Tibetaans-boeddhistische meditatie
Alan E. Donant

 

De meditatie van het Tibetaanse mahayana-boeddhisme is een natuurlijke discipline waarin een diepe wijsheid besloten ligt. Iedereen die geïnteresseerd is in een gezaghebbende bron betreffende de basis en beoefening van meditatie zal de Lam rim chen mo van Tsong-kha-pa van onschatbare waarde vinden.1 Terwijl meditatie het onderwerp is dat in het derde deel centraal staat – het onderwerp van deze boekbespreking – bieden de delen 1 en 22 een belangrijke voorbereidende basis.

Deel 1 vertelt ons dat meditatiebeoefening niet speciaal gebonden is aan een bepaald moment van de dag. Omdat het deel van de meditatie dat we zittend doen wordt beïnvloedt door onze dagelijkse fysieke en mentale omstandigheden, dient men het onderwerp van meditatie de hele dag voor ogen te houden en zich bewust te zijn van de plekken waar men komt, de gedachten waarmee men zich bezighoudt, wat men zegt, enz. Met andere woorden, de hele dag is onze meditatie. De reden daarvoor is duidelijk:

Vanaf het begin der tijden ben je beheerst geweest door je denken; je denken werd niet door jou beheerst. Bovendien had je denken de neiging verduisterd te zijn door allerlei problemen, enz. Aldus is meditatie erop gericht om dit denken, dat de oorzaak is van alle fouten en gebreken, onder controle te brengen, en vervolgens om het dienstbaar te maken. Dienstbaarheid betekent dat je naar wens je denken op een heilzaam onderwerp van meditatie kunt richten.    – 1:99

Uiteindelijk is het alleen door middel van de verlichtingsgeest dat de werkelijkheid, ofwel de dingen zoals ze zijn, van binnenuit tevoorschijn begint te komen. Zonder deze is het volgen van de instructies voor meditatie en het je bewust zijn van alle details ervan van weinig nut. Deel 2 gaat nader in op de verlichtingsgeest door op opmerkelijke wijze de paramita’s toe te lichten.

Tsong-kha-pa (1357-1419)

Het derde deel van de Lam rim richt zich op twee onderwerpen, kalmte en inzicht. Deze twee fundamentele aspecten van meditatie zijn direct afleidbaar van de laatste twee paramita’s, dhyana (meditatieve stabilisatie) en prajña (wijsheid). In de 14de eeuw, de tijd waarin Tsong-kha-pa leefde, bestond er evenals in onze tijd over meditatie een groot misverstand, in het bijzonder over die twee aspecten ervan, en dit verkeerde begrip had twee oorzaken: onbekendheid met de klassieke literatuur en het ontbreken van een ware leraar. Dus wanneer de Lam rim de basis van kalmte en inzicht uiteenzet, verwijst de tekst niet alleen naar de paramita’s, maar citeert ook steeds de klassieke boeddhistische literatuur.

Kalmte (ook stabilisatie of mentale dienstbaarheid genoemd) is de consequente, eenpuntig gerichte concentratie op het onderwerp van meditatie zonder enige conclusies te trekken, oordelen te vellen of onderscheid te maken. Met wijsheid of inzicht wordt bedoeld analyse van het onderwerp van meditatie. Tsong-kha-pa verklaart waarom we beide nodig hebben:

Als je een olielamp aansteekt om midden in de nacht een afbeelding te bekijken, zal je de voorstelling heel duidelijk kunnen zien als de lamp helder schijnt en niet flakkert in de wind. Als de lamp niet helder is, of wel helder maar flakkert in de wind, zal je de beelden niet duidelijk zien. Evenzo zal je, als je naar de diepe betekenis kijkt, de werkelijkheid duidelijk zien als je zowel wijsheid bezit die feilloos de betekenis van de werkelijkheid onderscheidt als een onbewogen aandacht die – als je dat wilt – op het onderwerp van meditatie gericht blijft. Als je echter geen wijsheid bezit die weet hoe de dingen zijn – zelfs al heb je een niet-afdwalende concentratie waarin je denken stabiel is en niet uitgaat naar andere onderwerpen – dan mis je de ogen die de werkelijkheid zien. Daarom zal het onmogelijk zijn de dingen te kennen zoals ze zijn, hoezeer je je concentratie ook ontwikkelt. En zelfs als je een visie hebt waarin je de werkelijkheid – zelfloosheid – begrijpt, maar je geen goede concentratie hebt die eenpuntig op één onderwerp gericht blijft, zal het onmogelijk zijn de dingen te kennen zoals ze zijn, want je zult worden gestoord door de winden van het onbeheersbaar wisselende discursieve denken. Daarom heb je zowel kalmte als inzicht nodig. . . . Dus het kenmerkende van meditatieve kalmte is dat je aandacht blijft waar je hem op hebt gericht zonder te worden afgeleid van het onderwerp van meditatie. Het kenmerkende van inzicht is dat je de werkelijkheid van zelfloosheid kent en verkeerde opvattingen zoals de opvatting over een zelf elimineert; je denken is dan als een berg die door geen tegenstander tot wankelen kan worden gebracht.    – 3:19-20

Zo worden we als we geen kalmte bezitten, zelfs al bezitten we onderscheidende wijsheid, het slachtoffer van onduidelijke begrippen als gevolg van de onstandvastigheid van het denken. Het doet me denken aan de eerste keer dat ik met behulp van een toverlantaarn voorstellingen zag of stereogrammen met een verborgen afbeelding bekeek. Eerst leken ze kleurpatronen op een blad papier te zijn, maar toen ik ‘goed’ keek zag ik driedimensionale afbeeldingen. Toen ik de driedimensionale afbeelding voor het eerst zag werd ik er heel opgewonden over en raakte onmiddellijk het beeld weer kwijt in het kleurenpatroon. Toen ik het opnieuw probeerde, leerde ik om het driedimensionale beeld even vast te houden; tenslotte ontwikkelde ik het vermogen om ‘gefocust te blijven’, het vermogen om de hele afbeelding van links naar rechts te onderzoeken zonder het beeld te verliezen. Voor mij illustreert deze ervaring de noodzaak van kalmte voordat men iets gaat onderzoeken.

Tsong-kha-pa beantwoordt de vraag ‘Wat dient eerst te worden ontwikkeld, kalmte of inzicht?’ door de Bodhisattva-caryavatara [het verrichten van de handelingen van een bodhisattva] van Santideva te citeren:

Inzicht dat samengaat met kalmte
Vernietigt elke kwelling. Als men dit weet,
Streef dan vanaf het begin naar kalmte.

Kalmte is dus de sleutel tot wijsheid of inzicht. De beoefenaar oefent zijn denken op milde wijze door het zonder dwang of oordeel terug te brengen naar het onderwerp van meditatie, want zulke middelen leiden ons alleen maar af van ware dienstbaarheid.

Twee thema’s die de grondslag vormen voor het beoefenen van meditatieve kalmte zijn ‘vertrouwen op de eerste vereisten voor meditatieve kalmte’ en ‘hoe kan men kalmte ontwikkelen’. De noodzakelijke voorwaarden betreffen de plek waar we wonen, het minimaliseren van onze verlangens en gedachten aan verlangens, tevredenheid, het verminderen van onze vele activiteiten, en de beoefening van zuivere ethische discipline. Als men aan deze vereisten begint te voldoen omvat de eigenlijke beoefening de meditatiehouding en het proces van meditatie. De details van het meditatieve proces strekken zich uit over vele gebieden, bijvoorbeeld hoe we feilloze concentratie moeten ontwikkelen. De bespreking van de zaken die de nieuwe beoefenaar uit zijn concentratie halen (opgewondenheid of laksheid bijvoorbeeld), de manieren om ze te boven te komen en de stadia van het binnentreden in de werkelijkheid, is fascinerend.

Het stadium van kalmte omvat verschillende componenten. De voorbereidende stadia betreffen de moeilijkheden die meditatie en het zich gewaarworden van de waarheid in de weg staan. We verkeren allemaal wel eens in negatieve mentale toestanden, maar soms zijn ze volkomen overweldigend. In zulke gevallen zijn er voorgeschreven onderwerpen voor meditatie die het denken kan gebruiken om zijn gerichtheid te bewaren. Tsong-kha-pa bespreekt deze in categorieën: universele onderwerpen, onderwerpen om het gedrag te zuiveren, onderwerpen voor het aanleren van vaardigheden, en onderwerpen voor het zuiveren van kwellingen van de geest; ook wie welke onderwerpen zou moeten gebruiken. Het belangrijkste idee is dat de beoefenaar, in plaats van betekenisloze objecten zoals een kaarsvlam te gebruiken, zou moeten overwegen een onderwerp of begrip te nemen dat later van betekenis zal blijken, in het bijzonder wanneer hij in de meditatie het stadium van wijsheid bereikt. Daarom is een afbeelding van de Boeddha of het onderwerp mededogen misschien een betere keuze dan de punt van je neus.

Het tweede en omvangrijkste deel van het boek opent met ‘Waarom inzicht noodzakelijk is’:

Zoals ik heb uitgelegd heeft meditatieve kalmte de eigenschappen van (1) niet-discursiviteit – dat wil zeggen dat als je je aandacht opzettelijk richt op een enkel onderwerp van meditatie, deze daar ook blijft; (2) helderheid – dat wil zeggen, je aandacht is vrij van laksheid; and (3) voordeel – dat wil zeggen verrukking en gelukzaligheid. Hiermee alleen moet je echter niet tevreden zijn. Van meer belang is dat je inzicht verdiept door wijsheid te ontwikkelen die de betekenis van de werkelijkheid in juiste zin bepaalt. Anders zal, omdat concentratie iets is dat boeddhisten gemeenschappelijk hebben met niet-boeddhisten, de ontwikkeling ervan – evenmin als het geval is met de wegen die niet-boeddhisten bewandelen – niet ertoe leiden dat we de zaden van kwellingen van de geest kwijtraken.    – 3:107

Deze zaden ontstaan uit het besef van het zelf; maar wat is het zelf? Hier naderen we het centrale punt van de boeddhistische studie, het denkbeeld sunyata (leegte, werkelijkheid). Zonder de zelfloosheid te beseffen – wat gebeurt door het begrijpen van sunyata – zullen lijden en cyclisch bestaan blijven optreden. Het begrijpen van zelfloosheid ontstaat door analytische meditatie of inzicht, waarbij de beoefenaar vanaf en via het onderwerp van meditatie tot een reeks inzichten komt die leiden tot het inzicht dat alle verschijnselen afhankelijk van voorafgaande verschijnselen ontstaan, die weer uit andere verschijnselen ontstonden, en zo tot in het oneindige. Volgens Tsong-kha-pa kan een volledig begrip hiervan niet alleen van binnenuit komen; men moet naar anderen luisteren, bij voorkeur een gekwalificeerde leraar, en de lering in meditatie analyseren met behulp van de vaardigheid van kalmte. Daarom is het belangrijk dat men vertrouwt op gezaghebbende bronnen:

Als je niet vertrouwt op de verhandelingen van gezaghebbende wegbereiders die commentaren geven op het denken van de Boeddha, ben je als een blinde die zonder gids op een gevaar afstevent. . . .

Welk type geschriften is gezaghebbend en welk type is provisorisch? Dit wordt bepaald aan de hand van de onderwerpen die ze bespreken. Geschriften die de grondbeginselen onderwijzen worden beschouwd als geschriften van onbetwiste betekenis en die welke conventies onderwijzen worden beschouwd als provisorisch.    – 3:112

Boeddhistische geschriften bevatten veel uiteenzettingen over de leegte of werkelijkheid. Om de werkelijkheid binnen te gaan, doorloopt men een aantal stadia. De eerste is het diep overdenken van het cyclische bestaan waarbij men de gebreken en nadelen ervan in ogenschouw neemt. Het volgende stadium is te begrijpen dat we deze toestand niet te boven kunnen komen tenzij we de oorzaken ervan begrijpen door de wortels ervan te onderzoeken. Tijdens dit proces komen we tot in het diepst van ons hart tot het inzicht dat het feit dat we het tijdelijke voor het werkelijke houden de wortel is van het cyclische bestaan. Nadat we een onwrikbaar inzicht hebben bereikt in de wortel van het cyclische bestaan, moeten we, indien we verder willen gaan met de beoefening van meditatie, de wil ontwikkelen om deze oorzaak te overwinnen.

Zie vervolgens in dat het te boven komen van de verstoffelijkende opvatting over de vergankelijke samengestelde dingen afhankelijk is van de wijsheid die weet dat het zelf, als zodanig opgevat, niet bestaat. Je zult dan inzien dat je dat zelf moet weerleggen. Zorg voor zekerheid bij die weerlegging, en vertrouw daarbij op geschriften en redeneringen die het bestaan ervan weerspreken en het niet-bestaan ervan bewijzen. Nadat je aldus tot het filosofische inzicht bent gekomen dat onderscheidt dat het zelf en dat wat tot het zelf behoort zelfs geen greintje opzichzelfstaande geaardheid heeft, moet je jezelf daar verder vertrouwd mee maken; dit zal leiden tot het bereiken van de belichaming van waarheid.    – 3:120

In veel hoofdstukken wordt dit essentiële idee besproken, waarbij het verloop en de technieken van inzichtmeditatie in de mahayana-school worden onderzocht.

In alle drie de delen van de Lam rim chen mo worden de benaderingswijzen van andere scholen onderzocht, en ook de argumenten die tegen de leringen van de Gelug-school van Tsong-kha-pa worden ingebracht. Zelfs na alle details en subtiliteiten die zijn uiteengezet, zegt Tsong-kha-pa voorafgaand aan zijn conclusie:

De dingen die ik hier heb gezegd zijn slechts een ruwe uitleg. Om de finesses te begrijpen van wat tijdens het mediteren gunstig is, en wat ongunstig, moet je vertrouwen op wijze leraren en gebruikmaken van je eigen meditatieve ervaring.    – 3:352

Geldt niet voor alle grote leraren dat ze een impliciet vertrouwen hebben in de wijsheid-traditie en in het vermogen van de student tot directe waarneming; dat noch het ervaren van de waarheid noch de volledige betekenis van een verheven leer in woorden kan worden uitgedrukt? De uiteindelijke bron van wijsheid en begrip moet bij iedere onderzoeker van binnenuit komen.

Tenslotte kom ik met betrekking tot meditatie tot de belangrijke conclusie dat zij niet het object van ons streven hoort te zijn. Meditatie is een gereedschap dat ons helpt het doel te bereiken. En het doel? Een leven te leiden dat niet alleen eerder anderen helpt dan onszelf, maar ook om een leven te leiden dat alleen al door het te leven de hele mensheid ten goede komt.

 

Noten

  1. The Great Treatise on the Stages of the Path to Enlightenment, Tsong-kha-pa, 3 delen, Snow Lion Publications, 2000.
  2. Zie Sunrise mrt/apr 2002 voor een bespreking van deel 1, en Sunrise mrt/apr 2006 voor een bespreking van deel 2.
 
Andere artikelen over boeddhisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise herfst 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency


 

Zoals de bij, die uit verschillende bloemen nectar verzamelt, aanvaardt de wijze de essentie van verschillende geschriften en ziet in alle religies alleen het goede.    – Srimad-Bhagavatam