit niet te bereiken door onze huidige vermogens van waarnemen, weten, of redeneren te verbeteren; in plaats daarvan wenst hij ‘een volkomen andere vorm van kennen op te wekken’ (blz. 387), zodat we ons bewust worden en ervaren dat we in feite goden zijn en altijd zijn geweest. De sleutel tot beide filosofen is metis, een intense alertheid en vaardige fijngevoeligheid, een bewustzijn van het moment (kairos) waardoor iemand kan vermijden verstrikt te raken in illusies en misleidingen. De methode die Empedocles aanbeveelt is om tegelijkertijd met alle zintuigen elk moment bewust waar te nemen, in plaats van af te dwalen in de mentale droomtoestand die buiten het Nu ligt. Deze methode wordt beschreven in een stukje uit Reality dat op dit artikel volgt. Voortdurend zintuiglijk bewust te zijn van het heden vereist constante oefening en aandacht, totdat

er niets meer over is om te leren, niet omdat u alles weet, maar integendeel omdat u het zich eindelijk kunt veroorloven u te ontspannen en niets te weten – in de kalme wetenschap dat wat moet worden gekend zich op het juiste moment aan u zal bekendmaken. . . . het denken wordt heel stil en kalm, en beseft vol ontzag dat het nooit in staat zal zijn om zelfs maar het minste van wat zojuist is gegeven te begrijpen.
                                           .       .        .
   Opeens is al het zichtbare heel transparant geworden, en dit is een verwijzing naar het onzichtbare. – blz. 531, 546

Uiteindelijk beseffen we, in het eeuwige moment, dat we alles omvatten, dat niets van ons gescheiden is.

Dr. Kingsley’s stimulerende interpretatie van deze pre-Socratische filosofen maakt het mogelijk dat ze uit het verre verleden tot ons spreken. Ze worden bevrijd uit de dwangbuis van misinterpretatie en onbegrip waarin rationalistische denkers zelfs in de oudheid ze hebben gestopt. Reality laat zien dat de erkende grondleggers van het westerse denken een krachtige mystieke traditie hebben overgeleverd die later via de hermetici is doorgegeven aan de islam en het christendom, en dat deze traditie tegenwoordig nog steeds voor ons beschikbaar is.

 

Noot

  1. Dr. Kingsley trekt fascinerende parallellen tussen Socrates (ca. 470-399 v.Chr.) en Parmenides, die beiden handelden op basis van een goddelijke opdracht om de verwarring en tegenstrijdigheden in de denkwijzen en overtuigingen van hun tijdgenoten aan de kaak te stellen – zeker geen tijdverdrijf dat iemand verzekert van populariteit!


 
Andere artikelen over Griekse filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency