Als twee druppels water?
Sarah Belle Dougherty

 

Omdat we menselijke lichamen kunnen zien, zijn we ons bewust van de vele variaties in menselijke verschijningsvormen. Het is duidelijk dat iedereen, ondanks de primaire overeenkomsten, een uniek uiterlijk heeft. Ieder van ons heeft vele andere unieke fysieke eigenschappen zoals stemafdruk, netvlies-scans, en DNA. Ik vraag me echter af of we beseffen hoe uniek we zijn in ons onzichtbare zelf – niet alleen in onze gewone persoonlijkheid, maar ook in de eigen manier waarop we waarnemen, denken en voelen.

Het is heel natuurlijk om aan te nemen dat de zintuigen en het bewustzijn van de meeste mensen ongeveer op dezelfde manier werken als de onze, want we hebben geen rechtstreekse kennis van de innerlijke ervaring van andere mensen. Op dezelfde manier kunnen we in eerste instantie denken dat alle gezinnen de details van hun leven op dezelfde manier organiseren als ons eigen gezin dat doet, of dat alle mensen met gezond verstand dezelfde waarden en denkbeelden koesteren als waarmee wijzelf zijn grootgebracht – tot we in contact komen met mensen met andere gewoonten en overtuigingen. Toch is ons innerlijke zelf zo persoonlijk dat we ons misschien nooit ervan bewust worden dat het generaliseren van onszelf naar anderen onjuist is.

Wanneer we met anderen onze innerlijke ervaringen vergelijken, kunnen we tot onze verbazing ontdekken hoe verschillend mensen zijn. De een voelt zich psychologisch verbonden met de wereld, de ander zo radicaal afgescheiden als een atoom. Sommigen kijken vanaf een zekere afstand naar het spel van bewustzijn en gebeurtenissen, terwijl een ander volledig opgaat in de ervaringen van zijn leven. Sommige mensen voelen zich verdeeld, alsof ze uit verschillende afzonderlijke ‘zelven’, of diverse lagen van maskers of schermen bestaan. Weer anderen kunnen zichzelf als een continuüm of één enkel zelf ervaren. Het geheugen werkt op verschillende manieren, met herinneringen die de vorm aannemen van statische foto’s, filmclips, gevoelens, vormen, enz. Mensen vertonen ook eigenschappen waarover we kunnen spreken als paren van tegengestelden zoals analytisch/synthetisch, abstract/concreet, evaluatief/analoog, inductief/deductief. Populaire concepten zoals psychologische typen, leerstijlen, en typen ‘intelligentie’ zijn grove classificaties, die overeenkomen met het categoriseren van het uiterlijk van mensen naar algemene lichaamstypen of naar de kleur van hun haar, ogen en huid. We kunnen geboeid zijn door deze brede classificaties, maar met zulke ruwe categorieën hebben we nog geen flauw besef van het brede spectrum van de uniekheid van het innerlijke leven van de mens.

We realiseren ons vaak dat de zintuigen van andere mensen scherper of minder scherp zijn dan die van ons, maar misschien beseffen we niet dat ze gevoeligheden en eigenschappen hebben waarvan wij ons niet eens bewust zijn. In werkelijkheid hebben we geen idee van de verscheidenheid van het menselijke bewustzijn en waarnemingsvermogen. We bevinden ons in de positie van een blinde die gevraagd wordt om de diversiteit van het uiterlijk van de mens te beschrijven. Wanneer we dus de vraag ‘wie zijn we?’ proberen te beantwoorden, kunnen we eigenlijk alleen maar onszelf kennen en niemand anders, ongeacht hoe open of intiem we ook met anderen zijn. Misschien is dat een reden waarom het Griekse orakel bezoekers aanraadde: ‘ken uzelf’ – dat is het enige subject dat we rechtstreeks en van binnenuit kunnen waarnemen. En zelfs hier filtert en vormt ons bewustzijn onze kennis, net zoals taal onze gedachten vormgeeft en filtert.

Ontdekken wie we zijn is een uitdaging, en vereist dat we een wetenschapper worden die onze eigen psyche bestudeert. We identificeren ons heel vaak met onze gedachten, gevoelens, stemmingen, of zelfs met onze handelingen of uiterlijk. Ons zelfbeeld is misschien een onveranderlijk beeld dat in de loop van de jaren is ontwikkeld, en in hoge mate wordt bepaald door wat anderen ons vertellen en wat we onszelf vertellen. Want we zijn geneigd onszelf net zozeer in stereotypen in te delen als anderen. Dit onderverdelen in vakjes is een luie strategie waardoor we niet de moeite hoeven te doen om door eigen rechtstreekse ervaring de dingen uit te zoeken en af te handelen. Hetzelfde mentale proces zien we wanneer mensen wordt gevraagd om een object te tekenen dat vóór hen staat, zoals een stoel of gezicht. In plaats van te tekenen wat ze werkelijk zien, zijn ze geneigd een karikatuur, een cultuurgebonden symbolische schets te tekenen. Om aan deze mentale neiging te ontkomen, en te leren om werkelijk te observeren en vast te leggen wat zich vóór ons bevindt, kost vaak inspanning en training, of een terugkeer naar een soort psychische onschuld.

Wanneer we onszelf beginnen te zien op de manier waarop een wetenschapper een dier in zijn omgeving zou waarnemen, zien we dat onze gedachten en gevoelens in ons bewustzijn komen en gaan. Ze zijn niet ons bewustzijn, maar veeleer zijn inhoud. We worden ons meer ervan bewust dat ons ego of alledaagse gevoel van een zelf slechts een deel en niet de kern is van wie we zijn. De oordelen, ongerustheid en zorgen van het ego over verleden en toekomst zijn eenvoudig de steeds veranderende aspecten van ons bewustzijn. Ook kan het ons opvallen dat aspecten van onze omgeving soms in onze psyche worden gereflecteerd, terwijl op andere momenten het universum als een spiegel werkt, zodat we overal waar we kijken onszelf zien. Meestal zijn we ons niet bewust van deze processen.

Maar waar zijn ‘wij’ in al deze psychische verschijnselen? Het doet er niet toe hoelang en hoe zorgvuldig we onszelf observeren, er is altijd een deel van ons dat we niet als een object kunnen waarnemen. Deze ‘waarnemer’ is fundamenteel in die zin dat we er niet achter of voorbij kunnen kijken. Om deze te overstijgen, betekent één te worden met het mysterie achter de dualiteit. Soms gebeurt dit gedurende korte tijd spontaan; soms wordt het bereikt door voorbereiding en inspanning. Misschien is dit onderliggende bewustzijn de kern van wie we zijn, ons ‘zelf’, niet in de zin van een onveranderlijke ziel, maar als de kern van waaruit onze evolutiegeschiedenis en levenservaringen zich ontvouwen, het centrum waaromheen onze ‘unieke’ individualiteit zich vormt en ontwikkelt.

Hoe dan ook, als we de veronderstelling loslaten dat we al weten wat mensen, vanbinnen en vanbuiten, zijn, stelt dit ons in staat om open te staan voor de grote variatie in wat het inhoudt om mens te zijn. Het herinnert ons aan de vele mysteries die besloten liggen in het onmetelijke Onbekende, dat wij en al onze medemensen helpen vormen. Waarom worden we dan geen wetenschappers van het menselijke leven, scherpe waarnemers die zelfs door het alledaagse en vertrouwde graag worden verrast?

 

Uit het tijdschrift Sunrise herfst 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency


 

De mens heeft geen lichaam dat duidelijk verschilt van zijn ziel; dat wat lichaam wordt genoemd is een deel van de ziel, waargenomen door de vijf zintuigen, die in deze tijd de voornaamste vensters voor de ziel zijn.    – William Blake