Kaarten voor spirituele paden
Andrew Rooke

 

Voordat we op reis gaan raadplegen we gewoonlijk een kaart, of we spreken over de beste manier om het door ons beoogde doel te bereiken met iemand die de weg ernaartoe al heeft afgelegd. Dit gebeurt ongetwijfeld wanneer we een familievakantie plannen, of toekomstige stappen in onze carrière overwegen – maar is dit niet nog veel harder nodig voor de spirituele paden die we allemaal bewandelen? Voor hen die niet goed opletten is de spirituele reis vol verkeerde afslagen, kuilen, zijwegen, en doodlopende straten. Gelukkig voorzien de overleveringen en het religieuze erfgoed van de wereld ons van veel kaarten die ons op weg kunnen helpen naar ons doel van spirituele vooruitgang van de mensheid en onszelf. Deze kaarten zijn gewoonlijk geschreven in de vorm van verhalen, afbeeldingen, of eenvoudige instructies die door het denken gemakkelijk kunnen worden begrepen en door de eeuwen heen aan andere reizigers zullen worden doorgegeven. Laten we één van deze kaarten eens nader bekijken: de Tien Ossenhoeder-afbeeldingen van het Ch’an-boeddhisme, die een schitterend beeld geven van de uitdagingen en verleidingen die men op het spirituele pad tegenkomt.

Veel mensen die zich bewust bezighouden met een spirituele zoektocht spreken over de tekens of signalen die zich in het leven spontaan voordoen om richting te geven aan onze toekomstige stappen. Hiermee bedoel ik zowel innerlijke als uiterlijke keuzemogelijkheden die zich op strategische momenten in ons leven voordoen en die ons de kans bieden om te leren en iets positiefs aan onszelf en aan de wereld bij te dragen, of het tegenovergestelde als we ervoor kiezen met de negatieve krachten mee te stromen. Zulke alledaagse spirituele signalen kunnen ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen zijn zoals hoe we omgaan met onvermijdelijke familie-onenigheden over schijnbaar triviale zaken, of kunnen grote beslissingen zijn zoals een beroepskeuze die overeenkomt met onze ethische en morele opvattingen. Als we opmerkzaam zijn, kunnen we ontvankelijk worden voor deze signalen, die niets anders zijn dan het goddelijke deel van ons dat probeert onze voetstappen op het spirituele pad te leiden. In ieder leven worden we door het onsterfelijke deel van ons op een reis van spiritueel inzicht gestuurd die precies is afgestemd op wat we moeten weten om de innerlijke spirituele essentie te ontvouwen. Daarom verschillen de details van ieder leven en de signalen per persoon, maar ieder van ons heeft de mogelijkheid om onze levenslessen te overwegen en uit te vinden wat onze hogere natuur ons probeert te leren.

De culturele, religieuze en filosofische tradities van de wereld beschikken over veel kaarten voor spirituele paden die geschikt zijn voor verschillende typen mensen in verschillende tijdsperioden. De boeddhistische traditie geeft specifieke instructies om spirituele reizigers in staat te stellen hun weg te vinden in woorden die voor de meeste mensen van nu begrijpelijk zijn. Ze stelt duidelijk wat er van de spirituele reiziger wordt verlangd in leringen die bekendstaan als de Vier Edele Waarheden: ten eerste, leven is lijden; ten tweede, de oorzaak van lijden en verdriet in ons leven is gehechtheid of ‘dorst’ – trishna; ten derde, deze oorzaak kan worden opgeheven; en ten vierde, het opheffen van de oorzaken die menselijk leed voortbrengen wordt bereikt door een leven te leiden dat de ziel bevrijdt van gehechtheid aan het bestaan door het Edele Achtvoudige Pad te volgen: juiste overtuiging, juiste beslissingen, juiste woorden, juiste daden, juist beroep, juiste inspanningen, juiste contemplatie, juiste concentratie. Deze gedragslijn werd door Boeddha de Middenweg genoemd.

Een manier om deze ideeën grafisch weer te geven, de Tien Ossenhoeder-afbeeldingen, werd in de 12de eeuw door een Chinese Ch’an-boeddhistische meester ontworpen en wordt vooral door de Zen-boeddhisten van Japan gekoesterd. Ze komen overeen met de olifantentraining-afbeeldingen van het Tibetaanse boeddhisme, en ook met de paardentraining-afbeeldingen van het taoïsme. In een reeks van tien eenvoudige afbeeldingen wijst deze kaart ons de weg vanaf het moment waarop we ons bewust worden dat er zoiets als het hogere leven bestaat tot aan de verantwoordelijkheden van hen die dit hebben gevonden. Laten we kort elk plaatje bekijken en misschien zullen ze onze voetstappen op het spirituele pad helpen leiden.

 

1) De zoektocht naar de stier:

 

In het grasland van deze wereld duw ik eindeloos het hoge gras opzij op zoek naar de stier.

Ik volg de loop van naamloze rivieren, verdwaald op kronkelende paden vanuit verre bergen,

En terwijl mijn kracht afneemt en mijn energie uitgeput raakt,

Kan ik de stier niet vinden.

’s Nachts hoor ik alleen de krekels sjirpen in het bos.

 

Tussen de vele wereldse afleidingen en verstrikkingen zoekt iedereen op zijn eigen manier naar zijn ware natuur. Tijdens onze zoektocht denken we dat ze ver weg is, in de bergen en stromen van de toekomst, en slagen we er niet in om te zien dat het antwoord vlakbij ligt tussen onze eigen plichten en dagelijkse bezigheden. De ‘stier’ was nooit verdwaald, hij is een deel van ons maar we zien hem niet, ongeveer zoals de brillenglazen die op onze neus staan! Dit is een stadium waarmee we allemaal pijnlijk bekend zijn op onze zoektocht naar onszelf tussen de hoofd- en zijwegen van onze eigen natuur en het vaak verwarrende gebabbel van religieuze en filosofische organisaties.

 

2) Het ontdekken van de voetsporen:

 

Langs de rivieroever, onder de bomen, ontdek ik voetsporen!

Zelfs onder het geurige gras zie ik zijn afdrukken.

Diep in verafgelegen bergen zijn ze te vinden.

Deze sporen kunnen evenmin verborgen blijven als onze neus terwijl we naar de hemel kijken.

 

 

 

Onvermijdelijk en uiteindelijk ontdekken we de sporen of voetafdrukken van onze ware natuur of van hoe het heelal er in feite uit kan zien. Deze voetafdrukken kunnen niet worden verborgen omdat ze overal in ons leven zijn; het is aan ons om ons bewust te zijn van, en gevoelig te zijn voor, hun bestaan. Door een gebeurtenis in ons persoonlijke leven of door een boek, een vriend of een bijeenkomst van gelijkgestemde zielen worden we ons uiteindelijk bewust dat er zo’n leer over de werkelijkheid bestaat en dat er zo’n aspect van onszelf is.

 

 

3) Het waarnemen van de stier:

 

Ik hoor het lied van de nachtegaal.

De zon is warm, de wind is zwak, de wilgen zijn groen langs de oever,

Hier kan geen stier zich verbergen!

Welke kunstenaar kan die krachtige kop, die statige horens tekenen?

 

 

 

We gaan over van het zien van de tekens van de waarheid naar een direct besef van een waarheid die voor ons werkelijk veelbetekenend is. We worden overweldigd door haar schoonheid en kracht om ons te roeren, en niets zal ons tegenhouden om deze kennis van nu af aan na te streven! Dit kan komen door een bijzonder gevoel wanneer we een boek lezen of door een bijzonder moment van inzicht in ons dagelijks leven. We vervangen ervaring uit de tweede hand door directe waarneming, en daardoor vervangen we, al is het in nog zo’n geringe mate, dualiteit door de Eenheid van alle dingen.

 

 

4) Het vangen van de stier:

 

Ik grijp hem in een vreselijk gevecht.

Zijn sterke wil en grote kracht zijn onuitputtelijk.

Hij stormt een hoogvlakte op, ver boven de wolkenbanken,

Of hij staat in een ondoordringbaar ravijn.

 

 

 

Als we eenmaal weten dat er zoiets is als een ruimer bewustzijn, wordt het leven moeilijker en gaan we de strijd aan om de stier te temmen. Moeilijke omstandigheden ontstaan binnenin onszelf, en we zien gewone gebeurtenissen op een andere manier waardoor het voor ons moeilijk wordt om onze oude manier van handelen erop toe te passen. De ‘stier’ lijkt opstandig, gewend aan zijn oude manieren, zoekend naar nieuwe genoegens terwijl hij altijd ontevreden blijft. Dit is de toestand van veel mensen op het spirituele pad. We slagen er niet in te zien dat de stier in feite deel uitmaakt van onszelf, en verkeren in de waan dat we hem met harde hand kunnen laten gehoorzamen.

 

 

5) Het temmen van de stier:

 

Zweep en touw zijn noodzakelijk,

Anders zou hij een stoffige zijweg kunnen inslaan.

Als hij goed is getraind, wordt hij van nature vriendelijk.

Dan gehoorzaamt hij, zonder ketting, zijn meester.

 

 

 

Zolang we in de waan verkeren dat onze innerlijke natuur (en die van anderen) gescheiden is van onze uiterlijke natuur, zal de strijd voortduren. Deze twee zijn in feite aspecten van onszelf, beide noodzakelijk op hun eigen manier. We moeten zoeken naar het beste in onszelf en anderen, en ons zo geleidelijk vereenzelvigen met het innerlijke zelf. De ‘stier’ is van nature tevreden en vriendelijk en de ‘zweep’ en het ‘touw’ zijn uiteindelijk niet meer nodig. Eerst hebben we op onze zoektocht naar waarheid grote discipline nodig om het werkelijke van het onwerkelijke te scheiden; later wordt zo’n besef van de onmiddellijke werkelijkheid instinctief.

 

 

6) Op de stier naar huis rijden:

 

Ik bestijg de stier en keer langzaam terug naar huis.

De stem van mijn fluit klinkt door de avond.

Terwijl ik met mijn handen de maat sla van de ademende harmonie, leid ik het eindeloze ritme.

Wie deze melodie hoort, gaat meedoen.

 

 

 

Het berijden van de os duidt erop dat het uiterlijke zelf op één lijn wordt gesteld met de innerlijke natuur. Het spelen op de fluit duidt op het volgen van de innerlijke stem of muziek van de intuïtie, op eenzelfde manier als Krishna die vaak met een fluit wordt afgebeeld. Fluit en handen komen samen in harmonie met de universele symfonie van de oneindigheid als we terugkeren naar ons spirituele thuis; het uiterlijke en innerlijke zelf zijn op deze reis verenigd. De stralende aanwezigheid van zo’n verlichte persoon in de wereld kan uiteindelijk miljoenen inspireren die op de weg achter hem aan zwoegen; boeddhistische dichters zouden zeggen dat bloemen spontaan tot bloei komen als zo’n wijze door de tuin loopt.

 

 

7) De stier overstegen:

 

Schrijlings zittend op de stier kom ik thuis.

Ik ben sereen. Ook de stier mag uitrusten.

Het ochtendgloren is aangebroken. In gelukzalige kalmte

Laat ik zweep en touw achter in mijn hut met het rieten dak.

 

 

 

De wijze zit vredig te mediteren in het maanlicht van de vroege ochtend, naast zijn eenvoudige hut met een rieten dak, terwijl de vroeger zo angstaanjagende os nergens is te bekennen – de wijze is eindelijk thuis! Dit plaatje benadrukt dat alles van begin af aan één is geweest en niet twee. De ‘os’ was niet gescheiden van onszelf maar veeleer het middel om Eenheid te beseffen zoals de wijze in het plaatje dat doet, zittend en mediterend. Het verdwijnen van verduisterende wolken in het plaatje brengt de maan niet voort, maar onthult haar bestaan aan ons. Zoals de Boeddha onderwees: Boeddha bracht niets voort, maar hij ontdekte eenvoudig aspecten van de waarheid over hoe het universum werkt.

 

 

8) Zowel de stier als het Zelf overstegen:

 

Zweep, touw, mens en stier – alle gaan op in Niet-Iets.

Deze hemel is zo uitgestrekt dat geen boodschap hem kan besmeuren.

Hoe kan een sneeuwvlok bestaan in een laaiend vuur?

Hier zijn de voetafdrukken van de patriarchen.

 

 

Wat is dit! Er is hier niets, geen stier, geen mens, geen plaats – niets of beter gezegd Niet Iets. Nu we zijn thuisgekomen en hebben gebaad in de ware werkelijkheid zonder de verduisterende wolken, beginnen we te beseffen dat niets onafhankelijk of blijvend is. Alles is een onlosmakelijk deel van het geheel en kan daarom niet afzonderlijk worden afgebeeld zoals we eerder deden met de stier en de man. In deze toestand van direct begrip zijn ingewikkelde filosofieën of religieuze dogma’s niet nodig. Deze worden alle weggevaagd zoals voetafdrukken op het strand door golven worden weggespoeld. In plaats daarvan ontdekken we nu de voetafdrukken van die moedige zielen die ons zijn voorgegaan in het direct herkennen van waarheid.

 

 

9) Het bereiken van de bron:

 

Er zijn al te veel stappen gezet om terug te keren naar de wortel en de bron.

Het was beter geweest als je vanaf het begin blind en doof zou zijn!

Terwijl je in je ware essentie verblijft, onbezorgd over wat daarbuiten is –

Stroomt de rivier rustig door en zijn de bloemen rood.

 

 

Een vredig tafereeltje, zoals we dat zien als we hartje zomer op een rivieroever liggen en kijken naar het stromende water. De wilg buigt zich loom naar de stroom, terwijl insecten dansen boven het water en een vogel onze meditaties doorkruist. Als we omringd door deze schoonheid zitten, komt de gedachte op dat ogenblikkelijke werkelijkheid de bron van alles is – het begin en het einde van elke spirituele reis. De omstandigheden van het leiden van een verlicht of van een onwetend leven hangen ervan af hoe we met de werkelijkheid van het Nu omgaan. Op deze manier kunnen we ons bewust worden van de Bron in ons; dan zien we dat we niet actief hoeven te ‘zoeken’ of te ‘verwerven’ – de schat is in ons.

 

 

10) In de wereld:

 

Barrevoets en met blote borst meng ik me onder de mensen van de wereld.

Mijn kleren zijn haveloos en zitten onder het stof, en ik ervaar elk ogenblik geluk.

Ik gebruik geen tovenarij om mijn leven te verlengen;

Nu, vóór mijn ogen, komen de dode bomen tot leven.

 

 

Onze zoeker die het bestaan van de stier in het eerste plaatje vermoedde, keert nu terug naar de wereld als een verlichte spirituele leraar die andere zoekende mensen helpt die aan het begin staan van hun tocht. Omdat hij de realiteit heeft bereikt zoals die is, weet hij dat hij onafscheidelijk is van het geheel en keert hij terug om zijn plichten te vervullen tegenover hen die hetzelfde kunnen maar dit nog niet hebben bereikt. De wijze verlangt geen bevrediging van het ego, bijzondere vermogens, of wereldse beloningen van welke soort ook maar leeft volgens het bodhisattva-ideaal van dienstverlening aan anderen door wegwijzers langs het pad van onwetendheid naar verlichting te verschaffen.

Ieder van ons kan zich met één van de Ossenhoeder-afbeeldingen vereenzelvigen en informatie en aanwijzingen zoeken bij die plaatjes die stadia uitbeelden die op het spirituele pad vóór ons liggen. We kunnen troost putten uit het feit dat het laatste plaatje laat zien dat het doel van de reis niet is om zich terug te trekken uit deze wereld waarin zoveel mensen lijden. Verlichte mensen die het pad vóór ons hebben betreden, hebben ons niet achtergelaten op de zijwegen van onwetendheid. Hun en ons pad leidt uiteindelijk terug naar de wereld en de nooit-eindigende taak om het gewicht van het leed op de schouders van de mensheid een beetje lichter te maken.

 
Andere artikelen over boeddhisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency