Open uw hart voor de natuur
Rudi Jansma
Boekbespreking: Het hart als zintuig; Hoe planten
hun geheimen onthullen, Stephen Harrod Buhner, Ankh-Hermes,
2006; isbn 9020284185, 320 blz., paperback, €29,50, verschijnt
medio mei 2006 (Oorspronkelijke titel: The Secret Teachings of Plants:
The Intelligence of the Heart in the Direct Perception of Nature).
het hart . . . is het orgaan van de spirituele
mens in het fysieke lichaam, door middel van een straal vanuit de
spirituele monade naar het fysieke voertuig van de mens. Er kunnen
daarom verschillende namen aan worden gegeven: het orgaan van het
reïncarnerende ego; het orgaan van de persoonlijke mens. Maar
het kan ook het orgaan van het leven worden genoemd, want het is het
levenscentrum van het fysieke lichaam. Vanuit het hart stromen de
stralen die het denken verlichten omhoog naar de hersenen . . .
– Dialogen
van G. de Purucker, blz. 1025
Het hart als zintuig, door Stephen Harrod Buhner is een
bijzonder boek en fungeert als een brug
tussen
de mentale wetenschap en de subtiliteiten van het hart. De twee delen
waaruit het bestaat, Systole en Diastole, lijken op het eerste gezicht
weinig met elkaar gemeen te hebben. Maar de schrijver is erin geslaagd
door middel van wetenschappelijke informatie, diepgevoelde ervaringen
met planten, en citaten uit proza en poëzie een geheel te scheppen
dat een gezonde verbinding legt tussen wetenschap en new-age-sentimenten,
tussen historische en moderne perceptie van de natuur, tussen proza
en poëzie, tussen persoonlijke mentale en emotionele ervaring en
geneeskunst die is gebaseerd op altruïsme en universele ethiek.
De verbindingsdraad is die van een mysticus die een verscheidenheid
aan voorbeelden kiest om universele waarheden te onthullen.
Na een korte inleiding over zichzelf opent Buhner een felle aanval
op het lineaire ‘euclidische’ denken. Hij laat zien dat
rechte lijnen en keurige wiskundige systemen in de natuur niet voorkomen,
en dat fractalen en Mandelbrotstructuren de waarheid veel dichter benaderen.
Hij huldigt met kracht de opvatting dat de abstracties die op scholen
constant als werkelijkheden worden gepresenteerd een groot obstakel
zijn voor het verkrijgen van kennis rechtstreeks uit de natuur.
Het is tegelijkertijd duidelijk dat regelmatige proporties en hun harmonie
inherent zijn aan de natuur. Dit wordt beklemtoond door een aantal van
de grootste zielen van de mensheid, onder anderen Pythagoras en Plato;
en men vindt deze ideeën eveneens in de geschriften van Hindoes,
Jains, Babyloniërs en Egyptenaren. In de geschriften van de Maya’s
was de eerste daad van de Bouwers van het universum om met touwen het
vierkant uit te meten; het vierkant dat zo’n belangrijke plaats
inneemt in kosmologieën over de hele wereld. Ook al lijkt niets
in de natuur volledig te beantwoorden aan de idealen van geometrie en
wiskunde, de natuur schijnt deze idealen wel te weerspiegelen, bijvoorbeeld
in kristallen en in de regelmatigheid en perfectie in het planten- en
dierenrijk. Het lijkt me dat wiskunde de noumenale of hogere mentale
wereld van de goden probeert te beschrijven, en dat het leven op altijd
speelse en harmonieuze wijze ronddartelt binnen de mogelijkheden van
deze noumena – en dat zijn de allesdoordringende natuurwetten.
Een lineair denkende geest is echter slechts een zwakke en gekristalliseerde
afspiegeling van de spiritueel-intuïtieve geest, en als men zich
uitsluitend vastklampt aan deze afspiegeling is dat inderdaad een groot
obstakel voor het begrijpen van het leven.
De wetenschappelijke delen van het boek bespreken de fysiologie van
het hart, de hersenen en van individuele cellen – in het bijzonder
in relatie tot de voortdurende productie en uitwisseling van informatie
via elektrische en magnetische velden – evenals de zeer verfijnde
en intelligente processen in de fysieke en energetische natuur. Communicatie
met het lichaam vindt onophoudelijk plaats, binnen en tussen organen,
cellen en individuele organismen, allemaal op een manier waarbij het
hersenverstand, behalve als interpretator en waarnemer op afstand, niet
direct betrokken is. Buhner verwerpt het intellectuele denken zeker
niet, maar hij onderkent de juiste status van het bewustzijn van het
hart, de hersenen en zelfs van de darmen en andere organen binnen een
bewust geheel.
Buhner beschouwt levende systemen als producten van zelforganisatie
van kleinere eenheden, die het resultaat zijn van ononderbroken –
zowel interne als externe – communicatie. Omdat iedere eenheid,
hoe klein ook, zijn eigen specifieke magnetische veld heeft, communiceert
zij met alles om haar heen, en herkent de velden van andere eenheden
en stemt zich daar subtiel op af. Met betrekking tot cellen citeert
de schrijver onder andere Jan Walleczek:
Biologische cellen kunnen worden beschouwd als hoogontwikkelde
informatieverwerkende instrumenten die complexe patronen van prikkels
die van buitenaf komen van elkaar kunnen onderscheiden. In overeenstemming
met dit gezichtspunt is de vondst dat biologische reactienetwerken
net als elektrische circuits rekenfuncties kunnen vervullen zoals
schakelen, versterken, hysteresis, het uitfilteren van frequentiebanden
of de extractie van informatie over trillingsfrequenties.
De schrijver merkt op dat ‘Cellen uiterst subtiele verschillen
in elektrische velden kunnen waarnemen’, en vervolgt: ‘Het
plasmamembraan is van alle cellen het primaire zintuigorgaan. Het bezit
duizenden over de oppervlakte verspreide receptoren die zijn ontworpen
om storingen van onder andere chemische, elektrische, hormonale en mechanische
aard te ontdekken.’
Buhner is van mening dat, naarmate kleinere eenheden zich organiseren,
een nieuwe identiteit tot aanzijn komt als een groter systeem dat nieuwe
gedragingen vertoont. Hierover ben ik het met hem maar ten dele eens,
want ik denk dat zelforganisatie van kleinere eenheden niet tot levende
organismen zou leiden, maar alleen tot een samenwerkende gemeenschap
zoals een termietenheuvel of een bijenkorf die ieder op zich unieke
gedragingen vertonen die het resultaat zijn van de samenwerking van
de betrokken individuen. Maar een levend wezen heeft zijn eigen ziel
van een hogere orde die leiding geeft aan de processen van afstemming
en samenwerking van zijn onderdelen. Terwijl ieder aspect en iedere
eigenschap van het universum actief en latent aanwezig is in zelfs de
kleinste onderdelen ervan, hebben ze allemaal een ‘meedogende
hand’ nodig die wordt uitgestrekt vanuit het bewuste Zijn in de
vorm van de grotere vitaal-elektromagnetische velden afkomstig van wat
relatief gezien goden of kosmische bewuste wezens zijn. Deze goden tappen
voortdurend uit een nog hogere bron van intellectuele energie en transformeren
de goddelijke energieën naar het niveau waar ze kunnen worden aangewend.
Afzonderlijke hoofdstukken behandelen het fysieke, het emotionele,
en het spirituele hart. Het fysieke hart is veel meer dan alleen een
pomp; het is in feite het orgaan dat de ritmen bepaalt van ons organisme
en informatie overdraagt aan het bloed. Het hart bestaat voor 60 tot
65% uit zenuwcellen – dus het bevat meer zenuw- dan spiercellen.
Naast zijn functie als een verfijnde en intelligente pomp is het hart
vooral een verwerker van bewustzijn en informatie. Het ritme van een
gezond hart is nooit regelmatig: iedere hartslag is uniek.
Zo zijn ook de magnetische en elektrische velden die ieder hart om zich
heen bouwt uniek. Maar deze velden zijn ook buiten het lichaam meetbaar
en dragen zo voortdurend informatie over van het hart aan de omringende
wereld en van de wereld aan het hart. We kunnen leren bewust naar deze
informatieuitwisseling te luisteren door de subtiliteiten van onze onophoudelijk
veranderende gevoelens waar te nemen.
Dit vormt een brug naar het tweede gedeelte van het boek, dat gaat
over communicatie met planten. Iedere plant heeft een bewustzijn, net
als ieder ander levend wezen, en hij heeft kennis die hij met anderen
wil delen. Iedere plant heeft zijn eigen karakter, niet alleen wat betreft
zijn uiterlijk, maar in het bijzonder in zijn eigen specifieke magnetische
en elektrische krachten waarvan de aanwezigheid kan worden waargenomen
door de energetische velden van het menselijke hart. Op deze manier
is het mogelijk de plant op een dieper niveau werkelijk te kennen en
te begrijpen, en de uitwisseling van informatie is wederzijds. Dit is
de manier waarop mensen en volkeren die dichtbij de natuur leefden de
medicinale en andere werkingen van planten hebben ontdekt – dus
niet proefondervindelijk met vallen en opstaan zoals ons doorgaans wordt
voorgehouden. Door oefening kunnen we dit type communicatie leren herkennen
– en aan het eind van het boek geeft Buhner ‘oefeningen
voor het verfijnen van het hart als orgaan van waarneming’. Deze
leermethode via het waarnemingsvermogen van het hart kan ook op cultureel
niveau worden toegepast, en de schrijver is van mening dat deze methode
betrouwbaarder en exacter is dan de gebruikelijke wetenschappelijke
benadering die alleen gebruikmaakt van het zenuwstelsel en de hersenen.
Deze methode is echter niet gemakkelijk. Buhner zegt dat als we een
bepaalde plant ontmoeten, misschien tijdens een wandeling door de natuur,
en we onmiddellijk een speciale aantrekking tot hem voelen, dat misschien
komt doordat die plant iets aan ons wil overbrengen – bijvoorbeeld
iets over onze innerlijke ontwikkeling, zijn mogelijke gebruik als medicijn,
of zijn bijdrage aan het ecosysteem. Al deze informatie wordt direct
door het hart waargenomen en opgeslagen in ons onderbewuste geheugen.
Daarna kunnen er jaren van ‘zitten’ bij de plant voor nodig
zijn om het punt te bereiken – dat hij, in navolging van Goethe,
het ‘betekenisvolle moment’ noemt – wanneer de plant
zich volledig aan ons openbaart. Daarvoor is het noodzakelijk een volkomen
respect en liefde voor de plant als leraar te ontwikkelen. Het is voor
een mens misschien niet gemakkelijk om zijn hoofd te buigen voor een
plant, maar, zegt Buhner, planten zijn als fysieke soort veel ouder
dan wij mensen en dragen ervaringen in zich uit archaïsche geologische
tijdperken.
Theosofie leert dat de planten van tegenwoordig vervolmaakte overblijfselen
zijn van een veel actiever plantenrijk in het verleden toen de nadruk
van de evolutie op aarde bij hen lag. Iedere plantenziel bereikte het
hoogtepunt van haar evolutie op deze fysieke aarde lang voordat mensen
actief werden. Planten hebben sinds die tijd geen essentiële veranderingen
ondergaan – hoewel ze zich uiterlijk steeds aanpassen aan veranderende
milieuomstandigheden – en hun individuele bewustzijn bevindt zich
relatief in een sluimertoestand. Ze wachten op een nieuwe vitale impuls
om hun evolutie te kunnen voortzetten op een nog hoger niveau. Daarom
hebben planten hun evolutionaire doel voor de huidige cyclus van de
natuur reeds bereikt, terwijl wij mensen nog druk bezig zijn met onze
evolutie, en die betreft vooral een verdere ontwikkeling van de bewuste
geest.
Planten kunnen ons hun ervaringskennis en -wijsheid dus in relatieve
volmaaktheid onderwijzen. Rotsen, planten en dieren zijn ouder dan mensen
voorzover het onze huidige fysieke vorm betreft. Maar in talloze vroegere
tijdperken bewoonde ons essentiële zelf vele vormen, waaronder
die van het mineralenrijk, planten en dieren. Dus dragen wij ook hun
algemene ervaring in ons mee. Bovendien hebben we als mensen ervaringen
verzameld van een type waar andere natuurrijken nog geen toegang toe
hebben gehad. Wanneer we onszelf voor bepaalde doeleinden op hun innerlijke
wezen afstemmen, dan roepen we in feite de vastgelegde aspecten van
onze eigen onderbewuste archaïsche ervaringen opnieuw wakker.
Natuurlijk komt deze manier van verkrijgen van kennis niet alleen tussen
mens en plant voor; ze bestaat ook tussen mensen onderling. Buhner is
zelf een natuurgenezer die geleerd heeft met planten te communiceren
– niet alleen direct, maar ook via zijn geheugen, waarin alle
impressies die het hart bereiken worden geregistreerd – en ook
met cellen en organen van zieke mensen. Een natuurgenezer die het vermogen
heeft ontwikkeld om de subtiliteiten van zijn eigen hart en denken waar
te nemen kan een diepe empathie voelen met een patiënt en zijn
of haar probleem, waaronder de psychische en ethische aspecten daarvan.
Hij kan dan direct waarnemen welke natuurlijke remedie zou kunnen helpen
in plaats van af te moeten gaan op ondervinding of informatie uit boeken
– waarvan zelfs de meeste naturopaten afhankelijk zijn.
Het laatste gedeelte van het boek gaat over ethiek. Goede intenties
en gevoelens alleen zijn niet voldoende om een medemens te helpen. Omdat
de ‘Natuur zowel de voortbrengster van de mens als zijn grootste
leraar is’, dient men zich stevig te verankeren in de waarheid
van de natuur, niet in de leugen van wat alleen maar haar beschrijving
is. ‘Omdat de Natuur niet liegt’ verklaart Buhner dat
Hoe meer we liegen, dat wil zeggen afwijken van de
waarheid die in de Natuur te vinden is, hoe minder we in staat zullen
zijn de diepe dimensies van de Natuur waar te nemen. Het verborgen
gezicht van de Natuur is dus een uitdrukking van haar morele dimensie,
en die is even werkelijk als haar fysieke dimensie. We hebben deel
aan het morele, niet omdat we mensen zijn, maar omdat we tot de Natuur
behoren.
Er zijn omvangrijke natuurrijken bestaande uit wezens die al eeuwen
geleden door de menselijke ervaring zijn heengegaan en deze achter zich
hebben gelaten. Door ons bewust te zijn van de wetenschappelijke mogelijkheid
om ons hart voor de natuur te openen, openen we, zoals dit boek dit
uitlegt, misschien ook de poort naar bewustzijn van en harmonieuze afstemming
op de verfijnde, intelligente, meedogende en wijze actieve energieën
van deze hogere wezens die de hele natuur omvatten. Buhner zegt verder
dat ‘Alle mensen van nature een veelzijdigheid aan gezichtspunten,
een multidimensionaal bewustzijn zouden moeten hebben’. Dit vormt
een aspect van ware religie – begrepen de aanhangers van zovele
uit het brein geboren religieuze sekten dat maar!
Dit boek zal een warm onthaal vinden bij genezers en bij iedereen die
zich meer bewust wil worden van zijn of haar complexe en verfijnde banden
met de natuur. Meer informatie over Buhners werk kan worden gevonden
op www.gaianstudies.org.