Ieder volk heeft de heilige opdracht van het goddelijke in het diepst
van zijn hart gedragen. Is het niet vreemd dat hoewel we dit wonderbaarlijke
erfgoed in ons dragen, we ons soms toch ‘van de goden verlaten’
voelen, alsof de schakel die ons met onze goddelijke bron verbindt is
verzwakt en we niet langer ervan op aan kunnen? Wij zijn niet de eerste
beschaving die het gevoel heeft het spoor bijster te zijn geraakt en
die in verwarring verkeert, en ook zullen we niet de laatste zijn, maar
dit betekent niet dat er geen remedie is. Hulp is altijd binnen ons
bereik geweest: we kunnen ons hele wezen verbinden met de opbouwende
energieën van het universum, en weigeren bij gebrek aan beter –
en zeker nooit met opzet – de vernietigende krachten te versterken
die altijd op de loer liggen om een aanval op onze besluiteloze ziel
te doen.
Waarschijnlijk heeft iedereen wel eens ervaren dat wanneer we besluiten
onze denkgewoonten te veranderen, alles en iedereen tegen ons lijkt
samen te zweren. Dit is onvermijdelijk, want de intensiteit van onze
aspiratie daagt de goden uit die ‘jaloers’ zijn op ons mensen
die zich onvoorbereid in hun domein wagen. Alleen zij die zichzelf al
bijna tot het goddelijke hebben verheven mogen daar binnengaan. En omdat
de goden in diepste zin onszelf zijn, kan het gebeuren dat de reactie
op onze opdringerige eisen een lawine van onuitgewerkt karma uit vroegere
levens losmaakt. Dit kan voor het persoonlijke zelf schokkend zijn,
maar niet voor dat deel van ons dat innerlijk weet dat we ernaar
hebben verlangd tot de grens van ons uithoudingsvermogen op de proef
te worden gesteld.
Het hogere zelf is onze werkelijke leraar, onze innerlijke
boeddha. Dit is een aloude waarheid: ze legt de verantwoordelijkheid
voor groei, voor innerlijke vooruitgang regelrecht bij onszelf. We hebben
ons geknoei aan niemand anders dan onszelf te wijten, er is niemand
op wie we onze last kunnen afwentelen. Wij zijn het die onszelf wakker
maken, wij zijn onze eigen verlosser, want wij zijn de stappen
die we moeten zetten op onze reis en de waarheid waarnaar we zo verlangen.
Toch voelen maar weinigen onder ons zich voldoende toegerust om aan
de eisen van onze dharma te voldoen, of om de zelfdiscipline op te brengen
om met gelijkmoedigheid de invloed van ons dagelijkse karma te ondergaan.
Vertrouwen is de sleutel: vertrouwen hebben in karma betekent vertrouwen
hebben in onszelf en erop vertrouwen dat we over de innerlijke middelen
beschikken om te reageren op wat ons ook overkomt. Wanneer we eenmaal
de keuze hebben gemaakt om zorgvuldig te leven, is er geen weg terug.
Er wordt echter niet van ons verlangd dat we meer dan één
stap tegelijk nemen; dit is onze bescherming, want door de uitdagingen
van het leven een voor een tegemoet te treden verzamelen we voor elke
dag voldoende kracht en wijsheid.
Als we eenmaal het feit begrijpen dat wij het pad zijn dat
vóór ons ligt, zullen we nooit meer die schrijnende eenzaamheid
van de wanhoop kennen, want we zullen, hoe vluchtig dan ook, in contact
zijn gekomen met onze lichtbron. Als perioden van moedeloosheid zich
weer zouden voordoen, hoeven die ons niet sterk in hun greep te krijgen,
want een deel van ons blijft, omdat het zich in het gezelschap van het
hogere zelf heeft begeven, in verbinding met de grotere broederschap
van de geest waarmee iedere aspirant op het pad in contact komt. Naargelang
we onze boeddhanatuur toestaan ons gewone zelf te verlichten, zal het
Tathāgata-licht, de Christos-zon, ons wezen en het pad dat zich
vóór ons uitstrekt verlichten. Omdat we één
mensheid zijn, zal het verlichte pad van één enkel individu
het pad voor alle anderen evenzeer helderder maken.
Iedere aspiratie moet door zelfdiscipline kracht worden bijgezet. Tegenwoordig
spannen mensen hun ziel tot het uiterste in en verlangen ernaar boven
hun gewone kleine zelf uit te stijgen en vangen een glimp op van een
visioen van wat zich daarachter en daarbinnen bevindt. Velen van ons
zijn echter zo vervuld van hun eigen ideeën van waar het in het
leven om gaat dat we lijken op de leerling die op zoek naar kennis naar
een zenmonnik toeging. ‘Leer me, roshi, wat zen is.’ De
zenmeester nodigde hem uit voor de thee. Hij begon thee in een kom te
schenken, en schonk en schonk en schonk totdat de leerling zich niet
langer kon beheersen en bijna schreeuwde: ‘Maar de kom is vol.
Ziet u dat niet?’ De roshi zei kalm: ‘Zo is het ook met
je geest. Je bent zo vervuld van je eigen ideeën en opvattingen
dat er geen plaats meer is voor zelfs maar één druppel
wijsheid. Maak jezelf leeg, verwijder al je vooropgezette meningen,
verwijder alle ongepaste gedachten en gevoelens uit je hart en je ziel,
en een overvloed van kennis zal je ten deel vallen.’
Ieder van ons weet wat onszelf onwaardig is. Het is een soort zuivering
om ernaar te streven de ongetemde neigingen in ons karakter te verzachten,
een loutering die we iedere dag kunnen ondergaan. Dit bedoelde Paulus
toen hij tegen de Corinthiërs zei, ‘ik sterf elke dag’
(I 15:31) – hij streefde ernaar elke dag innerlijk ‘herboren’
te worden. Dit is de ‘dagelijkse inwijding’ – het
leven zelf, met zijn vele vreugden en zorgen. Beide houden verzoekingen
en beproevingen in, waarbij de zogenaamd gelukkige omstandigheden vaak
moeilijker zijn te hanteren dan de dagelijkse frustraties en teleurstellingen.
Door de voortdurende eis die aan ons wordt gesteld om te kiezen tussen
het grotere en het mindere, het zelfloze en het op het zelf gerichte,
komen we tegenover onszelf te staan.
Het is een kwestie van terugkeren tot de grondbeginselen: we beginnen
van binnenuit, vanuit ons diepste zelf. Wat is werkelijk ons motief?
We hebben de neiging inwijding te beschouwen als iets dat ver afstaat
van de dagelijkse gebeurtenissen, maar iedere keer wanneer we een zwakheid
overwinnen, iedere keer dat we de moed hebben onszelf te zien zoals
we zijn, wordt ons lagere zelf door ons hogere zelf getest; we stellen
de kracht van ons karakter op de proef. ‘Vuur beproeft goud, sterke
zielen worden door tegenslagen op de proef gesteld’ schreef de
Romeinse staatsman en filosoof Seneca in de eerste eeuw van onze jaartelling.
Elke vorm van intens lijden, vooral wanneer we dat zelf hebben veroorzaakt
– door zwakte van de wil, emotionele onevenwichtigheid, of door
gevangen te zijn in een draaikolk van gedachten van een niveau dat onder
onze individuele innerlijke maatstaven ligt – kan een inwijdingservaring
worden. Het woord initiatie [inwijding] betekent een ‘begin’,
het bewust beginnen aan een nieuwe bladzijde in ons Levensboek. Wanneer
we zijn doorgedrongen in de duisternis van onze individuele hel en eruit
zijn getreden in het licht van ons stralende zelf, in staat om aan de
eisen daarvan te voldoen, is dit een soort inwijding.
Wanneer we innerlijk een bepaalde positie innemen, zijn we vooraf gewapend
tegen alles wat op ons pad komt; als we dat niet doen, zijn we onvoorbereid
om op verantwoorde wijze te handelen als we met werkelijk ernstige uitdagingen
worden geconfronteerd. Om het wiel als metafoor te gebruiken: door in
gedachte en streven zo dicht mogelijk bij de naaf van ons wezen te leven,
zal het draaiende wiel van karma ons niet verpletteren; maar als ons
leven zich op de rand of omtrek van ons wezen afspeelt, lopen we het
risico onder het karmische wiel te worden vermorzeld. Dit kan gebeuren
en gebeurt in feite vaker dan nodig is; en het is wreed om daarvan getuige
te zijn – en om het te ervaren. Niettemin leren we lessen van
nederigheid en mededogen die van onschatbare waarde zijn: niet alleen
leveren deze een immens voordeel op, maar hopelijk worden we door dit
alles gevoelig genoeg om anderen te helpen inzien dat als zij langs
de spaak van hun wezen opstijgen naar hun eigen naaf, zij leiding, kracht
en een licht op hun pad zullen vinden. Een van onze edelste kansen is
aan onze medemensen het vertrouwen te geven dat, hoe zwak we misschien
ook zijn of denken te zijn, ieder van ons voldoende kracht heeft om
ons leven op een eerbare, bedachtzame en zelfgedisciplineerde wijze
te leiden. We moeten het mogelijk maken dat ons hogere zelf de verantwoordelijkheid
op zich neemt voor de bestemming van ons leven. Kunnen we iemand een
groter geschenk geven dan de verzekering dat hij alles in zich heeft
wat nodig is om, met opgeheven hoofd, zijn karma tegemoet te treden,
hoe vaak hij ook onderuitgaat? We zijn niet alleen in onze strijd. Iedereen
heeft een of ander kruis te dragen, een karakterzwakheid die moet worden
overwonnen; evenzo heeft iedereen zijn of haar sterke punten om op te
vertrouwen. Eenvoudig gezegd: als we de standvastigheid hebben om vol
te houden, hoe vaak we ook struikelen of hoe diep we ook vallen, bestaat
er geen mislukking, alleen triomf.
We zijn transcendente wezens, kosmisch in vermogen, en we gebruiken
menselijke voertuigen voor de groei en uitbreiding van ons bewustzijn.
Iedere man, iedere vrouw en ieder kind is hier op aarde als gevolg van
eonen van ervaring, en ieder van ons komt in dit leven op aarde als
een oude ziel met een goddelijk doel. Er is geen enkele ervaring of
plicht die niet kan worden bekeken met de ogen van ons kosmische zelf.
Dit plaatst onze ervaring hier op aarde in een totaal nieuw perspectief.
Voortaan weten we dat we, wat de omstandigheden ook zijn, ons nooit
door karma hoeven te laten ontmoedigen omdat het langetermijnperspectief
van vele levens ons overtuigend eraan herinnert dat de hulpbronnen waaruit
we kunnen putten onbeperkt zijn.
De natuur vraagt het uiterste van haar kinderen om al hun potentiële
vermogens tot bloei te brengen. Ieder moment, dag in dag uit, dragen
wij mensen met onze wonderbaarlijke mentale en intuïtieve vermogens
bij aan hetzij het welzijn òf het onheil van de mensheid, en
door zo te handelen laten we onze indruk achter op de noumenale of oorzakelijke
gebieden. Natuurlijk zou niemand van zichzelf of van een ander volmaaktheid
moeten verwachten. Ons doel is niet om zelfvolmaking te bereiken; het
gaat veeleer erom te trachten het leven van dienstbaarheid na te volgen
van hen die telkens weer naar voren treden als lichtbrengers die ons
opnieuw de oude wijsheidsleringen brengen. Wat onze rol ook is –
arbeider, huisvrouw, of iemand met een leidinggevende functie –
wanneer we het beste van onszelf geven om onze bijzondere dharma te
vervullen voor de vooruitgang van het geheel, komen onze zwakke punten
op de tweede plaats. We moeten ze nog steeds aanpakken, maar er is geen
reden er buitensporig veel aandacht aan te besteden.
Wij en de hele mensheid dienen ons bewustzijn te verheffen boven dat
wat ontbinding en afbraak van het creatieve en constructieve deel van
onze natuur teweegbrengt. De meest effectieve manier om te groeien is
onszelf te vergeten terwijl we bezig zijn met onze verantwoordelijkheden.
Dit klinkt nogal gewoon, en toch werkt het, want als we helemaal opgaan
in het aandacht schenken aan de vóór ons liggende taak,
zetten we zolang we daarmee bezig zijn onze zorgen automatisch opzij.
Als we weer bij onze zorgen terugkomen, blijkt vaak tot onze verrassing
dat we een helderder kijk hebben op de benadering van het probleem.
In het oude India drong Patañjali in zijn Yoga Sūtra’s
aan op beheersing van het denken en de myriaden gedachten en beelden
die, of we het willen of niet, door ons bewustzijn trekken: als we de
vloeistof van onze geest in een vat schenken, neemt de geest die vorm
aan, waarmee hij aangeeft dat we moeten opletten waar we onze aandacht
op richten. Een soortgelijke gedachte wordt toegeschreven aan een andere
wijze uit het oude India, Yāska: ‘Naar welk lichaam (of
vorm) een goddelijk wezen ook verlangt, juist dat lichaam (of die vorm)
wordt het goddelijke wezen.’ Onvermijdelijk zal ons bewustzijn
in het vat van die gedachte of emotie vloeien waarmee we de grootste
affiniteit hebben. Om onze huidige normen aan te passen en uit te breiden,
moeten we de bestaande vaten aanpassen en vergroten, of eruit breken.
Dit vraagt moed en wilskracht. Naarmate we onszelf openstellen voor
het innerlijke licht, stroomt dat licht door ons heen. Zoals iedereen
op zijn of haar eigen manier een lichtdrager is, zo brengt iedereen
bij wie de vlam van broederschap in zijn of haar hart brandt hoop en
moed aan deze wereld.
Als we boven het hersenverstand uitstijgen naar het hart van degenen
met wie we van mening verschillen, treedt er bij beide partijen een
uitwisseling van gevoelens en standpunten op, en het duurt niet lang
of we kunnen zelfs de meest lastige situatie oplossen. Zo gaat het in
onze gewone omgang met onze familie of op ons werk: als we spontaan
een beroep doen op de grootsheid van de ander vanuit de grootsheid van
onszelf, zijn we van nature helderziend en herkennen we elkaars innerlijke
behoeften. Deze werkwijze houdt schoonheid en magie in, want we worden
geholpen door de natuur zelf. Zoals Katherine Tingley ons herinnert:
Onze kracht ligt in een positieve houding; in een
voortdurend gevoel van vreugde in ons hart; in een aanhoudende meditatie
over alle grootse gedachten die zich voordoen tot we ze begrijpen
en ons eigen hebben gemaakt; in een meditatie in onze verbeelding
over het toekomstige leven van de mensheid en de grootsheid daarvan;
in het zich bezighouden met de broederschapsgedachte
– Theosofie: Het Pad
van de Mysticus, blz. 22
Deze rondzwevende grootse ideeën die voortdurend in en door het
denkbewustzijn van de mensheid circuleren zijn de bron van onze ingeboren
wijsheid. We hoeven ze alleen maar terug te winnen, ons deze ingeboren
wijsheid te herinneren, en ze zullen onze bron van inspiratie zijn.
Ieder mens heeft volledig recht op zijn eigen wijze van voelen en denken,
op zijn eigen eigenaardigheden. We moeten elkaars innerlijke kwaliteit
evenzeer respecteren als dat we willen dat de onze wordt gerespecteerd.
De meest duurzame bijdrage die we kunnen leveren om tot de erkenning
te komen van de waardigheid van ieder mens is ongetwijfeld door in stilte
in onze eigen ziel te beginnen. Iedere persoon die werkelijk voelt dat
ieder ander individu niet alleen zijn broeder is, maar werkelijk hemzelf,
voegt zijn aandeel aan spirituele kracht toe aan de morele invloed van
het broederschapsideaal. We zijn niet gescheiden – we
zijn één levensgolf, één menselijke familie.
Hoe en waar moeten we beginnen? Ieder van ons heeft verantwoordelijkheden,
thuis en op zijn werk. Deze gaan voor: we zijn onze familie alles schuldig
wat we aan liefde, toewijding, intelligentie en steun kunnen geven.
We accepteren iedere dag en vertrouwen erop dat we het karma ervan voldoende
duidelijk kunnen lezen om op de juiste wijze verder te gaan. Alles begint
als een zaad. Maar het wonder is dat in het zaad het patroon van de
boom al aanwezig is. Iedere groeifase heeft zijn blauwdruk in de zaadessentie,
in de onzichtbare ruimte in het hart, die zowel in de kern van een ster
als in die van een atoom verblijft. We moeten ieder moment ten volle
leven en iedere persoon en elke kleine situatie de heelheid
van ons hart en ons denken schenken zodat alleen de zuiverste en meest
waarachtige kwaliteit van karma tot uiting zal komen. Alleen dan kunnen
we reageren op de innerlijke roep van elk individu of iedere gebeurtenis.
Zo vermijdt men niet alleen spijt of het gevoel een ander door onoplettendheid
of onnadenkendheid te hebben teleurgesteld, maar er zou uitsluitend
een constructieve, bezielende energie stromen tussen ons en degenen
met wie we omgaan. Als we het werkelijke bestaan van gedachten en hun
circulatie in het astrale licht in gedachte houden, en als ieder van
ons op gewetensvolle wijze zijn hele hart zou geven aan ieder moment
van iedere dag en vasthoudt aan het ideaal van dienstbaarheid, zou het
geestelijke en mentale bewustzijn van de mensheid door licht worden
beroerd.