De doeleinden waarnaar wijzen en leraren door de eeuwen heen hebben
verwezen, inspireren en ontmoedigen ons soms tegelijkertijd. We kennen
onszelf redelijk goed; we zien in hoe ver we van die toppen van geestelijke
verworvenheden af staan. Een oud verhaal vertelt over een jonge kandidaat
die vroeg: ‘Zeg me alstublieft, loopt het Pad tot het einde toe
omhoog?’ We voelen ons een beetje zoals hij toen het antwoord
kwam: ‘Ja, mijn zoon, tot het einde toe.’ Maar er zijn tekenen
die we over het hoofd zien. Door hun voorbeeld van de leer die ze naar
voren brengen, en door universele beginselen zichtbaar te maken door
ze in hun leven tot uitdrukking te brengen, onthullen de zieners en
gidsen van de mensheid een manier van denken en voelen die in ons dagelijkse
leven veel nuttiger kan zijn dan de uitgebreide kennis die we misschien
vergaren uit een nauwkeurig onderzoek van metafysische ideologieën.
Wie van ons vindt het bijvoorbeeld niet hinderlijk om bij ons werk herhaaldelijk
te worden onderbroken? Als we midden in werk zitten dat we belangrijk
vinden – werk dat bovendien af moet – en plotseling gaat
de telefoon of klopt iemand aan de deur, wat gebeurt er dan? Misschien
wil men alleen maar een gezellig praatje maken. Gaat onze irritatie
dan niet gemakkelijk alle grenzen te buiten? We kunnen zelfs onbeleefd
worden in onze pogingen van die vervelende belemmering af te komen,
en onze handelwijze rechtvaardigen door het belang aan te geven van
de taak waarmee we bezig zijn. Maar hebben we wel gelijk?
Porphyrius heeft met enige verbazing beschreven hoe Plotinus zich in
deze bekende situatie gedroeg. In de lange en eentonige uren dat hij
zijn filosofische ideeën opschreef, en nadacht terwijl hij verderging,
kreeg hij een aanhoudende stroom bezoekers – geen belangrijke
figuren maar mensen die in het algemeen helemaal geen essentiële
zaken met hem hadden te bespreken. In zijn plaats zouden de meesten
van ons besluiten dat hun oppervlakkige bezoek een zeer belangrijke
taak hinderde en hen zo spoedig mogelijk wegsturen. Maar Plotinus ging
niet zo te werk. Hij legde zijn pen neer, begroette ze allemaal vriendelijk,
schonk hun zijn aandacht zolang ze dat wensten en ging daarna pas weer
aan het werk. Het was duidelijk dat zijn gasten, wie ze ook waren, zoals
hij het zag altijd zijn directe plicht betekenden; de verhandeling kon
wel wachten.
Jezus werd berispt omdat hij hulp en troost had gegeven aan verschillende
mensen die volgens zijn volgelingen zijn aandacht en zorg niet waard
waren. We kennen allemaal zijn reactie: niemand werd ooit weggestuurd.
En als we de biografische feiten van andere leraren en wijzen konden
vinden, zouden we ongetwijfeld ontdekken dat ieder op zijn of haar eigen
manier het belang zou benadrukken van ons verband met iedereen die we
in het dagelijks leven ontmoeten.
Jaren geleden las ik deze woorden van William Q. Judge:
Je houdt er niet van te worden gestoord. Je hebt besloten om over
een nuttig onderwerp te gaan zitten schrijven of lezen. Er komt iemand
langs die toevallig een zeurpiet is in de gangbare betekenis, of die
je persoonlijk niet aanstaat. Ten eerste wens je het geplande doel
niet op te geven en ten tweede houd je er niet van te worden verveeld.
Beide zijn zuiver persoonlijk. In dit geval – tenzij natuurlijk
een dringende verplichting aan anderen van je eist door te gaan –
moet je ogenblikkelijk het persoonlijke zelf onder controle brengen
door op te houden met lezen, schrijven of wat het ook is, en aandacht
schenken aan de behoeften van de ander. Natuurlijk moet gezond verstand
worden gebruikt. Maar er zal iedere dag en op elke plaats gelegenheid
na gelegenheid zijn om je hierin te trainen. Het betekent het opgeven
van jezelf. – Echoes of the Orient,
3:455
Dit korte fragment, bijna voor de vuist weg geschreven, gaf me een
grote schok, want het advies was precies het tegenovergestelde van mijn
eigen opvatting en gedrag. Ik besloot het uit te proberen. Het inzicht,
verworven door uitwisseling van ideeën, problemen en reacties in
algemene gesprekken met iedereen die naar me toekwam – die ik
innerlijk niet meer wegstuur – bleek een geschenk van onschatbare
waarde, om nog te zwijgen over de vrijheid door verlost te zijn van
gevoelens van hevige frustratie.
Wat heeft dit te maken met religie en filosofie? Misschien veel meer
dan we beseffen. Ieder religieus gedachtestelsel vraagt dat we onvoorwaardelijk
vertrouwen stellen in een alwetend Beginsel of in Goddelijke Intelligentie,
in God of een aspect van God. Dit houdt in dat alles betekenis heeft,
waaronder de gebeurtenissen die ieder levend wezen in het heelal overkomen,
van moment tot moment, van eeuw tot eeuw. We zijn geneigd te zeggen
‘Het was geluk of toeval’ om iets weg te redeneren dat we
niet begrijpen – maar iedereen weet dat dit een handige manier
is om toe te geven: ‘Ik weet het niet.’
Als ons heelal een universum van kosmische wet en orde is (en bewijsmateriaal
steunt deze theorie) dan kunnen er geen toevallige gebeurtenissen bestaan;
ieder contact dat we met andere mensen hebben, heeft een bedoeling,
wanneer en waar dit ook plaatsvindt. Er bestaan buitengewoon subtiele
stromen die een rol spelen in de sfeer van persoonlijke verhoudingen.
Een ‘toevallige’ opmerking door een vriend of een vreemde
heeft de macht de loop van ons leven te veranderen. Maar is dit toeval?
Of roepen we door een innerlijk verlangen, aan onszelf onbekend, bij
die andere persoon precies op wat we nodig hebben om aan die behoefte
te voldoen? En geven we onbewust ook aan anderen een nieuwe zienswijze
die hen precies op het juiste moment zal helpen?
Er is ons gezegd: ‘Zoek en u zult vinden.’ Mogelijk zoeken
we te ver van huis, in de veronderstelling dat spiritueel inzicht alleen
met donderende trommels en trompetstoten komt. Zou verlichting niet
net zo goed kunnen komen in de milde wijsheid van een opmerking van
een kind, uit de beproevingen van een buurman, door het zien van een
voorbeeld van menselijke moed? Dit zijn slechts kleinigheden, maar de
volheid van ons leven bestaat juist uit zulke kleine momenten van bewuste
gewaarwording. Afgezien van het feit dat we het voortdurend springen
van de ene crisis naar de andere niet lang zouden volhouden, verzamelen
we juist in de tussenliggende rustige tijden de kracht en vinden we
dan het evenwicht om wat op ons afkomt gelijkmoedig tegemoet te treden,
ongeacht de omvang ervan. En de kwaliteit van onze relaties met anderen
speelt daarin een belangrijke rol.
We hebben de neiging ons mentaal zo bezig te houden met de technische
ingewikkeldheden van religieuze en filosofische leringen dat we veel
grondbeginselen die ons de noodzakelijke antwoorden voor een succesvolle
levenswijze kunnen verschaffen, grotendeels negeren of afdoen als alleen
maar ethiek. De vaak te zwak weergegeven leer betreffende de werkelijkheid
van de innerlijke banden die de mensheid verenigen is daarvan een voorbeeld.
Maar zouden we niet een heel leven kunnen besteden aan het nadenken
over wat de mooie woorden ‘Heb elkaar lief’ inhouden?