Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Hoe weten we wat het betekent mens
te zijn? Dit zijn enkele van de meest fundamentele vragen die we kunnen
stellen, en de manier waarop we ze beantwoorden, bepaalt onze identiteit.
We kunnen onszelf vanuit ons innerlijk omschrijven, overeenkomstig de
onzichtbare niveaus van ons wezen, of we kunnen onze identiteit baseren
op onze fysieke waarnemingen. Soms wordt ons identiteitsgevoel gevormd
door wat we gemeenschappelijk hebben, maar vaker door onze tegenstellingen.
Hoe groter het verschil met de ‘ander’ ons toeschijnt, des
te sterker ons gevoel van afgescheidenheid. In veel gevallen wordt dit
een manier van denken die mensen gebruiken om zich méér
te voelen dan een ander. Mensen kunnen gevoelens van meerderwaardigheid
hebben op basis van materiële zaken, zoals het hebben van een betere
auto, een groter huis, of een hoger salaris. Er kan ook een culturele
grondslag zijn, waarbij sommige culturen worden geacht beter te zijn
dan andere. In hun meest weerzinwekkende uiting zijn gevoelens van meerderwaardigheid
gebaseerd op ‘raskenmerken’ die het karakter en de intelligentie
zouden bepalen.
Theosofie moedigt mensen aan hun identiteit te zoeken door zich naar
binnen te keren om te ontdekken dat ze spiritueel één
zijn. Ze is een praktische verwoording van universele broederschap,
de complexe onderlinge verbondenheid van al wat leeft. Wanneer mensen
aangeven geïnteresseerd te zijn in spiritualiteit, is het vaak
nuttig hen te vragen wat ze over universele broederschap denken en wat
het werkelijk betekent om mens te zijn. In antwoord op deze vragen schreef
een correspondent:
Universele broederschap is mogelijk, maar het moet
een universele broederschap van verschillende, onafhankelijke groepen
zijn. Alle diersoorten hebben ondersoorten, en mensen vormen geen
uitzondering. Zoals bepaalde soorten katten, honden, paarden, mensapen
en apen zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelden om intelligenter,
lichamelijk sterker en mooier dan andere soorten te worden, is dit
ook het geval bij mensen. We komen allemaal voort uit een gemeenschappelijke
voorouder, maar we hebben ons verschillend ontwikkeld in afzonderlijke
omgevingen, en de verschillen liggen dieper dan alleen de opbouw van
het geraamte en het uiterlijke voorkomen. De vermenging van deze verschillende
groepen is niet in overeenstemming met de natuurwetten. In feite wordt
de val van elke beschaving veroorzaakt door mensen die de gedachte
van verscheidenheid en multiculturalisme aanvaarden. Sommige mensen
vinden het onplezierig om er objectief naar te kijken, maar het is
een wetenschappelijk feit.
Ik had al eerder zulke opmerkingen gelezen, bij andere correspondenten
en ook op internet, en kon het niet helpen me af te vragen: Waar komen
deze ideeën vandaan? Zijn het de gedachten van mensen die niet
goed zijn ingelicht, of kunnen ze worden teruggevoerd op algemene bronnen
die beweren wetenschappelijk te zijn? Toen ik deze vragen verder onderzocht,
was ik verbaasd te ontdekken dat deze veronderstellingen oorspronkelijk
afkomstig waren van wetenschappers en geleerden die schreven over de
oorsprong van de mens en verscheidenheid. Maar betrof hun werk objectieve
wetenschap, of werd het vervormd door vooroordelen?
Vóór de 16de eeuw waren westerse opvattingen over de
oorsprong van de mens in overeenstemming met die van de christelijke
kerk. Ze leerde dat mensen van Adam en Eva afstammen – dus in
wezen hebben we allemaal een gemeenschappelijke voorouder. Het idee
van een gemeenschappelijke afstamming van ‘één oorsprong’
werd later monogenisme genoemd. Hierover ontstond twijfel in
de Eeuw van Ontdekkingen. Nadat Columbus de Nieuwe Wereld ontdekte,
en door anderen handelsroutes naar Afrika en Azië werden geopend,
kwamen meer Europeanen in contact met mensen die wat uiterlijk en leefomstandigheden
betreft veel van hen verschilden. Deze ontdekkingen boden de Europeanen
nieuwe kansen om rijkdom en land te vergaren, maar leidden ook tot een
groeiend besef van de menselijke verscheidenheid. Er ontstonden vragen
over deze volkeren die zo anders waren: In welke relatie stonden ze
tot de Europese volkeren? Hadden ze de gebruikelijke menselijke kwaliteiten
. . . of leken ze meer op zwakbegaafde voorouders?
Verschillende theorieën werden ontwikkeld om deze vragen te beantwoorden.
De oorspronkelijke bewoners leken op Adam vóór de val
(pre-adamitische volkeren), of ze werden beschouwd als afstammelingen
van de pre-adamitische volkeren, terwijl Europeanen van Adam en Eva
afstamden. Misschien waren er zelfs verschillende Adams – afzonderlijk
geschapen door God. Een andere zienswijze was dat blanke volkeren van
Seth afstamden en niet-blanke van Kain. Het denkbeeld van verschillende
oorsprongen werd polygenisme genoemd. In veel gevallen schreven
deze polygenetische en monogenetische theorieën ook waardeoordelen
toe aan verschillende menselijke groepen. Blanke mensen waren ‘de
uitverkorenen van God’ of stonden ‘dichterbij God’.
Men veronderstelde ook dat de oorspronkelijke bewoners waren gedegenereerd
van het volmaakte type dat door God was geschapen – Europeanen
die dit steevast geloofden, beschouwden zichzelf als het hoogtepunt
van de schepping.
Tijdens de kolonisatie van deze pas ontdekte landen werden de opvattingen
over de oorspronkelijke bevolking opportunistischer. Als deze bevolking
menselijk was, konden ze tot het christendom worden bekeerd. Als ze
niet menselijk waren, dan konden ze te werk worden gesteld als ‘lastdieren’
– en in dit laatste geval lag het land er voor het oprapen. Het
kolonialisme ontwikkelde zijn eigen manier van redeneren, die betrekking
had op het rangschikken van verschillende groepen mensen. De blanke
kolonisten vormden de hoogste laag van de samenleving, en het was hun
‘recht’ om de leiding te hebben. De oorspronkelijke bewoners
werden gerangschikt op een manier die het de blanke heersers mogelijk
maakte rassenscheiding toe te passen, ze als goedkope arbeidskrachten
te gebruiken, of ze volledig tot slaven te maken – en deze manier
van rangschikken is de basis geweest voor de ontwikkeling van iedere
racistische cultuur.
Dergelijk gedrag werd gerechtvaardigd met ideeën uit verschillende
ideologieën. Theologen verklaarden dat God verschillende rassen
had geschapen overeenkomstig een schaal van volmaaktheid: de minder
volmaakten waren hier om de meer volmaakten te dienen. Filosofen herinterpreteerden
het idee van Aristoteles dat de ‘schaal van de natuur vaststond
en onveranderlijk was’, zodanig dat elk van de rassen zijn plaats
op deze schaal innam. Opvattingen over rassen maakten ook deel uit van
de vroege wetenschap. Linnaeus beschreef een hiërarchie van volmaaktheid
waarin vier menselijke variaties werden onderscheiden: Europeanen stonden
aan de top, gevolgd door de Aziaten, Amerikanen, en Afrikanen. Het classificeren
van menselijke groepen zette zich tijdens de 18de eeuw voort. Johann
Friedrich Blumenbach, de grondlegger van de hedendaagse antropologie,
stelde vijf verschillende variaties vast – Kaukasisch, Mongools,
Ethiopisch, Amerikaans en Maleis – maar rangschikte ze niet. De
Nederlandse anatoom Peter Camper was de eerste die de menselijke kenmerken
analyseerde door de hoeken tussen bepaalde lijnen van het gezicht op
te meten, en dit bracht hem ertoe te concluderen dat negers dichter
bij apen stonden dan Europeanen. Er waren veel meningsverschillen tussen
18de eeuwse natuurwetenschappers, maar toch was men het erover eens
dat alle rassen leden van de menselijke soort waren. Dit begon te veranderen
in de 19de eeuw met een verschuiving naar polygenisme: de rassen waren
fundamenteel gescheiden en hadden verschillende oorsprongen, en niet
alle rassen behoorden tot dezelfde soort.
Deze verschuiving in het denken vormde een radicaal nieuwe koers. Gedachten
over de ‘edele wilde’, die in romans werd afgeschilderd
als begiftigd met gezond verstand, menselijkheid, en volmaakbaarheid,
maakten plaats voor een nieuwe denkrichting die alleen menselijkheid
toekende aan ‘beschaafde rassen’. De nieuwe wetenschap van
de antropologie bestudeerde en benadrukte rassenverschillen en die werden
geacht onveranderlijk te zijn. Polygenisme was een aantrekkelijke manier
om de uitbuiting van de oorspronkelijke bewoners te rechtvaardigen,
want nu werd de theorie onderbouwd door ‘wetenschappelijke feiten’.
De onderwerping van ‘wilden’ leidde niet tot een gewetensconflict
als ze werd gezien als onderdeel van de ‘strijd om het bestaan’
die essentieel was voor de ‘vooruitgang’ van de beschaving.
Er waren ook andere redenen voor de populariteit van deze opvattingen
in de 19de eeuw. Wetenschappers wilden onafhankelijk van religie zijn,
en de theorie over een gemeenschappelijke voorouder had teveel associaties
met Adam en Eva. Polygenisme bood aan wetenschappers een manier om zich
van de kerk te distantiëren door te beweren dat de verschillen
tussen de menselijke ondersoorten diepgeworteld en essentieel waren.
Vroege onderzoekers waren van mening dat dit door de wetenschap kon
worden bewezen, en diegenen die slavernij goedpraatten steunden deze
poging. In de Verenigde Staten werden slavenhouders bedreigd door een
groeiende beweging ter afschaffing van de slavernij en door de ethiek
van menselijke gelijkheid. Als de wetenschap kon bewijzen dat er afzonderlijke
scheppingen waren, konden ze dit gebruiken om menselijke onderworpenheid
‘moreel’ te rechtvaardigen.
Op grond hiervan was er vooral in De Verenigde Staten en Frankrijk
een sterke beweging om studie te maken van en uitspraken te doen over
rassenverschillen. De anatoom Georges Cuvier, bijvoorbeeld, dacht dat
de verschillende vormen van de soorten voor altijd vaststonden, en hij
was fel gekant tegen het evolutionisme van J.B. Lamarck. Lamarck was
van mening dat al het leven zich ontwikkelde van lagere naar hogere
vormen omdat de natuur een innerlijke drang naar transformatie heeft.
Ook de bioloog-geoloog Louis Agassiz steunde – hoewel hij een
monogenist was – de ideeën over rassenongelijkheid, want
hij zag niet-blanken als een andere soort.
Een ander criterium dat in die tijd werd gebruikt was of rassen al
dan niet de intelligentie hadden die hen in staat stelde tot beschaving
te komen. De Amerikaanse etnoloog Samuel Morton was ervan overtuigd
dat beschaving zich van laag naar hoog ontwikkelde, met de ‘cultuur
van de wilden’ op een lager niveau in deze evolutie en de Europese
cultuur aan de top. Hij nam de maten op van de schedelinhoud van verschillende
rassen om te bewijzen dat de hersenen van blanke rassen groter waren
en dat deze volkeren daarom intelligenter waren. Dezelfde theorie werd
ook gepropageerd door bekende wetenschappers in Europa. De schedelmetingen
van de vooraanstaande Franse antropoloog Paul Broca waren erop gericht
de minderwaardigheid van niet-Europese rassen vast te stellen, terwijl
de Britse polygenist Robert Knox de aanvoerder was van hen die verzekerden
dat sommige rassen niet in staat waren tot beschaving. Over
deze ideeën werd veel geschreven door de etnoloog J.A. de Gobineau.
Deze theorieën werden voor het grootste deel goed ontvangen door
het wetenschappelijk georiënteerde publiek, dat ze aanvaardde omdat
ze werden gezien als objectieve wetenschap.
Te midden van al deze concurrerende ideeën, publiceerde Charles
Darwin in 1859 zijn evolutietheorie. Hij noemde zijn boek On the
Origin of Species by Natural Selection, or The Preservation of Favoured
Races in the Struggle for Life, [Over het ontstaan van soorten
door middel van natuurlijke selectie, of het in stand houden van bevoorrechte
rassen in de strijd om het leven] en daarin stelde hij dat soorten
zich in de loop van de tijd door erfelijke aanpassingen ontwikkelen.
Hij beweerde dat soorten niet onveranderlijk zijn maar zich op den duur
via overgangsvormen ontwikkelen. Daarmee verschafte hij in feite de
grondslag voor het aanvaarden van monogenisme, want een gemeenschappelijke
afstamming voor alle soorten leek onverenigbaar met de polygenetische
leer. Toch raakte polygenisme niet volledig uit de gratie. Het werd
al vlug omgewerkt op een manier die het voor sommige darwinisten mogelijk
maakte het in de nieuwe evolutietheorie op te nemen.
Toen Darwin zijn Origin of Species publiceerde, had hij zijn
theorie nog niet op mensen toegepast, want er was geen bewijs dat er
menselijke fossielen bestonden. In 1856 waren er in het Neanderthal
overblijfselen gevonden, maar men had nog niet bevestigd dat het om
voorouders van de mens ging, en de informatie over de vondst verscheen
pas in 1861 in het Engels. Thomas Huxley gebruikte de Neanderthal-vondst
om ervoor te pleiten dat de ouderdom van de mens nu was aangetoond en
dat overtuigender overgangsvormen in de oudere geologische lagen zouden
worden gevonden.
De Duitse bioloog Ernst Haeckel wilde het feit rechtzetten dat Darwin
aan de voorouders van de mens was voorbijgegaan. Hij was van mening
dat mensen uit aapachtige zoogdieren evolueerden en hij bedacht overgangsvormen
(later ‘missing links’ genoemd). Hij kwam ook met een ‘mystieke’
theorie die monisme werd genoemd, waarin geest en stof hetzelfde
waren. Haeckel stelde zich voor dat het leven zich ontvouwde in een
opeenvolgende reeks die leidde tot de mens. Hij beschouwde apen als
een mislukte poging om het stadium van de mens te bereiken, en verschillende
rassen waren volgens hem verschillende soorten die hij indeelde naar
vooruitgang in evolutie. Hij beschouwde ‘inferieure rassen’
als kinderlijk, omdat zij de kinderstadia van de gevorderde soorten
vertegenwoordigden. Hij beschouwde het darwinisme bovendien als een
sociale theorie die de superioriteit van het ras van zijn eigen land
verklaarde. In zijn geschriften werden begrippen als ‘de strijd
om het bestaan’ en ‘overleving van de sterksten’ gebruikt
en ze waren erop gericht het Duitse volk te verenigen, ze een gemeenschappelijke
zienswijze te geven, en ze voor te bereiden om hun rechtmatige plaats
als het ‘superieure ras’ in te nemen. Hij was ervan overtuigd
dat er een oud ‘zuiver Arisch ras’ had bestaan, een superieur
Noord-Europees volk waarvan de Duitsers afstammelingen waren.
Haeckels opvattingen werden fel bestreden door de Duitse anatoom Rudolf
Virchow. De evolutietheorie was volgens hem onzinnig omdat ieder levend
wezen was opgebouwd uit cellen en alle cellen komen voort uit andere
cellen – en dus was elke afwijking van het oudertype een celstoornis.
De zogenaamde overgangsvormen waren geen evolutionaire veranderingen
– ze waren aanpassingen die door ziekte waren veroorzaakt. Zijn
evaluatie van de Neanderthal-overblijfselen was als volgt: ze vormden
geen bewijs voor een menselijke voorouder, maar een door ziekte getroffen
individu. Virchow twijfelde ook aan de geldigheid van Haeckels ‘Arische
mythe’, en dus verrichtte hij een omvangrijk onderzoek onder de
Duitse bevolking dat liet zien dat het zogenaamde Arische kenmerk van
blond haar en blauwe ogen slechts bij een kleine minderheid van Duitsers
werd aangetroffen.
De beweging die het darwinisme zou omwerken tot een sociale theorie
werd gedreven door grote politieke belangen, niet alleen in Duitsland
maar ook in Engeland en de Verenigde Staten. Een van haar sociale toepassingen
was eugenese, wat de wetenschap werd van het verbeteren van
de menselijke soort door ‘beter te kweken’. Haar doel was
te zorgen voor het overleven van de ‘sterkste’ mensen. Ze
bewoog veel landen ertoe wetten aan te nemen voor het steriliseren van
mensen die verstandelijk en lichamelijk ‘ongeschikt’ werden
geacht. Ze leidde ook tot het systematisch verbieden van huwelijken,
en aanhangers in de Verenigde Staten voerden actie voor meer beperkende
immigratiewetten. Ze waren vooral bang om onder de voet te worden gelopen
door mensen uit Oost- en Zuid-Europa.
Bepaalde theorieën waren in het bijzonder bruikbaar voor de eugenetische
beweging. De Duitse bioloog August Weismann bijvoorbeeld, kwam met een
theorie over een ‘kiemplasma’ – een onveranderlijke
erfelijke substantie die van generatie op generatie werd doorgegeven.
Voor eugenisten bewezen Weismanns proeven dat mensen al hun lichamelijke
en morele kenmerken erfden. Er waren in Duitsland veel mensen
die geloofden dat deze vorm van ‘erfelijkheid’ tot het succes
van het Duitse ras had geleid. Deze opvatting was zo populair dat in
1904 Duitse eugenisten het Genootschap voor Rassenhygiëne oprichtten
met Haeckel en Weismann als erevoorzitters.*
*Toen de nazipartij aan de macht kwam, kon veel van hun
beleid direct worden teruggevoerd tot deze zelfde beginselen van ‘rassenhygiëne’.
Een groot deel van het nazibeleid was ook geïnspireerd door Amerikaanse
eugenetische publicaties en wetgeving.
Het is opmerkelijk dat Darwin het niet eens was met veel ideeën
van de sociale darwinisten. Hij geloofde in de eenheid van rassen binnen
de menselijke soort die haar oorsprong vond in dezelfde oorspronkelijke
ontwikkelingslijn. Zijn criterium voor één enkele soort
was ‘onvruchtbaarheid’, en dus zolang verschillende groepen
mensen zich onderling konden voortplanten, behoorden ze alle tot dezelfde
soort. Toch geloofde hij tegelijkertijd in de superioriteit van bepaalde
rassen bij de strijd om het bestaan, en was ervan overtuigd dat natuurlijke
selectie de Europeanen een gunstige positie gaf bij hun interactie met
andere volkeren.
Aan het begin van de 20ste eeuw aanvaardden veel wetenschappers Darwins
theorie niet en twijfelden aan de geldigheid van het fossiele bewijsmateriaal
voor de menselijke afstamming. Er ontstond steeds meer discussie waarin
heel belangrijke vragen werden gesteld over de ‘mensachtige’
overblijfselen: Waren de fossielen werkelijk prehistorische mensen?
Wat was hun relatie tot de moderne mens? Waren ze onze voorouders of
uitgestorven zijtakken? Bij het formuleren van hun antwoorden gebruikten
antropologen dezelfde manier van redeneren die ze gebruikten voor het
interpreteren van rassen. Elke nieuwe ontdekking van ‘mensachtige’
overblijfselen werd ingedeeld op een schaal van relatieve inferioriteit
en superioriteit.
Van de antropologen die evolutie aanhingen, verwierpen er velen natuurlijke
selectie als het proces waardoor vormen evolueren. Ze voerden andere
mechanismen aan die de oorsprong van verschillende rassen zou verklaren.
In deze nieuwe versie van polygenisme hadden de verschillende rassen
een heel oude gemeenschappelijke voorouder waarvan zij waren afgetakt
en waaruit zij met verschillende snelheden waren geëvolueerd –
totdat elk ervan menselijk was geworden. Dus ontwierpen de polygenisten
een evolutie-tijdschaal om fossielen op hun afzonderlijke wegen van
rassenafkomst in te delen.
Al deze pogingen om fossielen te rangschikken, leidden tot een schema
dat steeds complexer werd. Sommige antropologen zochten naar overeenkomsten
tussen fossielen en vonden manieren om ze bij dezelfde soort te plaatsen.
Anderen benadrukten hun verschillen en waren geneigd iedere nieuwe ontdekking
een nieuwe soort te noemen. De meesten dachten dat het belangrijk was
om de rassen te rangschikken, en ze rangschikten de fossielen van de
menselijke voorouders op dezelfde manier. Maar er waren ook antropologen
die mensen als uniek beschouwden, in tegenstelling tot zij die mensen
als onderdeel van het dierenrijk zagen.
Een andere moeilijkheid was het rangschikken van levende rassen samen
met fossiele vormen. De rangschikkingen werden gezien als stappen in
de menselijke evolutie, als schakels tussen mensen en apen. Volgens
enkele van deze schema’s verschenen menselijke voorouders geleidelijk,
waarbij de ene vorm in de andere overging. Andere schema’s beschreven
de splitsing van een voorouderlijke soort in twee afstammelingen, elk
met zijn eigen afzonderlijke ontwikkelingslijn. De status van ‘lagere’
rassen werd verklaard door ze in een lineaire voortgang te plaatsen,
zodat ze in een eerdere fase op de evolutieweg van het ‘hoogste’
ras – de Europeanen – werden geplaatst. Sommige darwinistische
monogenisten gingen zo ver dat ze aan sommige rassen een aapachtige
status toeschreven.
De discussie over polygenisme tegenover monogenisme werd in de 20ste
eeuw voortgezet. Sir Arthur Keith was een bekende Engelse polygenist
met vaste opvattingen over rastypen en de superioriteit van de Noord-Europeaan.
Hij beweerde zelfs dat rassenaversies goed waren voor de evolutie van
de ‘uitverkoren’ rassen. Keith was ervan overtuigd dat de
verschillende rassen waren afgetakt van verschillende apensoorten. Volgens
hem waren de voorouders van de mensenrassen hogere zoogdiersoorten die
miljoenen jaren geleden bestonden. Deze voorouderlijke mensapen evolueerden
tot verschillende takken die onafhankelijk van elkaar ‘aapmensen’
(later australopithecines genoemd) werden. De verschillende
soorten aapmensen maakten vervolgens een ‘parallelle’ evolutie
door. Volgens deze redenering beschouwde hij de Peking-mens als de verre
voorouder van de Chinezen, en de Java-mens als de voorouder van de Australische
Aboriginals.
De ideeën van Keith hebben veel wetenschappers uit zijn tijd beïnvloed.
Een van hen was de vooraanstaande Earnest Hooton die door zijn werk
aan Harvard deze universiteit tot een van de belangrijkste centra van
de fysische antropologie maakte. Hooton had interesse in het classificeren
van mensen in verschillende rastypen, elk met een andere ontwikkelingslijn.
Hij dacht dat elke ontwikkelingslijn een ander experiment was in het
proces van het mens worden, en dat elk ras oorspronkelijk ‘zuiver’
en onvermengd was. Maar hij erkende dat dit niet langer het geval was.
Het strekt hem tot eer dat hij rassen niet rangschikte, zodat zijn polygenisme
niet openlijk racistisch is. Hij vond ook dat diegenen die gebruikmaakten
van fossielen om de kloof in de rassengeschiedenis te overbruggen, twijfelachtige
veronderstellingen maakten.
Een andere eminente Amerikaanse antropoloog was Franz Boas, die door
zijn werk aan Columbia University de culturele antropologie als een
belangrijke studierichting instelde. Hij was een van de eersten die
in opstand kwam tegen het indelen van rassen op een evolutieschaal en
het verbinden van cultuur en gedrag met biologie. Zijn onderzoek liet
zien dat biologische veranderingen te langzaam plaatsvonden om een verandering
van cultuur teweeg te brengen. Bovendien was elke cultuur gevormd uit
uiteenlopende elementen van verschillende groepen mensen, zodat één
groep niet als enige de oorzaak van beschaving is. Zijn standpunt, dat
bekendstaat als ‘cultureel relativisme’, was dat de opvattingen
en het gedrag van mensen zinvol waren volgens de waarden van hun eigen
cultuur, en dat er geen absolute schaal van waarden was die kon worden
gebruikt om de vooruitgang van welke etnische of raciale groep dan ook
te beoordelen.
Na de Tweede Wereldoorlog vond er een uitdrukkelijke verschuiving plaats
in de algemene houding tegenover rassen en er waren ook veranderingen
in de evolutiebiologie. Dit was allemaal terug te zien in de nieuwe
antropologische theorieën. In de eerste plaats werd het hele begrip
ras scherp bekritiseerd. Er was ook een nieuwe kijk op darwinisme en
natuurlijke selectie, die de geldigheid van vroegere ideeën over
polygenisme volledig ondermijnde. Maar voor sommige fysische antropologen
veranderden deze verschuivingen hun opvattingen over rassen niet, en
zij gingen verder met het interpreteren van fossiele exemplaren naar
rastypen.
Carleton Coon, één van Hootons studenten aan Harvard,
was een van de meest opmerkelijke naoorlogse polygenisten. In 1962 publiceerde
hij The Origin of Races [De oorsprong van rassen]
waarin hij verschillende rasherkomsten in verschillende geografische
regio’s plaatst en hun vooruitgang langs één tijdlijn.
Het was een evolutiegeschiedenis van de rassen waarin elk door de tijd
heen zijn eigen weg had gevolgd. Elk ras was op een andere manier gevormd
om in de behoeften van een andere omgeving te voorzien, en elk had zijn
eigen niveau op de evolutieschaal bereikt. Hij voerde de hedendaagse
rassen terug tot vijf oorspronkelijke geografische rassen: Kaukasisch,
Mongools, Australoïde, Congoïde, en Capoïde. Deze leefden
als een vóórmenselijke soort die bekendstond als Homo
erectus. De basis voor zijn theorie was dat de vijf subsoorten
van Homo erectus op vijf verschillende momenten evolueerden
tot Homo sapiens. Zij die het eerste mensen werden waren het
verst geëvolueerd, en in Coons denken waren dit de Europeanen op
grond van hun veronderstelde grotere hersenomvang. In dit polygenetische
model hield de lengte van de periode dat een subsoort mens was geweest
verband met zijn culturele prestaties.
Coons boek werd in academische kringen sterk bekritiseerd. Te veel
van zijn ideeën waren overduidelijk racistisch, en hij gebruikte
deze ideeën om het fossiele bewijsmateriaal te interpreteren. De
rol die de antropologie speelde in de filosofie van het Derde Rijk lag
nog vers in het geheugen van wetenschappers, en de meerderheid van hen
had de opvatting verlaten dat er vaste, inherente rassenverschillen
tussen mensen waren. Het is opmerkelijk dat Coon zichzelf verdedigde
door te zeggen dat hij geen racist was, en dat hij eenvoudig had gebruikgemaakt
van de objectieve wetenschap om tot zijn conclusies te komen.
Coon droeg zijn boek op aan de Duitse antropoloog Franz Weidenreich
en dit wekte de indruk dat Weidenreichs ideeën soortgelijk waren.
In feite verwierpen velen de theorieën van Weidenreich als polygenetisch,
en men dacht dat ze waren gebaseerd op de parallelle evolutie van verschillende
rastypen. Maar dit is niet het geval. Weidenreich was een expert op
het gebied van de reconstructie van menselijke overblijfselen en had
gewerkt aan de Peking-mens en de Java-mens. Op basis van zijn anatomische
onderzoek identificeerde hij ‘constitutionele typen’ die
konden worden teruggevonden in alle rassen. Elk type werd gekarakteriseerd
door een samengesteld geheel van fysieke kenmerken dat kon worden gebruikt
om mensen te typeren. Zijn onderzoek bracht hem er ook toe een polycentrisch
evolutiemodel te ontwikkelen. Hij was het oneens met het monocentrische
model, dat er slechts één centraal gebied van evolutie
was en dat daar nieuwe typen evolueerden en zich van daaruit over de
wereld verspreidden. Hij dacht dat er vier centra van menselijke evolutie
waren: West-Europa, Noordoost-Azië, Australië en Afrika. Maar
dit waren geen gebieden waar verschillende rassen afzonderlijk evolueerden.
Hij is nooit van mening geweest dat er zuivere rassen waren –
hij zag alle rassen als ‘kruisingen’ die zich voortdurend
aanpasten aan veranderingen in hun omgeving. Zelfs de ‘rassen’
die zich geografisch van elkaar onderscheidden, zag Weidenreich niet
als afzonderlijke typen maar als gradaties. Zijn onderzoek liet zien
dat alle menselijke variaties bij elkaar aanzienlijk minder in aantal
waren dan die van veel diersoorten. Zijn belangrijkste gedachte was
dat alle menselijke vormen, zowel levende als fossiele, tot één
enkele soort behoorden.
Weidenreichs theorieën bemoeilijkten de discussie over wat de
typerende kenmerken van een mens zijn, en een groot deel van deze discussie
richtte zich op de vraag hoe Neanderthalers moesten worden ingedeeld.
De eerste kenmerkende menselijke eigenschap was het vermogen om rechtop
op twee benen te kunnen lopen. Degene die het eerst een Neanderthal-skelet
reconstrueerde was de Franse anatoom Marcellin Boule. Hij veronderstelde
dat Neanderthalers een aapachtige soort waren en dus gaf hij zijn reconstructie
gebogen knieën en een ronde rug om een gebogen manier van lopen
te suggereren. Later onderzoek toonde echter aan dat ze volledig rechtop
liepen. Een andere eigenschap die werd gebruikt om mensen te kenmerken
was de ontwikkelde voorhoofdskwabben die mensen een hoog voorhoofd geven.
In vroege studies van de Neanderthal-schedels werd de conclusie getrokken
dat hun hersenen ‘onvolwaardig’ en ‘gebrekkig’
waren, en dat ze dus niet de intelligentie hadden om gereedschappen
te maken, ingewikkelde problemen op te lossen, of taal te gebruiken.
Maar al deze conclusies werden later weerlegd of in twijfel getrokken.
Er waren ook pogingen om het mens-zijn anatomisch te definiëren,
en veel ervan waren erop gericht om de Neanderthalers uit te sluiten.
Door deze definities lukte het ook om sommige hedendaagse bevolkingsgroepen
zoals de Australische Aboriginals uit te sluiten.
Het probleem was dat er zoveel Neanderthal-overblijfselen in West-Europa
werden gevonden, en veel westerse wetenschappers hadden er een duidelijke
afkeer van deze ‘brute wezens’ als hun voorouders te zien.
Dus werd het gebruikelijk ze te beschouwen als een uitgestorven soort
die zich niet had vermengd met mensen, en hun uitsterving vond
plaats terwijl ze werden ‘vervangen’ door migraties van
Homo sapiens die beter waren in de strijd om voedsel en territorium.
De wetenschappelijke theorie die dit proces beschreef werd de vervangingstheorie
(replacement-theorie) genoemd, ook bekend als het Out-of-Africa model.
Deze theorie stelt dat de geleidelijke evolutie van aapmensen tot modern
ogende mensen geheel in Afrika plaatsvond, en dat deze modern ogende
mensen zich vervolgens over Europa en Azië verspreidden terwijl
de inheemse bevolking met uitsterving werd bedreigd.
Diegenen die Weidenreichs theorieën aanhingen opperden dat migraties
van archaïsche mensen (Homo erectus) uit Afrika kwamen
vóór ze tot modern ogende mensen evolueerden.
Tijdens hun ontwikkeling in afzonderlijke gebieden was er een tendens
tot het behoud van hun eigen regionale kenmerken. Maar geen van deze
waren zuivere rassen omdat er altijd veel genen werden uitgewisseld
door hun voortplanting onder naastgelegen regionale groepen. Dit werd
bekend als het multiregionale model (ontwikkeld door Milford Wolpoff
en Alan Thorne), en in dit model vermengden Neanderthalers zich wel
met andere mensgroepen. De kerngedachte is dat alle menselijke groepen
onderling waren verbonden door genenuitwisseling, en deze banden maakten
het mogelijk dat volgende generaties in ieder gebied steeds modernere
kenmerken konden ontwikkelen.
In 1987 kreeg het Out-of-Africa model onverwacht bijval van een DNA-onderzoek
bij moderne mensen. Het richtte zich op wat er wordt geërfd van
de eicel van de moeder, mitochondriaal DNA (mtDNA), waarin naar men
dacht mutaties met een meetbare snelheid werden verzameld. Het liet
zien dat de hoeveelheid mtDNA-variatie tussen verschillende rassengroepen
heel klein was. De onderzoekers berekenden hoe lang het zou duren om
die hoeveelheid variatie voort te brengen, en trokken de conclusie dat
al het menselijke mtDNA 200.000 jaar geleden zijn oorsprong vond in
dezelfde afstammingslijn. Het onderzoek liet ook zien dat er een grotere
genetische variatie tussen verschillende groepen in Afrika is dan op
andere continenten. Daaruit werd opgemaakt dat menselijk mtDNA in Afrika
al veel langer verandert dan elders. De conclusie was dat de moderne
mens eerst in Afrika evolueerde, vóór hij begon te migreren.
Deze conclusies werden bekritiseerd omdat ze geen rekening houden met
hoe genenuitwisseling binnen een bevolkingsgroep kan variëren.
In het centrum, waar de bevolkingsdichtheid hoger is, zou genenuitwisseling
in meerdere richtingen plaatsvinden. Maar aan de randen ervan zou dit
veel minder het geval zijn. De snelheid zou ook hoger zijn als de bevolking
groter zou zijn, of als er meer tijd overheen was gegaan. Dus is het
erg onzeker om een constante mutatiesnelheid te veronderstellen. Een
kleine verandering in deze snelheid, gedurende duizenden jaren volgehouden,
zou de oorspronkelijke afstammingslijn van de moderne mensen gemakkelijk
kunnen terugvoeren tot Homo erectus.
Dit zijn op dit moment de twee belangrijkste concurrerende modellen
over de menselijke afstamming: het Out-of-Africa model en het multiregionale
model. Voorstanders van het ene model staan kritisch tegenover aanhangers
van het andere model. Hoe evalueren wij die geen experts zijn al deze
‘kennis’? Hoe weten we of iets waar is? Wetenschappelijke
conclusies over de menselijke oorsprong zijn meestal gebaseerd op veronderstellingen
– meningen en opvattingen die eenvoudig bevooroordeeld kunnen
zijn. Deze veronderstellingen hebben ook invloed op hoe wetenschappelijke
gegevens worden geïnterpreteerd: onderzoekers kunnen informatie
selecteren die met hun eigen vooropgezette meningen overeenkomt.
Eén manier om dit vooroordeel te beperken is om een hypothese
op te stellen die zo min mogelijk veronderstellingen nodig heeft. Een
voorbeeld is het idee dat we ondanks alle verschillende menselijke vormen,
allen deel uitmaken van één biologische eenheid.
Toch is er ook een gezichtspunt dat helemaal geen veronderstellingen
nodig heeft – een open geest. Het betekent dat we aanvaarden dat
we niet echt weten wat het betekent om mens te zijn, maar dat we ervoor
openstaan om dit te ontdekken. Als we terugkijken in de geschiedenis,
ontdekken we die zeldzame wetenschappers die openstonden voor andere
mensen – zonder hen in hokjes in te delen. Ze waren in staat om
zich in hun geest te verplaatsen en de menselijkheid van ‘de ander’
aan te voelen als gelijk aan die van henzelf. Veronderstel dat deze
gave ons erfgoed is – een openheid van denken en hart. Als
we met andere mensen konden omgaan zonder hen in hokjes in te delen
dan zouden we kunnen delen in de manier waarop zij het leven ervaren,
en zouden gedachten over inferioriteit en superioriteit wegvallen. Misschien
is dit wat het betekent om mens te zijn – het vermogen om
een diepe verbondenheid met al onze medewezens te voelen.
Aanbevolen literatuur
- Graves, Joseph L., The Emperor’s
New Clothes: Biological Theories of Race at the Millennium, Rutgers
University Press, New Brunswick, 2001.
- Shipman, Pat, The Evolution of Racism:
Human Differences and the Use and Abuse of Science, Harvard University
Press, Cambridge, 1994.
- Stringer, Christopher, en Robin McKie, African
Exodus – The Origins of Modern Humanity, Henry Holt and
Company, New York, 1997.
- Trinkaus, Erik, en Pat Shipman, The Neandertals
– Changing the Image of Mankind, Alfred A. Knopf, New York,
1993.
- Wolpoff, Milford, en Rachel Caspari, Race
and Human Evolution: A Fatal Attraction, Simon and Schuster,
New York, 1996.