Laten we zorgvuldig omgaan met die levende boodschappers die men
woorden noemt. – W.Q. Judge
Het gesproken woord lijkt iets wazigs, een ademstoot, niet meer dan
een klank en toch is het bekend dat het wel eens een rijk heeft vernietigd
of duizend levens gered. In woorden liggen ideeën besloten, die
de ziel ervan zijn, het zaad waaraan zij ontspringen. Als we geen ideeën
hadden, geen gedachten om kenbaar te maken of de drang dit te doen,
zouden we niet die stortvloed hebben die vanuit alle windstreken bij
ons binnenstroomt – via de radio en de televisie, in kranten,
tijdschriften en boeken – en een door de mens gemaakte ‘fall-out’
van een afgrijselijke omvang vormt.
Een paar eeuwen geleden waren woorden niet in zo’n overweldigende
mate voor iedereen beschikbaar; boeken waren zeldzaam en nieuws bereikte
een betrekkelijk kleine groep. Dit maakte het mogelijk dat standpunten
uiterst bekrompen werden, want mensen konden absoluut niet weten wat
er buiten hun woonplaats, provincie of land gebeurde. Het is moeilijk
om je voor te stellen hoe het leven er voor de gewone burger zonder
massacommunicatiemiddelen uitzag, toen maar heel weinig mensen konden
lezen. In Europa bijvoorbeeld, was het enige boek dat ze kenden de bijbel
en de wijsheid eruit kregen ze uit de tweede hand van priesters. In
die dagen trachtten de heersende klassen te voorkomen dat de emanciperende
macht van woorden het volk bereikte, en het is meer dan toeval dat naarmate
de wereldnaties beter worden geïnformeerd, zij een stem in de regering
eisen en krijgen.
Zo belichamen woorden de macht die in ideeën schuilt, en we kunnen
de tijdgeest van elke periode beoordelen aan de hand van de manier waarop
er met ideeën wordt omgegaan. Overal waar vrijheid van meningsuiting
is, is de ondernemingsgeest van de mens vrij om hoogstaande structuren
te ontwikkelen; maar als de overheid probeert denkbeelden de kop in
te drukken en degene die iets zegt wat verboden is martelt, dan is het
inderdaad een somber tijdperk. Velen van ons zijn in vrijheid geboren
zonder beperkende voorschriften betreffende meningsuiting en uiterlijk,
en het is niet eenvoudig voor ons om ons de moed voor te stellen van
hen die hebben geprobeerd om de harde schaal van tirannie en fanatisme
open te breken. Misschien lezen we dat zij hun leven moesten geven,
zodat wij onze woorden zonder willekeurige beperkingen kunnen gebruiken;
maar hebben we nog wel voldoende waardering voor het voorrecht dat we
nu zonder enige persoonlijke opoffering bezitten?
Alleen omdat wij in veel landen vrijuit onze mening kunnen verkondigen,
garandeert niet dat wat we zeggen altijd het vermelden waard is –
hoewel het recht om dit te doen alles waard is. In feite maakt een bezoek
aan de boekwinkel of een avondje tv duidelijk dat dagelijks door miljoenen
de grootst mogelijke onzin wordt geconsumeerd. Ik betwijfel of de mensheid
ooit eerder door zo’n stortvloed van woorden die over onbenulligheden
gaan is gebombardeerd. We willen graag amusement en simpele informatie,
en zolang hieraan maar wordt voldaan, denken we dat we gelukkig zijn
– de lege uren gaan tenminste pijnloos voorbij. Intussen vullen
we onze geest vaak met vervangingsmiddelen voor betekenisvolle gedachten,
terwijl het vermogen om creatief te denken zelden wordt geactiveerd.
Met het verdwijnen van de rust verdwijnt ook het vermogen om boven het
brullende getij te staan en zich hierover te bezinnen. Elk middel wordt
aangewend om onze aandacht te vangen en ons mee te lokken in de maalstroom
van koop en verkoop, concurrentie en vermaak. Adverteerders, zowel op
politiek als commercieel gebied, geloven dat meningen kunnen worden
gevormd door maar lang genoeg op een thema te hameren, ongeacht of ze
op waarheid of op leugens zijn gebaseerd. De ‘denkende mens’
wordt geprezen – maar wordt hij werkelijk gestimuleerd om te denken?
Als dat niet zo is dan worden woorden tot verraders gemaakt van de ideeën
die ze eens zo trouw belichaamden en verspillen we onze energie aan
dingen die onze mentale vitaliteit ondermijnen.
Echter hoe donkerder de schaduw, des te helderder het licht dat de schaduw
veroorzaakte. Terwijl de onvermoeibare drukpersen een eindeloze verspilling
aan woorden produceren, heeft deze zelfde ingenieuze mechanische uitvinding
voor iedereen de schatten aan wijsheid van de wereld beschikbaar gemaakt.
Plato’s Dialogen en de Bhagavad-Gita zijn verkrijgbaar
in goedkope uitgaven. Honderden andere waardevolle boeken worden door
miljoenen gelezen. Er worden belangrijke biografische werken en geschiedenisboeken
geschreven, evenals wetenschappelijke werken van grote waarde. Radio
en televisie zenden programma’s uit die zowel motiverend als leerzaam
zijn. Na meer dan een millennium van veronachtzaming onderzoeken we
elk hoekje van de aarde en daarbuiten van het heelal teneinde de ontelbare
aspecten ervan te beschrijven en te verklaren. Zo worden er behalve
de enorme hoeveelheid aan louter nietszeggende woorden die over ons
worden uitgestort, elk jaar massa’s waardevolle woorden gedrukt
en gesproken om door de groeiende stroom van menselijk begrip te worden
verwerkt.
Tegenwoordig onthullen onze woorden meer dan ooit de ware staat van
de mens – bekrompen en egoïstisch, genotzoekend en volledig
in beslag genomen door seks, maar ook meedogend en moedig, bereid zich
in te zetten voor een betere wereld. Terwijl in het verre verleden alleen
woorden die men belangrijk vond werden vastgelegd, worden tegenwoordig
de goede, slechte en onbeduidende in ruime mate vereeuwigd. Doordat
zo velen kunnen lezen en schrijven en dit ook doen, raken de meeste
mensen volledig op de hoogte van wereldgebeurtenissen, spanningshaarden
en plannen. Men voelt zich op de een of andere manier betrokken bij
en verantwoordelijk voor de hele mensheid op een wijze die voorheen
niet mogelijk was.
Te midden van de mengelmoes van verwarde beweringen, argumentaties en
berichten bespeuren we het onverbiddelijke getij van het menselijk lot
dat ons voortstuwt – naar wat? We verlangen naar duurzame vrede,
naar een werkbare menselijke broederschap, maar leren door schade en
schande dat het welzijn van alle landen afhangt van de integriteit van
ieder van ons. De woorden van regeringen dienen in overeenstemming te
zijn met hun daden, want als beloften geen betekenis hebben, zal onze
beschaving ongetwijfeld te gronde gaan. Dit is een eeuw van zelfonderzoek,
gewetensonderzoek en zuivering van de geest; en we kunnen er door misverstanden
iets verschrikkelijks van maken, of iets schitterends als we ons vooroordeel
en onze hoogmoed van ons afschudden en als ons duidelijk wordt wat de
ware rol van de mensenfamilie op deze planeet is.
Het teveel aan woorden leidt na verloop van tijd misschien tot een samenleving
die woordenmoe is, waardoor zij de kracht die in een understatement
ligt gaat waarderen. Het is misschien de enige zekere weg om te leren
hoe men door personen en landen uitgekraamde onzin van de zuivere waarheid
moet onderscheiden. Wellicht komt er een reactie en zullen we weer ‘zorgvuldig
omgaan met die levende boodschappers die men woorden noemt’. Als
dat gebeurt, dan is het woord van een mens weer wat waard en zal de
integriteit van een land zijn meest gekoesterde bezit zijn.