Schoonheid die onopgemerkt blijft
E. Harley


Het was een prachtige winterdag in Pretoria. De zon scheen lekker warm en toch was de lucht fris. Het nodigde uit om naar buiten te gaan, en omdat we dit niet konden weerstaan maakte ik met een vriend een wandeling naar een heuveltop. De heuvel die we beklommen stond in scherp contrast met de schoonheid van de dag. Overal om ons heen had het gras een vale, grijsbruine kleur, alsof het er met een smerige kwast was opgesmeerd. Ik maakte hierover een opmerking tegen mijn vriend die als reactie daarop een zakmicroscoop uit zijn vestzak tevoorschijn haalde. Hij bukte zich en plukte wat van de lelijk gekleurde begroeiing en gaf het aan mij met de microscoop en liet me zien hoe ik moest staan zodat het zonlicht direct op de plant viel en door de microscoop weerkaatste. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven, want plotseling keek ik naar een bosje glanzende miniatuurbloemen met een prachtige, broze kleur. Hij plukte exemplaar na exemplaar en ik staarde met verbazing naar zachtpaarse, gele en roze tinten die van een teerheid waren waar een gewone tuin zich niet op kon beroemen. Prachtige gevederde bladeren van een varenachtige sierlijkheid ontvouwden zich in een vervagend groen dat je niet voor mogelijk had gehouden als je naar de heuvel keek. Het leek vreemd dat zoveel schoonheid zo verborgen was, een geheim leven dat, onzichtbaar achter een vaalbruin uiterlijk, door de natuur in stand werd gehouden.

Een paar dagen later, toen ik in de kliniek was waar ik werkte, kwam er een vrouw met drie kinderen binnen. Haar haar hing in slordige plukken om een gezicht waarvan de onverzorgde huid er droog en mat uitzag. Haar onelegante figuur werd in de taille bijeengebonden en puilde vrijelijk uit boven en onder de enige vernauwing van haar gewaad. Ze ging zitten en met het geduld van de armen wachtte ze op haar beurt. De kinderen vatten geleidelijk steeds meer moed en dwaalden rond in de wachtkamer, en naarmate de tijd verstreek waagden ze steeds meer in hun verkenning. Plotseling verloor het meisje, in een te overmoedige poging om van een stoel op een grote tafel te klimmen, haar evenwicht en viel. Ze gilde heel hard maar het was duidelijk dat ze zich niet echt had bezeerd. Haar beide broers, maar een beetje groter dan zijzelf, schoten haar bezorgd te hulp, hielpen haar heel voorzichtig overeind en brachten haar naar hun moeder. Toen het kind viel, sprong de moeder in paniek op, maar toen ze zag dat het kind zich niet echt pijn had gedaan en dat haar broers zich met zoveel tederheid en zorg om haar bekommerden, kregen haar ogen een zachte uitdrukking en gleed er een blik van zo’n onuitsprekelijke liefde over haar gezicht dat het voor enkele seconden leek te glanzen – opnieuw keek ik naar pure schoonheid. Ik dacht aan de klim naar de heuveltop en besefte duidelijk hoeveel schoonheid in de wereld voor onze ogen verborgen moest zijn.

Schoonheid is er aan alle kanten; we moeten onze eigen microscopische waarneming ontwikkelen om door het fysieke uiterlijk heen te dringen, waarachter, net als de met gras bedekte helling van de heuvel, een schitterende pracht schuilgaat die voor onze niet opmerkzame ogen nog verborgen is.


Uit het tijdschrift Sunrise herfst 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency


 

Ik benijdde de vader van ons ras altijd, omdat hij leefde op een manier waarbij hij in contact stond met de pas geschapen velden en planten van Eden; maar dat doe ik niet meer, omdat ik heb ontdekt dat ook ik in ‘de dageraad van de schepping’ leef. De ochtendsterren zingen nog steeds samen en de wereld, die nog niet voor de helft klaar is, wordt met de dag mooier.    – John Muir