De mensheid bestaat uit mensen
Jean B. Crabbendam

 

De doeleinden waarnaar wijzen en leraren door de eeuwen heen hebben verwezen, inspireren en ontmoedigen ons soms tegelijkertijd. We kennen onszelf redelijk goed; we zien in hoe ver we van die toppen van geestelijke verworvenheden af staan. Een oud verhaal vertelt over een jonge kandidaat die vroeg: ‘Zeg me alstublieft, loopt het Pad tot het einde toe omhoog?’ We voelen ons een beetje zoals hij toen het antwoord kwam: ‘Ja, mijn zoon, tot het einde toe.’ Maar er zijn tekenen die we over het hoofd zien. Door hun voorbeeld van de leer die ze naar voren brengen, en door universele beginselen zichtbaar te maken door ze in hun leven tot uitdrukking te brengen, onthullen de zieners en gidsen van de mensheid een manier van denken en voelen die in ons dagelijkse leven veel nuttiger kan zijn dan de uitgebreide kennis die we misschien vergaren uit een nauwkeurig onderzoek van metafysische ideologieën.

Wie van ons vindt het bijvoorbeeld niet hinderlijk om bij ons werk herhaaldelijk te worden onderbroken? Als we midden in werk zitten dat we belangrijk vinden – werk dat bovendien af moet – en plotseling gaat de telefoon of klopt iemand aan de deur, wat gebeurt er dan? Misschien wil men alleen maar een gezellig praatje maken. Gaat onze irritatie dan niet gemakkelijk alle grenzen te buiten? We kunnen zelfs onbeleefd worden in onze pogingen van die vervelende belemmering af te komen, en onze handelwijze rechtvaardigen door het belang aan te geven van de taak waarmee we bezig zijn. Maar hebben we wel gelijk?

Porphyrius heeft met enige verbazing beschreven hoe Plotinus zich in deze bekende situatie gedroeg. In de lange en eentonige uren dat hij zijn filosofische ideeën opschreef, en nadacht terwijl hij verderging, kreeg hij een aanhoudende stroom bezoekers – geen belangrijke figuren maar mensen die in het algemeen helemaal geen essentiële zaken met hem hadden te bespreken. In zijn plaats zouden de meesten van ons besluiten dat hun oppervlakkige bezoek een zeer belangrijke taak hinderde en hen zo spoedig mogelijk wegsturen. Maar Plotinus ging niet zo te werk. Hij legde zijn pen neer, begroette ze allemaal vriendelijk, schonk hun zijn aandacht zolang ze dat wensten en ging daarna pas weer aan het werk. Het was duidelijk dat zijn gasten, wie ze ook waren, zoals hij het zag altijd zijn directe plicht betekenden; de verhandeling kon wel wachten.

Jezus werd berispt omdat hij hulp en troost had gegeven aan verschillende mensen die volgens zijn volgelingen zijn aandacht en zorg niet waard waren. We kennen allemaal zijn reactie: niemand werd ooit weggestuurd. En als we de biografische feiten van andere leraren en wijzen konden vinden, zouden we ongetwijfeld ontdekken dat ieder op zijn of haar eigen manier het belang zou benadrukken van ons verband met iedereen die we in het dagelijks leven ontmoeten.

Jaren geleden las ik deze woorden van William Q. Judge:

Je houdt er niet van te worden gestoord. Je hebt besloten om over een nuttig onderwerp te gaan zitten schrijven of lezen. Er komt iemand langs die toevallig een zeurpiet is in de gangbare betekenis, of die je persoonlijk niet aanstaat. Ten eerste wens je het geplande doel niet op te geven en ten tweede houd je er niet van te worden verveeld. Beide zijn zuiver persoonlijk. In dit geval – tenzij natuurlijk een dringende verplichting aan anderen van je eist door te gaan – moet je ogenblikkelijk het persoonlijke zelf onder controle brengen door op te houden met lezen, schrijven of wat het ook is, en aandacht schenken aan de behoeften van de ander. Natuurlijk moet gezond verstand worden gebruikt. Maar er zal iedere dag en op elke plaats gelegenheid na gelegenheid zijn om je hierin te trainen. Het betekent het opgeven van jezelf.     – Echoes of the Orient, 3:455

Dit korte fragment, bijna voor de vuist weg geschreven, gaf me een grote schok, want het advies was precies het tegenovergestelde van mijn eigen opvatting en gedrag. Ik besloot het uit te proberen. Het inzicht, verworven door uitwisseling van ideeën, problemen en reacties in algemene gesprekken met iedereen die naar me toekwam – die ik innerlijk niet meer wegstuur – bleek een geschenk van onschatbare waarde, om nog te zwijgen over de vrijheid door verlost te zijn van gevoelens van hevige frustratie.

Wat heeft dit te maken met religie en filosofie? Misschien veel meer dan we beseffen. Ieder religieus gedachtestelsel vraagt dat we onvoorwaardelijk vertrouwen stellen in een alwetend Beginsel of in Goddelijke Intelligentie, in God of een aspect van God. Dit houdt in dat alles betekenis heeft, waaronder de gebeurtenissen die ieder levend wezen in het heelal overkomen, van moment tot moment, van eeuw tot eeuw. We zijn geneigd te zeggen ‘Het was geluk of toeval’ om iets weg te redeneren dat we niet begrijpen – maar iedereen weet dat dit een handige manier is om toe te geven: ‘Ik weet het niet.’

Als ons heelal een universum van kosmische wet en orde is (en bewijsmateriaal steunt deze theorie) dan kunnen er geen toevallige gebeurtenissen bestaan; ieder contact dat we met andere mensen hebben, heeft een bedoeling, wanneer en waar dit ook plaatsvindt. Er bestaan buitengewoon subtiele stromen die een rol spelen in de sfeer van persoonlijke verhoudingen. Een ‘toevallige’ opmerking door een vriend of een vreemde heeft de macht de loop van ons leven te veranderen. Maar is dit toeval? Of roepen we door een innerlijk verlangen, aan onszelf onbekend, bij die andere persoon precies op wat we nodig hebben om aan die behoefte te voldoen? En geven we onbewust ook aan anderen een nieuwe zienswijze die hen precies op het juiste moment zal helpen?

Er is ons gezegd: ‘Zoek en u zult vinden.’ Mogelijk zoeken we te ver van huis, in de veronderstelling dat spiritueel inzicht alleen met donderende trommels en trompetstoten komt. Zou verlichting niet net zo goed kunnen komen in de milde wijsheid van een opmerking van een kind, uit de beproevingen van een buurman, door het zien van een voorbeeld van menselijke moed? Dit zijn slechts kleinigheden, maar de volheid van ons leven bestaat juist uit zulke kleine momenten van bewuste gewaarwording. Afgezien van het feit dat we het voortdurend springen van de ene crisis naar de andere niet lang zouden volhouden, verzamelen we juist in de tussenliggende rustige tijden de kracht en vinden we dan het evenwicht om wat op ons afkomt gelijkmoedig tegemoet te treden, ongeacht de omvang ervan. En de kwaliteit van onze relaties met anderen speelt daarin een belangrijke rol.

We hebben de neiging ons mentaal zo bezig te houden met de technische ingewikkeldheden van religieuze en filosofische leringen dat we veel grondbeginselen die ons de noodzakelijke antwoorden voor een succesvolle levenswijze kunnen verschaffen, grotendeels negeren of afdoen als alleen maar ethiek. De vaak te zwak weergegeven leer betreffende de werkelijkheid van de innerlijke banden die de mensheid verenigen is daarvan een voorbeeld. Maar zouden we niet een heel leven kunnen besteden aan het nadenken over wat de mooie woorden ‘Heb elkaar lief’ inhouden?

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency