*Lezing gehouden op de National Meeting van de
Britse Afdeling van de Theosophical Society, Manchester, 11 juni 2005.
Satyān nāsti paro dharmah: ‘Er is geen religie hoger
dan de waarheid.’ Dit is het motto van de Theosophical Society
dat staat op de titelpagina van H.P. Blavatsky’s Geheime Leer.
Laten we deze spreuk iets meer analyseren, want termen zoals waarheid
en religie hebben voor verschillende mensen verschillende betekenisnuances.
‘Waarheid’, satya, komt van de wortel as
‘zijn’, en betekent ‘dat wat is’, ‘werkelijkheid’,
of ‘natuur’; nāsti is een samentrekking van
na ‘niet’ en asti, ‘er is’;
paro dharmah betekent ‘hoger dan dharma’. Dharma
komt van de werkwoordswortel dhri, ‘houden, dragen, handhaven,
beoefenen’, dus ‘zich op een bepaalde manier gedragen’.
In gevestigde tradities ging dharma betekenen ‘voorgeschreven
gedrag, gebruikelijke regels’, en dus ‘religie’. Een
parafrase van het motto zou daarom kunnen zijn: De beste manier om zich
te gedragen is door in harmonie met de natuur te handelen.
In navolging van Cicero’s etymologische afleiding van het Latijnse
religio zegt G. de Purucker dat het woord religie
een zorgvuldige selectie betekent van fundamentele
overtuigingen en beweegredenen door het spirituele intellect, gevolgd
door een vreugdevol vasthouden aan die selectie, en dit alles resulteert
in een manier van leven die de bereikte overtuigingen in alle opzichten
volgt. Dit is de religieuze geest.
– De
Esoterische Traditie, blz. 10
Zowel in het motto van de Theosophical Society als in Puruckers definitie
wordt het woord religie op een tijdloze en universele manier gebruikt.
In deze opvatting vormt ze een onlosmakelijk deel van onze menselijke
activiteiten. ‘Zich gedragen in overeenstemming met de natuur’
of ‘het selecteren van de best mogelijke overtuigingen en motieven’
is een dynamisch proces. Naarmate ons begrip groeit, zal religie met
ons meegroeien en niet alleen alle mensen, maar ook alle andere wezens
omvatten, op aarde, in het zonnestelsel, in het hele universum. Religie
breidt zich dan met ons uit naarmate ons begrip van het heelal waarin
we leven blijft groeien. In verschillende landen en perioden worden
zulke opvattingen echter vaak tot vaste stelsels van geloofsovertuigingen
en dogma’s. Religie per se wordt dan een religie; ze
wordt statisch en legt alleen nadruk op bepaalde manieren om de waarheid
te benaderen. Soms wordt het vrije onderzoek van denkbeelden en feiten
beperkt of verboden en moeten de mensen voorgeschreven manieren en ceremoniën
volgen om hun religieuze gevoelens tot uitdrukking te brengen. Maar
een gezegde uit India, ‘De verschillende religies zijn niets anders
dan toegangspoorten van dezelfde stad’, wijst op het feit dat
de zoektocht naar waarheid geen blijvende belemmeringen toelaat.
Wat zou dan de beste manier zijn om zich in het leven te gedragen,
nu en in de toekomst? De 21ste eeuw is pas begonnen, en in dit tijdperk
is meer informatie vrij beschikbaar voor de mensheid dan gedurende duizenden
jaren, zowel in boeken als op internet. De toekomst ziet er goed uit
voor religie in haar ruime en universele betekenis. De verschillende
religies van de wereld kunnen nu worden bestudeerd, vergeleken en geanalyseerd.
Wanneer er zoveel religieuze en filosofische stelsels concurreren om
onze aandacht, laten we dan proberen door te dringen tot de kern van
elk van hen. Er kan maar één waarheid zijn – de
feiten van het heelal – hoewel de verwoording en interpretaties
ervan kunnen verschillen. Laten we dan proberen deze verschillende religieuze
stelsels met elkaar in overeenstemming te brengen. Ongeveer tweeduizend
jaar geleden had Ammonius Saccas in Alexandrië hetzelfde idee toen
hij zijn Eclectische School begon, en ideeën met elkaar verzoende
afkomstig uit India, van de Grieken, van het jodendom, en van de Hermetische
en andere tradities. H.P. Blavatsky zegt in dit verband:
De ‘wijsheid-religie’ was in de oudheid
één; en de gelijkheid van de oorspronkelijke religieuze
filosofie wordt ons bewezen door de identieke leringen die aan de
ingewijden werden gegeven tijdens de mysteriën,
een instelling die eens algemeen verspreid was. ‘Alle oude erediensten
wijzen op het bestaan van één theosofie die eraan voorafging.
De sleutel waarmee er één kon worden geopend, moet ze
alle ontsluiten, anders kan het niet de juiste sleutel zijn.’
(Eclect. Philo. [door Alexander Wilder])
– De
Sleutel tot de Theosofie, blz. 4
Wanneer in de Brief aan de Hebreeën over geloof wordt
gesproken, verwijst ze naar de Ouden, de grote wijzen van weleer: ‘geloof
is de werkelijkheid van de dingen waarnaar we verlangen [die intuïtief
worden onderscheiden], het overtuigt ons van de waarheid van wat we
niet zien. Om hun geloof werden de Ouden geprezen’ (11:1-2). Het
Griekse woord pistis, dat vertaald is met ‘geloof’,
verwijst niet naar blind geloof, maar naar een diepe instinctieve kennis.
Geloof en religie waren nooit bedoeld om blind te worden aangenomen
of overgenomen. Vaste uitdrukkingen van de waarheid hebben de neiging
fossielen te worden, waardoor ze de levende geest verliezen. Wat de
belangrijkste religies van de wereld gemeen hebben zal waarschijnlijk
blijven bestaan; de rituelen en ceremoniën waarin ze verschillen
zullen na verloop van tijd verdwijnen.
Wat is het verschil tussen de religie van de toekomst en de religie
van het verleden? In deze tijd zijn de mensen erg individualistisch,
wat zowel positieve als negatieve aspecten heeft. Het positieve aspect
is dat ze niet zo gemakkelijk lid zullen worden van organisaties waarin
mensen leunen op priesters of religieuze leiders; ze zullen niet blindelings
geloven in dit of dat denksysteem, maar zullen uit het erfgoed van de
mensheid die gedachten en ideeën selecteren waarbij ze zich thuis
en op hun gemak voelen. Idealiter betekent dit dat ze meer zullen steunen
op hun eigen innerlijke bronnen. Ze zullen leren om hun eigen innerlijke
licht te volgen, onafhankelijk te worden in hun onderzoek naar de waarheid.
Het negatieve aspect is dat individualisme kan leiden tot te veel materialisme.
In het verleden waren mensen consumenten van religie in kerken en bij
het bijwonen van rituelen. Nu worden ze consumenten van religieuze ideeën
in boeken en op het internet. Maar er is een andere factor nodig. We
moeten weer heel worden door producenten te worden in plaats
van consumenten. Het reservoir van wijsheid waaruit de mensen drinken
moet vol blijven door goede daden, door in praktijk te brengen wat we
hebben geleerd. G. de Purucker vat samen wat er nodig is:
De eenvoudige leringen van broederschap en vriendelijkheid,
van universele liefde, van plicht, van mededogen, van zelfopoffering
– deze edele en mooie eigenschappen die het individu in praktijk
moet brengen – vormen op zichzelf een mooie en prachtige religie
omdat ze op een geestelijke manier natuurlijk zijn. Elke exoterische
religie, elke godsdienst met vormen en ceremoniën en een priesterschap
om deze dingen uit te voeren . . . leidt de aandacht af van de werkelijke
geestelijke zaken die leven in het hart en de ziel van de mens.
– Dialogen
van G. de Purucker, 1:380
Als we in overeenstemming met de bovengenoemde ethische regels leven,
zullen we automatisch een maatschappij vormen waarin in de sociale behoeften
van de zieken en de ouderen zal worden voorzien. Als mensen op deze
manier handelen, zal het hen innerlijk nader tot elkaar brengen. De
Gulden Regel, misschien wel de meest bekende gedragsregel, is in iedere
religie te vinden: ‘ Doe anderen niet aan, wat u niet wilt dat
anderen u aandoen.’ Als de meerderheid van de mensheid zich aan
deze ene regel zou houden, zou de wereld er al beter voorstaan. Ze houdt
respect in voor andere individuen, respect voor andere opvattingen,
en zou het geweld in de wereld doen afnemen. Wanneer een grote ramp
in één deel van de wereld toeslaat, zoals bijvoorbeeld
de tsunami in de Indische Oceaan op 26 december 2004 [of onlangs de
aardbeving in het grensgebied van India en Pakistan], dan voelen mensen
vanuit alle hoeken van de wereld de drang om te helpen, zowel financieel
als daadwerkelijk, omdat er een ogenblikkelijk medeleven is met hen
die lijden. In zo’n geval doet het er niet toe tot welke religie
men behoort. Een onzichtbare maar verenigende band wordt onmiddellijk
gevoeld. Dit is een uitdrukking van hoe Religie, niet een religie,
de maatschappij beschermt. Het is niet slechts een ideaal, het is heel
praktisch.
De Gulden Regel is de hoeksteen van rechtvaardigheid; hij versterkt
onze hogere instincten. Als deze regel steeds aanwezig is in het denken
en het hart van de mensen, dan zal hij van invloed zijn op de hele gemeenschap.
Ideeën beheersen de wereld, zegt men. Mensen die zich in toenemende
mate verantwoordelijk voelen voor de wereld zouden haar gedachteatmosfeer
moeten versterken, en daarmee thuis, op kantoor of elders moeten beginnen.
In december 1887 publiceerde H.P. Blavatsky een open brief getiteld
‘Lucifer aan de Aartsbisschop van Canterbury, gegroet!’
Daarin zegt ze:
Theosofie is geen religie, maar een filosofie die
tegelijk religieus en wetenschappelijk is; en . . . het belangrijkste
werk van de Theosophical Society is tot dusver geweest om de eigen
bezielende geest van iedere religie tot nieuw leven te wekken, door
het onderzoek naar de ware betekenis van haar leringen en voorschriften
aan te moedigen en daarbij te helpen.
. . . Een religie is waar naarmate ze voorziet in de geestelijke,
morele en intellectuele behoeften van dat moment, en in die opzichten
de ontwikkeling van de mensheid stimuleert. Ze is onwaar naarmate
ze die ontwikkeling belemmert, en het geestelijke, morele en intellectuele
deel van de menselijke natuur grieft.
– Collected Writings 8:268-9
De religie van de toekomst zal op dezelfde geest van bezieling zijn
gebaseerd die achter alle wereldreligies heeft gestaan. Haar uiterlijke
vorm zal de innerlijke geest weerspiegelen. Dit zal niet gebeuren door
verschillende religieuze kerken en instellingen te laten samenkomen
of samensmelten. Het heeft geen zin om nieuwe wijn in oude zakken te
doen. De nieuwe religie zal vorm krijgen door spontane handelingen zoals
die na de tsunami-ramp toen veel mensen direct de drang voelden om iets
te doen. De toekomst zal meer mogelijkheden te zien geven waardoor gelijkgestemde
mensen met elkaar in contact kunnen staan, om hun banden van vriendschap
te versterken, en samen te werken ongeacht waar ze zich op deze planeet
bevinden.
In deze tijd hebben de religies van de wereld verschillende voorschriften
geformuleerd. Zullen dezelfde voorschriften van waarde blijven in de
religie van de toekomst? Het bovenstaande citaat van Blavatsky gaf al
antwoord op deze vraag door te zeggen dat een religie moet inspelen
op de geestelijke, morele en intellectuele behoeften van dat moment.
Neem het Dhammapada
(Het pad van religie), een boek met voorschriften en uitspraken van
de Boeddha, waarin de volgende verzen staan:
Zoals de moessonregen een huis met een goed dak niet
binnenkomt, zo komt hartstocht niet binnen in een goed gedisciplineerde
geest. – 14
Laat een mens boosheid overwinnen met liefde, laat hij kwaad bedwingen
met goed; laat hij de hebzuchtige overwinnen met vrijgevigheid en
de leugenaar met waarheid. – 223
Wees steeds waakzaam: bewaak uw gedachten nauwgezet; bevrijd uzelf
uit het moeras van het kwaad, zoals een olifant doet die in de modder
is gezakt. – 327
Hoewel deze verzen duidelijk genoeg zijn en ook relevant voor deze
tijd, verwijzen twee ervan naar de moesson en naar een olifant; beide
zijn heel gewoon in India, maar bijvoorbeeld niet in Europa. Voorschriften
zullen altijd iets laten zien van de sfeer van het land van oorsprong
en van de tijd waarin ze zijn geschreven; hun formulering zal in de
toekomst waarschijnlijk veranderen.
Veel van de voorschriften in de verschillende ethische stelsels van
de wereld hebben te maken met het begrip karma, het idee dat iedere
daad zijn passende gevolg heeft. De toekomst zal het resultaat zijn
van de zaden die in het verleden zijn gezaaid. Goede daden houden daarom
een belofte in voor de toekomst. Dit wordt geïllustreerd door het
volgende fragment getiteld ‘De verborgen schat’1
ontleend aan de boeddhistische Pāli-canon:
Een man begraaft een schat in een diepe kuil, en
denkt bij zichzelf, ‘Wanneer het moment daarvoor aanbreekt zal
deze schat voor mij van nut zijn, indien ik word beschuldigd door
de koning, of bestolen door rovers, of om mijn schulden af te lossen,
of bij hongersnood of tegenslag.’ Dat zijn de redenen waarom
mensen verbergen wat in deze wereld een schat wordt genoemd. Intussen
is deze schat, die dag in dag uit in dezelfde diepe kuil ligt, van
geen enkel nut voor hem. Of de schat verdwijnt vanuit zijn bewaarplaats,
of de eigenaar ervan wordt gekweld door zorg erom, of de nāga’s
verwijderen haar, of kwaadaardige geesten nemen haar mee, of zijn
vijanden of verwanten graven haar op als hij afwezig is. De schat
is weg wanneer de verdienste die haar heeft voortgebracht is uitgeput.
Er is een schat die een man of een vrouw bezit, een schat die ligt
in het hart, een schat van naastenliefde, trouw, zelfbeheersing, gematigdheid.
Ze bevindt zich in het heiligdom, in de geloofsgemeenschap, in de
individuele mens, in de vreemdeling en de reiziger, in de vader, de
moeder, de oudere broer. Een schat die veilig is, onaantastbaar, die
niet kan vergaan. Wanneer een mens de vergankelijke rijkdom van deze
wereld verlaat, neemt hij deze schat mee na de dood. Een schat die
niet met anderen wordt gedeeld, een schat die geen dief kan stelen.
Laat de wijze mens deugd beoefenen: dit is een schat die hem volgt
na de dood. Een schat die alle vreugde schenkt aan goden en mensen
. . . Zo heeft dit bezit van verdienste een groot en magisch effect;
daarom worden goede daden geprezen door hen die over wijsheid en kennis
beschikken.
Wat kunnen we doen om mensen te helpen om zo’n schat van de geest
te vergaren; wat kunnen we doen om onze medemens geestelijk te verlichten?
Een meester van wijsheid schreef in Lucifer:
Het probleem van de ware theosofie en haar grote
opdracht zijn, ten eerste, het uitwerken van duidelijke en ondubbelzinnige
opvattingen over ethische denkbeelden en plichten, die de altruïstische
gevoelens van de mens het beste en het meest volledig zullen vervullen;
en ten tweede, het modelleren van deze opvattingen voor hun aanpassing
aan zulke vormen van dagelijks leven zodat ze een terrein zullen bieden
waar ze met de grootst mogelijke rechtvaardigheid kunnen worden toegepast.
– jan. 1888, blz. 346
De religie van de toekomst hebben we grotendeels zelf in de hand. Hoe
beter we in staat zijn in ons bewustzijn onze ‘ethische denkbeelden
en plichten’ duidelijk te visualiseren, en het voorbeeld geven
door ze in ons leven toe te passen, des te sneller zal er een wereld
zijn waarin mensen elkaar vanzelfsprekend zullen helpen waar en wanneer
ze kunnen. Als we geregeld nadenken over de beste manier om ons in het
leven te gedragen, en dan proberen meer en meer in overeenstemming daarmee
te handelen, zullen we een pad betreden waarop karma onze vriend zal
worden.
Naarmate we vooruitgaan op dit pad, hebben we de kans om draaikolken
van hart-kracht te worden. H.P. Blavatsky citeert de volgende beschrijving
van een periode in de toekomst van de mensheid:
‘Dan zal de wereld een ras van Boeddha’s
en Christussen hebben, want de wereld zal hebben ontdekt dat individuen
het in hun eigen macht hebben om kinderen zoals Boeddha voort te brengen
– of demonen’. ‘Wanneer die kennis komt, zullen
alle dogmatische religies en daarmee de demonen uitsterven.’
– De Geheime Leer, 2:469
Als we werkelijk sterk ernaar verlangen de waarheid te vinden, zal
onze zoektocht ons steeds verder naar binnen leiden naar onze geestelijke
wortels; uiteindelijk kunnen we een ras worden van boeddha’s en
christussen, en dan zal onze religie waarheid zijn.
Noot
- Khuddakapātha 8:1-10, 14, 16,
naar Engelse vertaling van R.C. Childers, Journal of the Royal
Asiatic Society, 1870, blz. 321-3; zie www.sacred-texts.com/journals/jras/ns04-07.htm.