Omdat we menselijke lichamen kunnen zien, zijn we ons bewust van de
vele variaties in menselijke verschijningsvormen. Het is duidelijk dat
iedereen, ondanks de primaire overeenkomsten, een uniek uiterlijk heeft.
Ieder van ons heeft vele andere unieke fysieke eigenschappen zoals stemafdruk,
netvlies-scans, en DNA. Ik vraag me echter af of we beseffen hoe uniek
we zijn in ons onzichtbare zelf – niet alleen in onze gewone persoonlijkheid,
maar ook in de eigen manier waarop we waarnemen, denken en voelen.
Het is heel natuurlijk om aan te nemen dat de zintuigen en het bewustzijn
van de meeste mensen ongeveer op dezelfde manier werken als de onze,
want we hebben geen rechtstreekse kennis van de innerlijke ervaring
van andere mensen. Op dezelfde manier kunnen we in eerste instantie
denken dat alle gezinnen de details van hun leven op dezelfde manier
organiseren als ons eigen gezin dat doet, of dat alle mensen met gezond
verstand dezelfde waarden en denkbeelden koesteren als waarmee wijzelf
zijn grootgebracht – tot we in contact komen met mensen met andere
gewoonten en overtuigingen. Toch is ons innerlijke zelf zo persoonlijk
dat we ons misschien nooit ervan bewust worden dat het generaliseren
van onszelf naar anderen onjuist is.
Wanneer we met anderen onze innerlijke ervaringen vergelijken, kunnen
we tot onze verbazing ontdekken hoe verschillend mensen zijn. De een
voelt zich psychologisch verbonden met de wereld, de ander zo radicaal
afgescheiden als een atoom. Sommigen kijken vanaf een zekere afstand
naar het spel van bewustzijn en gebeurtenissen, terwijl een ander volledig
opgaat in de ervaringen van zijn leven. Sommige mensen voelen zich verdeeld,
alsof ze uit verschillende afzonderlijke ‘zelven’, of diverse
lagen van maskers of schermen bestaan. Weer anderen kunnen zichzelf
als een continuüm of één enkel zelf ervaren. Het
geheugen werkt op verschillende manieren, met herinneringen die de vorm
aannemen van statische foto’s, filmclips, gevoelens, vormen, enz.
Mensen vertonen ook eigenschappen waarover we kunnen spreken als paren
van tegengestelden zoals analytisch/synthetisch, abstract/concreet,
evaluatief/analoog, inductief/deductief. Populaire concepten zoals psychologische
typen, leerstijlen, en typen ‘intelligentie’ zijn grove
classificaties, die overeenkomen met het categoriseren van het uiterlijk
van mensen naar algemene lichaamstypen of naar de kleur van hun haar,
ogen en huid. We kunnen geboeid zijn door deze brede classificaties,
maar met zulke ruwe categorieën hebben we nog geen flauw besef
van het brede spectrum van de uniekheid van het innerlijke leven van
de mens.
We realiseren ons vaak dat de zintuigen van andere mensen scherper
of minder scherp zijn dan die van ons, maar misschien beseffen we niet
dat ze gevoeligheden en eigenschappen hebben waarvan wij ons niet eens
bewust zijn. In werkelijkheid hebben we geen idee van de verscheidenheid
van het menselijke bewustzijn en waarnemingsvermogen. We bevinden ons
in de positie van een blinde die gevraagd wordt om de diversiteit van
het uiterlijk van de mens te beschrijven. Wanneer we dus de vraag ‘wie
zijn we?’ proberen te beantwoorden, kunnen we eigenlijk alleen
maar onszelf kennen en niemand anders, ongeacht hoe open of intiem we
ook met anderen zijn. Misschien is dat een reden waarom het Griekse
orakel bezoekers aanraadde: ‘ken uzelf’ – dat is het
enige subject dat we rechtstreeks en van binnenuit kunnen waarnemen.
En zelfs hier filtert en vormt ons bewustzijn onze kennis, net zoals
taal onze gedachten vormgeeft en filtert.
Ontdekken wie we zijn is een uitdaging, en vereist dat we een wetenschapper
worden die onze eigen psyche bestudeert. We identificeren ons heel vaak
met onze gedachten, gevoelens, stemmingen, of zelfs met onze handelingen
of uiterlijk. Ons zelfbeeld is misschien een onveranderlijk beeld dat
in de loop van de jaren is ontwikkeld, en in hoge mate wordt bepaald
door wat anderen ons vertellen en wat we onszelf vertellen. Want we
zijn geneigd onszelf net zozeer in stereotypen in te delen als anderen.
Dit onderverdelen in vakjes is een luie strategie waardoor we niet de
moeite hoeven te doen om door eigen rechtstreekse ervaring de dingen
uit te zoeken en af te handelen. Hetzelfde mentale proces zien we wanneer
mensen wordt gevraagd om een object te tekenen dat vóór
hen staat, zoals een stoel of gezicht. In plaats van te tekenen wat
ze werkelijk zien, zijn ze geneigd een karikatuur, een cultuurgebonden
symbolische schets te tekenen. Om aan deze mentale neiging te ontkomen,
en te leren om werkelijk te observeren en vast te leggen wat zich vóór
ons bevindt, kost vaak inspanning en training, of een terugkeer naar
een soort psychische onschuld.
Wanneer we onszelf beginnen te zien op de manier waarop een wetenschapper
een dier in zijn omgeving zou waarnemen, zien we dat onze gedachten
en gevoelens in ons bewustzijn komen en gaan. Ze zijn niet ons bewustzijn,
maar veeleer zijn inhoud. We worden ons meer ervan bewust dat ons ego
of alledaagse gevoel van een zelf slechts een deel en niet de kern is
van wie we zijn. De oordelen, ongerustheid en zorgen van het ego over
verleden en toekomst zijn eenvoudig de steeds veranderende aspecten
van ons bewustzijn. Ook kan het ons opvallen dat aspecten van onze omgeving
soms in onze psyche worden gereflecteerd, terwijl op andere momenten
het universum als een spiegel werkt, zodat we overal waar we kijken
onszelf zien. Meestal zijn we ons niet bewust van deze processen.
Maar waar zijn ‘wij’ in al deze psychische verschijnselen?
Het doet er niet toe hoelang en hoe zorgvuldig we onszelf observeren,
er is altijd een deel van ons dat we niet als een object kunnen waarnemen.
Deze ‘waarnemer’ is fundamenteel in die zin dat we er niet
achter of voorbij kunnen kijken. Om deze te overstijgen, betekent één
te worden met het mysterie achter de dualiteit. Soms gebeurt dit gedurende
korte tijd spontaan; soms wordt het bereikt door voorbereiding en inspanning.
Misschien is dit onderliggende bewustzijn de kern van wie we zijn, ons
‘zelf’, niet in de zin van een onveranderlijke ziel, maar
als de kern van waaruit onze evolutiegeschiedenis en levenservaringen
zich ontvouwen, het centrum waaromheen onze ‘unieke’ individualiteit
zich vormt en ontwikkelt.
Hoe dan ook, als we de veronderstelling loslaten dat we al weten wat
mensen, vanbinnen en vanbuiten, zijn, stelt dit ons in staat om open
te staan voor de grote variatie in wat het inhoudt om mens te zijn.
Het herinnert ons aan de vele mysteries die besloten liggen in het onmetelijke
Onbekende, dat wij en al onze medemensen helpen vormen. Waarom worden
we dan geen wetenschappers van het menselijke leven, scherpe waarnemers
die zelfs door het alledaagse en vertrouwde graag worden verrast?