Een
nieuwe kijk op Oud-Noorse mythen
Sarah Belle Dougherty
Boekbespreking: De
maskers van Odin, Elsa Brita Titchenell, TUPA, Den Haag, 2005;
isbn 9070328631, 388 blz., verklarende woordenlijst, bibliografie en
index, paperback € 18,00.
Waarom blijven mythen bestaan en weten ze ons nog steeds
te boeien, al zijn we hun innerlijke betekenis allang vergeten? In een
nieuw boek, De Maskers van Odin: Oud-Noorse wijsheid, worden
deze en nog vele andere vragen gesteld. Het roept de gedachte op dat
mythen oud en toch eeuwig jong zijn; hun boodschap is ‘anoniem
en tijdloos’, en ‘even eeuwig als de onbegrensde ruimte’,
vol wijsheid die in de vorm van verhalen ons erfdeel van alles wat van
blijvende waarde is, instandhoudt. Elsa-Brita Titchenell heeft op dit
onderzoeksgebied een opmerkelijke bijdrage geleverd, zowel door haar
intuïtieve interpretatie van de mythische symboliek als door de
nauwkeurigheid van haar vertaling. Haar vloeiende stijl, met hier en
daar een lichte toets, maakt dit diepzinnige boek zeer leesbaar. Haar
voornaamste doel bij het schrijven ervan was de ‘kern van de diepere
betekenis’ te vinden die in de Edda verborgen ligt. Ze heeft jarenlang
de theosofische filosofie bestudeerd en erkent dat ze veel te danken
heeft aan De Geheime Leer van H.P. Blavatsky, die een beeld
geeft van het majestueuze patroon dat aan de wereldbeschavingen en mythen
ten grondslag ligt en waardevolle sleutels verschaft om deze te begrijpen.
De ontdekkingen van de westerse wetenschap in de 20ste eeuw hebben haar
ook attent gemaakt op bepaalde aanwijzingen in de verhalen die anders
misschien aan de aandacht zouden zijn ontsnapt, zoals de in de Edda
genoemde gevleugelde wagens en het verband tussen de zonnewenden en
kringen van stenen voorwerpen en henge’s.
Het boek, dat in twee delen is verdeeld, begint met commentaren over
allerlei mythologische thema’s die een basis verschaffen voor
een beter begrip van kosmogonieën in het algemeen en de lezer tevens
voorbereiden op de liederen in Deel 2. In de inleiding worden mythen
omschreven als een tijdcapsule die de wijsheid van een ver verleden
bevat. Daarna volgen belangrijke onderwerpen zoals de evolutie van de
kosmos, de aarde en de mens; het steeds doorgaande proces van geboorte,
dood en wedergeboorte van werelden en mensheden; Yggdrasil, de levensboom;
het ontwaken van het denkvermogen; inwijding en de betekenis van het
walhalla. De wisselwerking tussen goden en reuzen als ‘complementaire
polen van geest en stof’ vormt de basis van de sagen.
Deel 2 bevat de voornaamste liederen van de Poëtische of Oudere
Edda ‘met korte uitstapjes naar andere bronnen’, elk voorafgegaan
door een korte toelichting. Omdat ze de Scandinavische talen kent, heeft
de schrijfster de Zweedse en IJslandse teksten met elkaar vergeleken
en een nieuwe vertaling gemaakt die zoveel mogelijk overeenkomt met
het origineel, en die verhalen uitgekozen die in het bijzonder betekenis
hebben voor onze tijd. Interessant is wellicht dat van de Völuspá
– het bekendste en meest omvattende lied van de Oudere Edda van
Saemund de Wijze – een fotografische reproductie van het oorspronkelijke
manuscript, de Codex Regius, is opgenomen. Andere illustraties
zijn er niet, omdat de schrijfster ernaar streeft de goden en reuzen
te depersonifiëren, en ze geeft de voorkeur eraan dat deze zich
manifesteren als het uitgestrekte gebied van krachten en substanties
die ze vertegenwoordigen.
Er wordt veel nadruk gelegd op het feit dat mythen niet slechts fantasieverhalen
zijn maar een mysterietaal, en dat ze kunnen worden begrepen door mensen
die in staat zijn de werkelijke betekenis ervan te doorgronden. De namen
en de vele ‘kennings’ [poëtische omschrijvingen] van
de Oud-Noorse goden en reuzen maken deel uit van de symboliek, en het
is van belang hun betekenis te kennen, en te weten waarvan de woorden
zijn afgeleid om de diepere bedoeling van de verzen te begrijpen.
Zelfs de naam ‘Edda’ heeft zijn eigen geschiedenis. De betekenis
van het woord, overgrootmoeder, duidt op de ouderdom ervan en kan worden
uitgebreid tot moederschoot of bron. Ze is ongetwijfeld een schatkamer
van universele wijsheden – vergelijkbaar met de belangrijkste
heilige geschriften van de wereld – die in een zuiverder vorm
zijn bewaard gebleven dan in vele andere overleveringen. De geestelijk
verlichte barden of skalden van langgeleden – afstammelingen van
de scheppers van de mythen – zongen deze heldensagen over de geschiedenis
en bestemming van werelden en mensen, rijk aan fascinerende beeldspraak,
alliteraties en ritmische elementen, eeuwen vóór ze werden
opgeschreven.
Odin, de hoogste van de goden uit de Edda, Alvader, goddelijke wortel
van alles, verschijnt in bijna elk lied in een vermomming. Vandaar de
titel, De Maskers van Odin. Zijn vele functies worden in de
tekst verklaard, maar in de eerste plaats is hij de ‘goddelijke
pelgrim’ die de stoffelijke wereld doorkruist op zoek naar ervaring
of ‘runen van waarheid’. Alles wordt bezield door Odin-Alvader,
vanaf de elementalenwereld van trollen en tomtar [behulpzame natuurgeesten]
via de mineralen-, planten- en dierenrijken tot mensen en de verschillende
niveaus van goden, zoals een van zijn namen ‘al jullie heilige
verwanten’ aanduidt.
Een van de meest dynamische goden in het Oud-Noorse pantheon is Thor.
Hij vertegenwoordigt het gehele elektromagnetische spectrum van energie
en houdt alle dingen in beweging tijdens hun levenscyclus. Zijn machtige
hamer, Mjölnir (molen), ‘schept de materie en vernietigt
ze ook weer door vermaling’.
De verzen die betrekking hebben op de verschillende stadia van het afsluiten
en openen van wereldcyclussen zijn dramatisch, oeroud en vol poëtische
aanwijzingen, zoals in Völuspá (48, 49):
Mimers zonen staan op. De stervende wereldboom
ontvlamt
Bij het geluid van de schrille trompet van de ondergang.
Luid blaast Heimdal, de hoorn hoog geheven.
Odin gaat te rade bij Mimers hoofd.
Terwijl de oude boom kreunt
Wordt de reus losgelaten.
De es, Yggdrasil,
Beeft waar hij staat.
Elk van de liederen heeft een eigen karakter. Het lied
van Odins lijk, bijvoorbeeld, een van de meest mystieke, vertelt over
de diepe stilte van een wereld in een rustperiode, in afwachting van
haar wedergeboorte, terwijl in het laatste vers Heimdal opnieuw verschijnt
en op zijn hoorn blaast. ‘De goden rezen toen omhoog. De zon begon
te schijnen. De nacht trok weg naar het noorden, naar Niflheim’
. . . en er ontstaat een nieuwe wereld.
Het lied van Rig beschrijft het ontwaken van het denkvermogen, een beslissende
stap vooruit in onze menselijke evolutie, toen een straal van de zonnegod
Heimdal, die zichzelf Rig noemde, zich in drie stadia in de mensheid
belichaamde. Deze gebeurtenis wordt gesymboliseerd door een deur die
eerst was gesloten, toen op een kier stond en tenslotte wijdopen. Geleidelijk
groeien we in zelfbewustzijn en onderscheidingsvermogen, terwijl we
als godmakers (ásmegir) op een lange pelgrimstocht zijn. Deze
verhalen over onze menselijke strijd maken ons meer bewust van de invloeden
van god en reus die in ons wedijveren, omdat Loki vaker zijn ondeugende,
listige kant laat zien (het lagere denken) dan het inspirerende hogere
denken, wanneer hij Lopt wordt genoemd. Talrijk zijn de bewustzijnsgebieden
en soorten van werelden, stoffelijke en geestelijke, waarin we onze
ervaringen hebben opgedaan en nog zullen opdoen. Het lied van Grimner
noemt twaalf werelden, die ‘niveaus’ worden genoemd, van
Reuzenheim tot Lidskjälf, het gebied van mededogen.
In haar hoofdstuk over inwijding geeft de schrijfster een verklaring
van de vele opmerkelijke kenmerken van het walhalla. Hier, in het rijk
van Odin, verwerven zijn Eén-strijders, krijgers die de barrières
rondom het walhalla wisten te overwinnen, het recht binnen te treden.
Het is een krachtige en mooie allegorie van het pad naar de goden; de
ziel is in beweging en we vereenzelvigen ons met de krijgers van Odin,
die in de Oud-Noorse mythen de ware helden zijn. Zij zijn degenen die
zichzelf hebben overwonnen, die hebben verkozen zich meedogend dienstbaar
te maken aan allen en zich onder leiding van de walkuren (hun hogere
zelven) hebben aangesloten bij de goden waar ‘de Hal van de Uitverkorenen
glanst als goud’. Door afstand te doen van hun wapenrusting om
te helpen het walhalla op te bouwen, hebben ze alles wat persoonlijk
is opgegeven en hebben ze hun verlangens omgezet in eigenschappen die
een god passen. In deze zin, zegt de schrijfster, kan het walhalla worden
gezien als de Hal van de Dood en ook als de Hal van de Gekozenen, de
Uitverkorenen.
Elsa-Brita Titchenell pretendeert helemaal niet dat ze de schat aan
materiaal in de Edda uitputtend heeft behandeld, maar hoopt dat andere
onderzoekers verder zullen kunnen doordringen in de nevels die rond
de Oud-Noorse en andere mythologieën hangen. Er valt altijd meer
te ontdekken. Na het lezen van De Maskers van Odin bestaat
er geen twijfel dat mythen een ‘onvernietigbare kern van waarheid’
bevatten die de mensheid in alle eeuwen heeft geïnspireerd. De
verhelderende ideeën in deze bladzijden voorzien in de behoefte
van onze huidige wereld om ‘aan het menselijk streven weer geestelijke
waardigheid en zin te geven’.