Velen geloven dat de wereld is onderverdeeld in rood, geel, wit en
zwart, in dieren, struiken en bomen, maan, zon, sterren, armoede en
rijkdom. Maar het is allemaal een eenheid, of zoals een bedachtzame
man eens zei, wanneer we hoog en laag op dezelfde manier kunnen benaderen,
hebben we de juiste houding tegenover het leven. Ik geloof niet dat
stereotype religieuze houdingen mensen kunnen bieden wat ze op het gebied
van mededogen en begrip nodig hebben. Indien we onszelf alleen maar
omringen met heilige en plezierige taal, kunnen we soms ervan overtuigd
raken dat we naar een dergelijke manier van zijn worden geleid –
misschien omdat het onze egoïstische natuur het best uitkomt. Er
schiet mij een gebeurtenis te binnen, die wijst op de mogelijkheid van
een diepere benadering.
Vele jaren geleden, in de jaren 30 (vorige eeuw) leefde er een zeer
vaardige kunstenaar in Göteborg. Dat hij echt talent had is sindsdien
bevestigd – veel beroemde kunstenaars hebben uitdrukking gegeven
aan hun grote waardering voor zijn schilderijen. Maar hij worstelde
tijdens zijn leven met grote problemen, en kreeg allerlei ziekten, en
werd schizofreen. In de bloei van zijn leven was hij zeven jaar lang
patiënt van een psychiatrisch ziekenhuis buiten Göteborg.
Hij was daar opgesloten in een afdeling voor gewelddadige patiënten
en leefde bijna als een dier. Tijdens deze wisselvalligheden van het
lot was de kunstenaar, om zo te zeggen, afwezig, weg van deze wereld,
en moet geen idee hebben gehad van wat er zich rondom hem heen afspeelde.
Op een dag kreeg hij visite van zijn zus en haar zoontje; er moest
een begeleider bij zijn in het geval hij gewelddadig zou worden. Dus
ontmoette de zieke broer zijn zus in het park bij het ziekenhuis met
de begeleider naast hem. Op een of andere manier raakte de zus en de
begeleider verzeild in een gesprek en vergaten voor een ogenblik de
kleine jongen die was gewaarschuwd om niet te dicht bij de patiënt
in de buurt te komen. En wat zagen ze? De jongen hield de hand van de
kunstschilder vast, hing en trok aan hem, en voor het eerst in jaren
zag de begeleider een glimlach op het gezicht van de patiënt. Dus
lieten ze de jongen en de oom hun gang gaan.
Het bezoek duurde niet lang, maar dat moment markeerde een keerpunt
dat leidde tot herstel. Geleidelijk werd de kunstenaar zich bewust van
zijn omgeving; hij begon voorzichtig aan bloemetjes en andere figuurtjes
te maken; langzaam kreeg hij zijn kracht en gezondheid terug, waardoor
hij uiteindelijk weer gezond werd verklaard en uit het ziekenhuis werd
ontslagen. Toen begon een periode van intense artistieke creativiteit.
Toen ik dit verhaal voor het eerst hoorde dacht ik: ‘Wat weten
we in feite van de invloed die uitgaat van een gezond zielenleven?’
De schizofrene man begon te herstellen na zijn contact met het kind.
Was het de ziel van de kunstenaar of die van het kind die deze magie
verrichtte? Er is veel dat we nog niet begrijpen, maar er komt een dag
dat psychiaters, psychologen, en onderzoekers van de ziel genoodzaakt
zullen zijn in te zien hoe uiterst belangrijk het innerlijke spirituele
leven is – bij ziekte maar ook als men gezond is.