Levende boodschappers
John P. Van Mater

 

Laten we zorgvuldig omgaan met die levende boodschappers die men woorden noemt.       – W.Q. Judge

Het gesproken woord lijkt iets wazigs, een ademstoot, niet meer dan een klank en toch is het bekend dat het wel eens een rijk heeft vernietigd of duizend levens gered. In woorden liggen ideeën besloten, die de ziel ervan zijn, het zaad waaraan zij ontspringen. Als we geen ideeën hadden, geen gedachten om kenbaar te maken of de drang dit te doen, zouden we niet die stortvloed hebben die vanuit alle windstreken bij ons binnenstroomt – via de radio en de televisie, in kranten, tijdschriften en boeken – en een door de mens gemaakte ‘fall-out’ van een afgrijselijke omvang vormt.

Een paar eeuwen geleden waren woorden niet in zo’n overweldigende mate voor iedereen beschikbaar; boeken waren zeldzaam en nieuws bereikte een betrekkelijk kleine groep. Dit maakte het mogelijk dat standpunten uiterst bekrompen werden, want mensen konden absoluut niet weten wat er buiten hun woonplaats, provincie of land gebeurde. Het is moeilijk om je voor te stellen hoe het leven er voor de gewone burger zonder massacommunicatiemiddelen uitzag, toen maar heel weinig mensen konden lezen. In Europa bijvoorbeeld, was het enige boek dat ze kenden de bijbel en de wijsheid eruit kregen ze uit de tweede hand van priesters. In die dagen trachtten de heersende klassen te voorkomen dat de emanciperende macht van woorden het volk bereikte, en het is meer dan toeval dat naarmate de wereldnaties beter worden geïnformeerd, zij een stem in de regering eisen en krijgen.

Zo belichamen woorden de macht die in ideeën schuilt, en we kunnen de tijdgeest van elke periode beoordelen aan de hand van de manier waarop er met ideeën wordt omgegaan. Overal waar vrijheid van meningsuiting is, is de ondernemingsgeest van de mens vrij om hoogstaande structuren te ontwikkelen; maar als de overheid probeert denkbeelden de kop in te drukken en degene die iets zegt wat verboden is martelt, dan is het inderdaad een somber tijdperk. Velen van ons zijn in vrijheid geboren zonder beperkende voorschriften betreffende meningsuiting en uiterlijk, en het is niet eenvoudig voor ons om ons de moed voor te stellen van hen die hebben geprobeerd om de harde schaal van tirannie en fanatisme open te breken. Misschien lezen we dat zij hun leven moesten geven, zodat wij onze woorden zonder willekeurige beperkingen kunnen gebruiken; maar hebben we nog wel voldoende waardering voor het voorrecht dat we nu zonder enige persoonlijke opoffering bezitten?

Alleen omdat wij in veel landen vrijuit onze mening kunnen verkondigen, garandeert niet dat wat we zeggen altijd het vermelden waard is – hoewel het recht om dit te doen alles waard is. In feite maakt een bezoek aan de boekwinkel of een avondje tv duidelijk dat dagelijks door miljoenen de grootst mogelijke onzin wordt geconsumeerd. Ik betwijfel of de mensheid ooit eerder door zo’n stortvloed van woorden die over onbenulligheden gaan is gebombardeerd. We willen graag amusement en simpele informatie, en zolang hieraan maar wordt voldaan, denken we dat we gelukkig zijn – de lege uren gaan tenminste pijnloos voorbij. Intussen vullen we onze geest vaak met vervangingsmiddelen voor betekenisvolle gedachten, terwijl het vermogen om creatief te denken zelden wordt geactiveerd.

Met het verdwijnen van de rust verdwijnt ook het vermogen om boven het brullende getij te staan en zich hierover te bezinnen. Elk middel wordt aangewend om onze aandacht te vangen en ons mee te lokken in de maalstroom van koop en verkoop, concurrentie en vermaak. Adverteerders, zowel op politiek als commercieel gebied, geloven dat meningen kunnen worden gevormd door maar lang genoeg op een thema te hameren, ongeacht of ze op waarheid of op leugens zijn gebaseerd. De ‘denkende mens’ wordt geprezen – maar wordt hij werkelijk gestimuleerd om te denken? Als dat niet zo is dan worden woorden tot verraders gemaakt van de ideeën die ze eens zo trouw belichaamden en verspillen we onze energie aan dingen die onze mentale vitaliteit ondermijnen.

Echter hoe donkerder de schaduw, des te helderder het licht dat de schaduw veroorzaakte. Terwijl de onvermoeibare drukpersen een eindeloze verspilling aan woorden produceren, heeft deze zelfde ingenieuze mechanische uitvinding voor iedereen de schatten aan wijsheid van de wereld beschikbaar gemaakt. Plato’s Dialogen en de Bhagavad-Gita zijn verkrijgbaar in goedkope uitgaven. Honderden andere waardevolle boeken worden door miljoenen gelezen. Er worden belangrijke biografische werken en geschiedenisboeken geschreven, evenals wetenschappelijke werken van grote waarde. Radio en televisie zenden programma’s uit die zowel motiverend als leerzaam zijn. Na meer dan een millennium van veronachtzaming onderzoeken we elk hoekje van de aarde en daarbuiten van het heelal teneinde de ontelbare aspecten ervan te beschrijven en te verklaren. Zo worden er behalve de enorme hoeveelheid aan louter nietszeggende woorden die over ons worden uitgestort, elk jaar massa’s waardevolle woorden gedrukt en gesproken om door de groeiende stroom van menselijk begrip te worden verwerkt.

Tegenwoordig onthullen onze woorden meer dan ooit de ware staat van de mens – bekrompen en egoïstisch, genotzoekend en volledig in beslag genomen door seks, maar ook meedogend en moedig, bereid zich in te zetten voor een betere wereld. Terwijl in het verre verleden alleen woorden die men belangrijk vond werden vastgelegd, worden tegenwoordig de goede, slechte en onbeduidende in ruime mate vereeuwigd. Doordat zo velen kunnen lezen en schrijven en dit ook doen, raken de meeste mensen volledig op de hoogte van wereldgebeurtenissen, spanningshaarden en plannen. Men voelt zich op de een of andere manier betrokken bij en verantwoordelijk voor de hele mensheid op een wijze die voorheen niet mogelijk was.

Te midden van de mengelmoes van verwarde beweringen, argumentaties en berichten bespeuren we het onverbiddelijke getij van het menselijk lot dat ons voortstuwt – naar wat? We verlangen naar duurzame vrede, naar een werkbare menselijke broederschap, maar leren door schade en schande dat het welzijn van alle landen afhangt van de integriteit van ieder van ons. De woorden van regeringen dienen in overeenstemming te zijn met hun daden, want als beloften geen betekenis hebben, zal onze beschaving ongetwijfeld te gronde gaan. Dit is een eeuw van zelfonderzoek, gewetensonderzoek en zuivering van de geest; en we kunnen er door misverstanden iets verschrikkelijks van maken, of iets schitterends als we ons vooroordeel en onze hoogmoed van ons afschudden en als ons duidelijk wordt wat de ware rol van de mensenfamilie op deze planeet is.

Het teveel aan woorden leidt na verloop van tijd misschien tot een samenleving die woordenmoe is, waardoor zij de kracht die in een understatement ligt gaat waarderen. Het is misschien de enige zekere weg om te leren hoe men door personen en landen uitgekraamde onzin van de zuivere waarheid moet onderscheiden. Wellicht komt er een reactie en zullen we weer ‘zorgvuldig omgaan met die levende boodschappers die men woorden noemt’. Als dat gebeurt, dan is het woord van een mens weer wat waard en zal de integriteit van een land zijn meest gekoesterde bezit zijn.

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency