De worsteling van de mensheid om uit de duisternis in het licht te
treden, heeft generaties ernstige mannen en vrouwen over de hele wereld
beziggehouden. Door de eeuwen heen hebben er mensen geleefd die het
hebben aangedurfd de ‘hemelpoorten’ te bestormen, en het
denken van de mensheid met moed en een ruimere visie te bezielen. Naast
deze weinigen stond echter de inerte massa die weigerde om zelfs maar
ten dele de verantwoordelijkheid van het mens-zijn te aanvaarden. De
cruciale beslissingen waarvoor wij staan vormen nu een uitdaging voor
iedereen – ze zijn niet langer het voorrecht van enkelen maar
de opdracht aan allen. Maar hoe moeten we op een verstandige en wijze
manier op die uitdaging reageren?
Het is heel wat anders in een flits helder te zien hoe we het leven
op een verantwoorde wijze moeten benaderen, dan het in praktijk te brengen.
Het duurt jaren, misschien duizenden jaren, vóór eeuwenoude
deugden zoals barmhartigheid, onderscheidingsvermogen, moed en begrip
een stevig fundament in het karakter vormen. Overal stelt men zich de
vraag: als de strijd van het licht tegen de duisternis eindeloos voortduurt,
wat moeten we dan denken van het gebruik van geweld tussen mensen onderling?
Als we zien dat de natuur in haar rijken gebruikmaakt van geweld, hoe
kunnen we dan van de mens verwachten dat hij dat niet zal doen om zijn
wil door te voeren?
Het groeiproces gaat vanzelfsprekend gepaard met strijd en wilsconflicten.
Maar of de natuur ooit haar groei met geweld tot stand brengt,
valt te betwijfelen. Er is een enorm verschil tussen het dwingende karakter
van geweld en het nuttig gebruikmaken van kracht. Op het fysieke gebied
beantwoordt geweld ongetwijfeld aan zijn doel, want er zijn slechts
enkele bulldozers en graafmachines voor nodig om ‘een berg te
verzetten’. Maar wat gebeurt er als we op de hogere gebieden van
denken en handelen geweld gebruiken? Dan stuiten we telkens weer op
verzet, op machten die tegenover elkaar staan, zonder uitzicht op een
oplossing. Inderdaad speelt in alle menselijke verhoudingen geweld een
rol, zelfs een grote rol: het geweld van de menselijke wil die probeert
veranderingen af te dwingen en zich als een bulldozer een weg te banen
door bergen van verzet. Maar als er andere bergen bestaan dan die van
steen en aarde, zijn daar dan niet eerder spirituele dan fysieke werktuigen
voor nodig?
In de natuur komt groei niet met geweld tot stand. ‘De
molens van God malen langzaam, toch malen ze zeer fijn’ –
de natuur werkt in stilte, maar haar werk getuigt van kracht; en al
kan een mens door kunstmatige warmte in een broeikas de bloei van een
bloem versnellen, hij bespoedigt daardoor ook haar dood. De levensduur
van die bloem is veel korter dan ze zou zijn geweest als ze op natuurlijke
wijze had kunnen groeien en zich in haar eigen tempo en op haar eigen
plaats had kunnen ontwikkelen.
Als we de huidige onrust en verwarring in het perspectief van de geschiedenis
konden zien, zouden we constateren dat alle groei, alle uitbreiding
van bewustzijn, elke bevrijding van de menselijke geest, niet met geweld
tot stand zijn gekomen, maar dat ze langzaam zijn gegroeid gedurende
vele jaren en vele generaties van stille en toch krachtige pogingen.
Zo zou het ook met volkeren kunnen zijn: als de nationale wil krachtig
en vastbesloten werkt om alleen zichzelf te bevoordelen, zonder rekening
te houden met het ruimere internationale belang, dan maken we een vergissing,
omdat we dan het geweld van wapens of van woorden laten beslissen. Maar
indien de volkeren de verenigde kracht van de spirituele wil weerspiegelden,
zouden we bijna vanzelf constateren – want zo onopvallend zou
het lijken – dat er rechtvaardigheid, goede wil en een waardige,
gezonde uitwisseling van opvattingen zou zijn. Dan zou de kracht van
wijsheid die nodig is om onze grote diplomatieke en internationale problemen
aan te pakken, worden ontwikkeld, en geweld zou niet alleen worden gezien
als een investering van een dwaas, maar eerder nog als een investering
in zelfvernietiging.
We kennen allemaal de passage in Mattheus, waarin Jezus zijn
toehoorders eraan herinnert, ‘vanaf de dagen van Johannes de Doper
tot nu toe wordt het koninkrijk der hemelen bestormd en de bestormers
nemen het met geweld’. Moeten we daaruit afleiden dat Jezus bedoelde
dat we het koninkrijk van de geest letterlijk met geweld moeten nemen?
Als we de oorspronkelijke tekst raadplegen, zien we dat deze uitspraak
evengoed als volgt kan worden vertaald: ‘Het koninkrijk der hemelen
wordt overweldigd, en de sterken (van geest) maken zich ervan meester’.
Het werkwoord ‘overweldigen’, dat is afgeleid van de wortel
bia, betekende bij de oude Grieken niet alleen ‘lichamelijke
kracht of macht’, maar ook ‘sterkte van geest’. Waarom
zouden we de woorden van de meester dan niet uitleggen als: ‘Het
koninkrijk van de geest moet met kracht worden genomen en de sterken
van geest veroveren het’.
De hoop van de wereld ligt niet in dogmatische godsdienst, niet in
filosofische bespiegelingen of in wetenschappelijke experimenten. Ze
ligt zoals altijd in de moed en de visie van elke nieuwe generatie om
mee te gaan met de stroom van de vooruitgang wanneer deze zich van de
ene cyclus naar de andere voortbeweegt. We moeten voortdurend alert
zijn op hen die jong van hart zijn – dat wil niet altijd zeggen
jong in jaren, maar jong in spirituele veerkracht – die nieuwe
wegen inslaan, opdat de na hen komende generaties de vooruitgang van
de mensheid kunnen voortzetten. Een crisis zoals we die nu doormaken
is niet nieuw – in vervlogen eeuwen hebben we ontelbare keren
ermee te maken gehad, maar in de opgetekende geschiedenis heeft men
nog nooit zoveel belang erbij gehad om op een verstandige manier te
handelen. Gezien alle hulpbronnen waarover we beschikken, spirituele,
mentale en fysieke, zou men denken dat de overwinning een eenvoudige
zaak is. De mens houdt echter altijd een natuurlijke schroom om afstand
te doen van het oude en met kracht het koninkrijk van het nieuwe te
veroveren. Er zijn nog altijd mensen die, zoals Nicodemus, verkiezen
zich afzijdig te houden, buiten de kring van daadwerkelijke verantwoordelijkheid,
en rijke nieuwe machthebbers die, hoewel ze door de waarheid worden
aangetrokken, toch de voorkeur geven aan hun oude banden, de ‘rijkdommen’
van de hun vertrouwde denkwijze, en zichzelf daarmee het voorrecht ontzeggen
zich bij de voorhoede aan te sluiten.
De mensen van deze tijd bewijzen dat ze in hun karakter een grote mate
van onzelfzuchtigheid bezitten, die gepaard gaat met een verlangen om
met hun leven iets creatiefs te doen. De meest op de voorgrond tredende
eigenschap is een zelfvertrouwen van de geest en het verstand, dat de
versleten letterlijke opvattingen van religieuze dogma’s niet
langer wil accepteren, maar nieuwe gebieden van ethische en spirituele
waarden wil verkennen. Hen komt het erfdeel toe van het ‘koninkrijk
der hemelen’ – niet om dat met geweld te veroveren, maar
om het te beheren voor de ‘sterken van geest’ – een
erfdeel dat bestaat uit vrijheid van denken en handelen en, het belangrijkste
van alles, vrijheid van spirituele aspiratie.