Shelley, een Indiase denker
Sorabji J. Padshah*

*Verkort uit The Theosophist, april 1881.

In het begin van de 19de eeuw schrikte één Engelsman heel Europa op door zijn krachtige openlijke veroordeling van het christendom en allerlei vormen van morele melaatsheid die dat godsdienststelsel in de menselijke samenleving had geïntroduceerd. Hij was de kleinzoon van een baronet en erfgenaam van een groot fortuin, maar verkoos niettemin om al deze grote voordelen van rang en rijkdom overboord te gooien, en riep op tot opstand. Terwijl hij de oorlog verklaarde aan priesters en potentaten, preekte hij een kruistocht tegen de godsdienst en voerde deze met woord en daad. Alle orthodoxe christenen werden met afschuw vervuld – zelfs ongelovigen vonden dat hij een beetje te ver ging. Kerkelijke en wettelijke banvloeken werden over hem uitgesproken. Op straat werd hij gemeden als een melaatse. Zijn kinderen werden van hem weggerukt door een bevelschrift van de Lord Chancellor. Maar al die kwaadwilligheid van de mensen kon zijn geest niet breken of beteugelen. De man die in Europa zoveel opwinding had teweeggebracht, die door de geestelijkheid werd vervloekt en die zijn rechten als burger had verspeeld, vindt nu erkenning als een van de meest vooraanstaande dichters. Die man was Percy Bysshe Shelley.

Het geheim van Shelley’s succes zit in het feit dat hij zong onder de invloed van intuïtie en inspiratie, en daardoor altijd dichter bij de waarheid was dan zij die hetzelfde vurige verlangen probeerden te bevredigen door iets buiten zichzelf en door moeizame studie. Het is een oud gezegde dat als datgene wat je zoekt niet in je is, je het buiten je nooit zult kunnen vinden. Deze waarheid werd volkomen bevestigd in het geval van Shelley. Uit zijn eigen intuïtieve waarneming concludeerde hij dat de eerste stap om het ‘millennium’ – de gouden eeuw – tot stand te brengen universele liefde en broederschap is. Inderdaad was zijn filosofie gebaseerd op liefde – en hij was een filosoof met een methode. Maar zijn liefde was niet de zelfzuchtige en beperkte hartstocht voor één voorwerp of individu of gemeenschap. Ze kende geen beperkingen; ze omvatte de hele mensheid. In het prachtige gedicht – Epipsychidion – zegt hij in een oprechte platonische geest:

       Kleingeestig
Het hart dat liefheeft, het brein dat nadenkt.
Het leven dat één voorwerp, één vorm verslijt,
De geest die één voorwerp, één vorm schept, en daardoor
Zich een graftombe bouwt voor zijn eeuwigheid!

Maar hij ging nog verder. Een van zijn gedichten begint met deze prachtige regel:

Aarde, Oceaan, Lucht, geliefde broederschap!

En dan zegt hij verder hoe deze broederschap hem heeft geïnspireerd tot een natuurlijke vroomheid, en met woorden die het hart van een boeddhist zou vervullen met vreugde, smeekt hij om broederschap:

Als ik nog geen blij vogeltje, insect of lief beestje
Bewust heb kwaadgedaan, maar steeds liefhad en
Hen koesterde, mijn verwanten; vergeef me dan,
Waarde broeders, deze grootspraak, en neem nu
Geen jota terug van jullie gebruikelijke genegenheid!

Opvallend in deze opmerkelijke passage is het gebruik van het woord ‘grootspraak’ en de bescheidenheid die deze regels weerspiegelt. Men kan zich goed indenken dat Boeddha dezelfde taal gebruikte in zijn zelfbeschouwingen. Dezelfde bescheidenheid en gevoelige geest die stroomt door de filosofie van de grote Indiase prins en yogi doordringt de dichtkunst van Shelley. God is universeel en vervult het universum met liefde en eerbied. Daarom vervult de geest van God ons allen. Kennis van dit feit moest wel de grootse leefregel doen ontstaan: ‘Gij zult niet doden.’ Shelley redeneert op dezelfde manier. Zijn hart klopt met grenzeloos mededogen voor de mensheid, ja, voor alle levende wezens, zoals we hebben gezien. Hij houdt een pleidooi voor een worm –

De geest van de worm in de graszode
Verenigt zich in liefde en eerbied met God.

Shelley wordt in het algemeen gezien als een atheïst, maar deze fout kan niet vaak genoeg worden hersteld. Het is waar dat hij in Queen Mab zegt: ‘er is geen God!’ Maar in een voetnoot voegt hij daar direct aan toe: ‘Deze ontkenning heeft uitsluitend betrekking op een scheppende godheid. De hypothese van een alles doordringende Geest, even eeuwig als het universum, blijft onaangetast.’ En in verband met deze geest, roept hij bij de dood van Keats in zijn prachtige elegie, Adonais, uit:

Het Ene blijft, het vele verandert en gaat voorbij;
Het Hemelse licht schijnt eeuwig, de schaduw van de Aarde vervliegt;
Het Leven, als een gewelf van veelkleurig glas,
Bevlekt de witte straling van de Eeuwigheid,
Tot de dood haar tot brokstukken vertrapt.

Het ontstaan van het idee van een persoonlijke God, verklaart hij op karakteristieke wijze in zijn Revolt of Islam:

Wat is dat voor een Macht? Een maanzieke sofist
Stond te kijken naar de schaduw opgeworpen door zijn eigen ziel
Die de hemel bedekt en de Aarde verduistert, en in die stemming
Was de Vorm die hij zag en aanbad, die van hemzelf,
Zijn evenbeeld die in de ruime spiegel van de wereld wordt getoond;
En het zou een onschuldige droom zijn, ware het niet
Dat een geloof, gevoed door de giftige dauw van de angst, daarop gedijde,
En dat de mensen zeggen dat die Macht de Dood heeft bestemd
Voor allen die zijn wet afwijzen, om zijn onsterfelijke woede over hen uit te storten.

Door het beeld van een persoonlijke God op die manier af te breken, voert Shelley een vastberaden oorlog tegen allen die in zo’n Wezen geloven. Het zijn vooral priesters die door zijn zweepslagen worden getroffen; voor hen heeft hij geen genade. Alle misdaden zijn terug te voeren tot hun invloed. Zij zijn het die de persoonlijke God hebben uitgevonden, en zij zijn erin geïnteresseerd dit geloof bij de massa in stand te houden, waarbij ze azen op hun bezit, leven en geluk. Met Shelley ben ik geneigd te zeggen dat alle misdaad en alle lijden kunnen worden teruggevoerd tot de persoonlijke God en zijn priesters. Ondanks de verschillende pantheïstische leringen van de Veda’s en de Avesta, houden de hindoes en de parsi’s vast aan zo’n God, die hen dierbaar is. Als men eenmaal heeft besloten dat men niets te maken heeft met de stam-boeman van een persoonlijke God, dan kan uitkomen wat Shelley heeft voorspeld:

Als eenmaal het verafschuwd masker is gevallen,
Is de mens scepterloos, vrij, niet ingeperkt, maar mens
Onpartijdig, niet behorend tot een klasse, stam of natie,
Vrijgesteld van ontzag, aanbidding, zonder titel, koning
Over zichzelf; rechtvaardig, vriendelijk, wijs; maar mens.

Shelley was pantheïst, en zoals in het pantheïsme van de Veda’s en Avesta uitte hij zich in edele lofzang aan zon, maan en sterren, wind, oceaan en lucht, en al wat de grootsheid en serene majesteit van de Universele Geest symboliseert. Zijn verering voor al wat mooi is in de wijde wereld staat gelijk aan verafgoding. Zoals de Griekse priesteres in de tempel van Apollo ging zijn verering vaak over in een trancetoestand; en in die toestand van samadhi deden de wonderen die hij in zijn visioenen zag hem verbleken van verbazing. Enkele van die visioenen heeft hij gehuld in poëzie, maar de wereld – ‘de wijde, grauwe, lichtloze, diepe, mensenloze wereld’ – haatte die zachtmoedige ziel, lachte om zijn visioenen, versleet hem voor gek; en daarom besloot hij dat, ‘de harteloze wereld’ deze visioenen ‘niet te weten zal komen’.

Shelley had ook een diep geloof in de grote filosofische leer van het tweeledige bestaan – de leer dat elk voorwerp zijn exacte tegenhanger heeft. Hij voerde die filosofie zelfs nog verder door. Hij geloofde dat de geschiedenis overleeft in een soort schimmige wereld, en spreekt als ze wordt opgeroepen door de menselijke geest. Deze theorie heeft hij in twee van zijn gedichten verwerkt. In Queen Mab is de geest van de hoofdpersoon gescheiden van het lichaam, terwijl dit doorgaat met functioneren. De ontlichaamde geest dwaalt rond in de wereld zonder te worden gehinderd door tijd en ruimte, en verzamelt fragmenten van ‘verboden kennis’. In weer een ander gedicht wordt gezinspeeld op Zarathoestra en wordt het geloof van de hedendaagse parsi’s verklaard dat hun profeet vaak verheven gesprekken voerde met engelen en met God. In Prometheus Unbound spreekt de Aarde aldus:

     . . . Voordat Babylon tot stof verging,
Ontmoette de magiër Zarathoestra, mijn dode kind,
Zijn eigen beeld
Dat in de tuin wandelde.
Als enige mens zag hij die verschijning.

Dat wil zeggen, Zarathoestra zag wat we in onze tijd zijn dubbel noemen. Van de Indiase yogi’s is bekend dat zij hun dubbel kunnen projecteren naar de verste uithoeken van de aarde. Zarathoestra was niet de ‘enige mens’ die zijn verschijning zag. Shelley kwam zelf, nadat hij verzonken was geraakt in een van zijn trancetoestanden, tegenover zijn schim te staan, die deze veelbetekenende woorden tot hem richtte: Siete soddisfatto? – ‘Bent u tevredengesteld?’ – en verdween!

Evenals de aanhangers van de Vedanta en boeddhisten geloofde Shelley vast in de evolutieleer; en net als zij was hij onafhankelijk tot de theorie van de cyclussen gekomen. Deze ondermijnt de grondvesten van het christendom. Maar Shelley was geen christen; en hij hield te hartstochtelijk van de waarheid om die opzij te zetten om zo zijn religieuze overtuigingen onberoerd te laten. Hij was een vurig onderzoeker van de natuur, die veel aan hem openbaarde en die hem gebood dit zonder angst en waarheidsgetrouw bekend te maken aan het denken van de mensen. In Ode to the West Wind, drukt hij zijn hartstochtelijke verlangen om de mensheid te onderrichten, als volgt uit:

Jaag mijn dode gedachten door het universum
Gelijk verdorde bladeren om een nieuwe geboorte te bevorderen!
En verspreid, door de bezwering van dit vers,
Als van een uitgedoofd haardvuur
De as en de vonken, mijn woorden onder de mensen!

‘Het idee van dit gedicht is dat de natuur zich beweegt in cyclussen, waarvan elk een voorbereiding vormt voor die welke erop volgen; dat de wind die de bladeren van de bomen blaast, de zaden zaait voor toekomstige bossen; en dat de winter de voorbode is van de lente.’ Dit is niet meer dan een duidelijk voorbeeld van de manier waarop hij stilstaat bij de analogieën tussen de zintuiglijke wereld en de wereld van de geest, tot de sluier die hen scheidt half lijkt te zijn opgelicht.

Als we een stap verder gaan, zien we dat Shelley ook de theorie van de almacht van de menselijke wil zelf heeft uitgewerkt – dat grote geheim van de goddelijke kracht van de Indiase yogi’s. Het is waar dat de Duitse filosoof Johann Gottlieb Fichte ongeveer tegelijkertijd dezelfde ideeën had gepubliceerd in zijn Leer van de wetenschap. Maar Fichte ging niet verder dan te opperen dat het fysieke leven voor onbepaalde tijd kan worden verlengd door het uitoefenen van wilskracht. Shelley daarentegen gaf helemaal niets om dit soort onsterfelijkheid. Hij vestigde zijn hoop op de dood: ‘Sterf, als u wilt samenzijn met wat u zoekt! Ga verder waar alles is gevlucht!’ En hij had gelijk. Ongetwijfeld bezitten yogi’s de macht om hun aardse leven voor onbepaalde tijd te verlengen, maar dat wensen ze niet te doen. Evenals Shelley beschouwen ze het leven als een noodzakelijk kwaad en wensen het niet te verlengen. Anders dan Fichte wilde Shelley op edeler wijze gebruikmaken van wilskracht:

Hij die de mens leerde te overwinnen al wat
Er kan zijn tussen de wieg en het graf
Kroonde hem tot Koning van het Leven.

Hij begrijpt in één oogopslag de situatie van de yogi’s, zonder ooit van hen te hebben gehoord. Wat een wanhoopsklacht ligt er besloten in de volgende regels:

O, ijdel streven,
Als hij met zijn eigen hoge wil, een gewillige slaaf,
De verdrukking en de verdrukker op de troon heeft gezet!

Todhunter, onderzoeker van zijn werken, maakt bij deze passage de volgende aantekening: ‘Als deze wil wordt verlaagd; als het leven nieuwe noden kan voortbrengen en rijkdom kan ontrukken aan hen die duizendvoudig zwoegen en kreunen voor een van de gaven van vrijheid en natuur, wat heeft het dan voor zin dat de rijkdom van de mens onuitputtelijk is, en zijn vermogen – dat sluimert in zijn denken – onbegrensd?

Ik zou nog veel meer passages kunnen aanhalen om aan te tonen dat Shelley zijn tijdgenoten ver vooruit was in het oplossen van de grote problemen van leven en dood. Hij werd vaak vergeleken met de oude Griekse filosofen en als een groot discipel van Plato beschouwd, maar voor mij was hij een grote Vedanta- of boeddhistische denker, hoewel hij geen toegang had tot de Veda’s en het Dhammapada. Wie zou het niet betreuren dat een zo edel leven, zo onbaatzuchtig, zo vol verlangen naar de hoogste geheimen van de geestelijke wetenschap, werd afgesneden op de jeugdige leeftijd van 29 jaar?

Maar zelfs in de loop van de weinige jaren die hem waren vergund, deed hij meer dan een dozijn pretentieuze namen gedurende 50 jaar na hem. Hij beperkte de enorme energieën van zijn ziel niet tot het onderzoek van een enkel protoplasma, maar besteedde die aan het blijvende belang van de lijdende mensheid. Met de woorden van W.M. Rossetti:

Er is geen dichter – en ook geen ander – voor wie het meer gepast is dat alle mensen, en voor sommigen is dat onvermijdelijk, het voorrecht en het genoegen van enthousiasme voelen. Heel mijn ziel gaat uit naar Shelley als een ongeëvenaarde dichter, en omhelst hem als een dierbare vriend.

 
Andere artikelen over kunst en literatuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency