Theosofie: traditie, mysterie en dagelijks leven
Jim Belderis

 

Het woord theosofie wordt afgeleid van het oude Griekse theosophia, wat ‘goddelijke wijsheid’ of ‘wijsheid omtrent goddelijke zaken’ betekent. Het werd voor het eerst gebruikt door neoplatonische filosofen die de essentiële eenheid achter verschillende filosofische stelsels onderwezen. Samen met enkele ermee samenhangende termen werd theosophia ook gebruikt door vroegchristelijke schrijvers die verwezen naar een verborgen wijsheid die alle wereldlijke wijsheid te boven gaat. Het gebruik ervan werd in verschillende bewegingen in middeleeuws Europa voortgezet – alchemisten, kabbalisten, rozenkruisers, hermetisten en vrijmetselaars beschreven theosofie als een universele traditie van oude wijsheid, die de kern vormde van alle religieuze en filosofische stelsels.

Het denkbeeld van een universele wijsheidstraditie kunnen we in culturen over de hele wereld vinden. Door de geschiedenis heen zijn er altijd wijzen en zieners geweest met een dieper besef van de werkelijkheid van de dingen, en hun wijsheid is vastgelegd in talloze heilige teksten en filosofische geschriften. In 1875 gaven de stichters van The Theosophical Society aan deze traditie een nieuwe impuls.

De belangrijkste stichters waren Helena Blavatsky, Henry S. Olcott en William Q. Judge, en door hun inspanningen werd de Society een wereldwijde organisatie. Het achterliggende doel van de Society is het bevorderen van het denkbeeld van universele broederschap. Door het bestuderen van oude en hedendaagse religie, wetenschap en filosofie, en van de mysteries van de latente vermogens van de mens, werkt de Theosophical Society eraan om de essentiële eenheid van al wat leeft aan te tonen.

Er zijn drie basisbeginselen in de theosofie die de drie grondstellingen worden genoemd. De meest bekende is misschien wel de derde grondstelling die betrekking heeft op de essentiële eenheid van het bestaan. Deze stelt dat alle levensvormen in essentie geestelijke wezens zijn die voortkomen uit dezelfde goddelijke bron. Allemaal ontwikkelen ze hun latente geestelijke vermogens, allemaal maken ze deel uit van een levend universum, en het welzijn van het geheel hangt af van het welzijn van elk deel. Hoeveel we ook van andere wezens in de fysieke wereld schijnen te verschillen, ieder van ons heeft dezelfde vonk van goddelijkheid in zich. Het is deze band die ons een instinctief besef geeft van het grote mysterie van ons bestaan.

Hier, binnen het grote mysterie, bevindt zich de bron van een universeel verlangen: te ontdekken wie we werkelijk zijn. Iedere levensvorm wordt door het vermogen van dit verlangen op elk niveau van ‘zijn’ getransformeerd. Van het etherische tot het fysieke, van geest tot stof, werkt deze transformatie via cyclussen van leven en ontwikkeling, trekt zich terug naar de bron, en manifesteert zich opnieuw om onze evolutie voort te zetten. Deze cyclische eigenschap van het leven wordt de tweede grondstelling genoemd.

Het proces van ‘het Ene dat het vele wordt’ betekent dat het bewustzijn wordt geordend tot een groot aantal patronen en toestanden. Al deze vormen worden volledig doordrongen door het ondoorgrondelijke beginsel achter het bewustzijn zelf, onvoorwaardelijk en onveranderlijk, oneindig en eeuwig. Als eerste grondstelling gaat het elk denkbeeld te boven en overstijgt het alles wat bestaat. Het kan nooit worden omschreven en toch zijn er namen aan gegeven die ons vertellen wat het niet is – zoals het Onkenbare, de grote Leegte, de Oorzaakloze Oorzaak, en het Grenzeloze.

Deze drie begrippen – het Grenzeloze, het Ene en universele cyclussen – zijn allemaal ‘stellingen’. Ze worden onder onze aandacht gebracht zodat we erover kunnen nadenken. Ze worden niet voorgeschreven door een godsdienst of een gezaghebbende instantie om vervolgens door ons zonder meer te worden aanvaard. Hoe vreemd het ook mag klinken, theosofische denkbeelden zijn bedoeld om er vraagtekens bij te plaatsen. De wijsheidstraditie heeft zelfs een axioma dat de waarheid toetst: ‘zo boven, zo beneden’. Dit maakt het voor ieder van ons mogelijk onze eigen ervaring te gebruiken om de redelijkheid van elke filosofie te onderzoeken, omdat er een overeenkomst is tussen het universum en ieder mens. Als een filosofische leer ons helpt begrijpen hoe de natuur als geheel werkt, zou het ons ook inzicht moeten geven in wat er in ons leven gebeurt. Bovendien kunnen we deze inzichten toetsen door ze in praktijk te brengen, en dan wordt het leven zelf de leraar.

Stel u voor dat we het beginsel van eenheid willen onderzoeken – dat er een geestelijke werkelijkheid is die ons allen verbindt, en dat het evenwicht in de natuur als geheel afhangt van hoe we denken en handelen. Als we proberen in overeenstemming met deze denkbeelden te leven, beginnen we naar ons eigen gedrag te kijken en uiteindelijk stellen we vragen die onszelf betreffen: Wanneer we met de natuur meewerken voor het welzijn van het geheel, wat ervaren we dan? Wanneer we goed erop letten hoe wij met het leven omgaan, hoe gaat het leven dan om met ons? En wat gebeurt er als we onverschillig zijn, als we tegen de natuur in werken, als we alleen aan onze eigen belangen denken?

Dit soort zelfonderzoek kan letterlijk de ziener in ons wakker maken door ons een groter besef van de werkelijkheid te geven. We zijn ons bewust dat alles wat we met onze fysieke ogen zien ook op andere niveaus bestaat, en dit verandert onze hele visie over het leven. Met onze verbeelding en intuïtie kunnen we werelden in werelden zien die allemaal samen een onderling afhankelijk geheel vormen. We weten dat we een deel van dat geheel zijn, dat deze werelden binnenin ons zijn, en dat ieder van ons een groot mysterie is. Als we eenmaal worden aangetrokken door de microkosmos van onze eigen natuur, geeft dit ons inzicht in de macrokosmos van het universum. We beseffen dat geen enkele autoriteit buiten ons de plaats kan innemen van wat het leven ons kan leren. Zelfs als we de signalen verkeerd interpreteren, fouten maken en tegen de natuur in werken – leren we veel meer van de levenslessen dan van welke andere informatiebron ook.

Uiteindelijk kan elke ervaring ons iets vertellen over wie we zijn. Als we vertrouwen hebben in het proces van de door onszelf geleide evolutie, ontdekken we dat we zelf deel uitmaken van de wijsheidstraditie. Onze identiteit wordt ontsluierd door de cyclussen van het heelal. Wij zijn het Ene. En op een manier die altijd een mysterie zal blijven, zijn wij het Grenzeloze.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency