Gebed en meditatie
Scott Osterhage

 

Wanneer we de woorden ‘gebed’ en ‘meditatie’ uitspreken, krijgen we daar bepaalde beelden bij: bij bidden misschien een persoon die geknield zit met gesloten ogen, gebogen hoofd en gevouwen handen; bij meditatie misschien iemand die met gesloten ogen in kleermakershouding zit, de rug recht en de handen opengevouwen in de schoot. Maar we hoeven ons niet bezig te houden met lichaamshoudingen; het gaat om de instelling, onze gedachten en uiteindelijk onze handelingen.

We weten allemaal dat onze woorden gebrekkige weergaven zijn van onze gedachten. Ieder mens heeft waarschijnlijk een enigszins andere voorstelling van het woord gebed en zou het op een enigszins andere manier in praktijk brengen. Hetzelfde geldt voor meditatie. We hebben allemaal verschillende ideeën en opvattingen over de begrippen en hoe ze zouden moeten worden toegepast. Veel zogenaamde goeroes en geestelijken hebben misschien geprobeerd ons te leren wat deze woorden betekenen (of beter gezegd, wat ze voor hen betekenden) en hoe we ze zouden moeten gebruiken (of beter gezegd, hoe zij vinden dat wij ze zouden moeten gebruiken). Tegenwoordig hebben we een enorme keuze als we de ideeën van anderen over meditatie of gebed te weten willen komen, en dit kan een dure onderneming zijn. Maar alleen door onze eigen inspanning, studie en oefening kunnen we ware kennis geleidelijk in ons leven laten doordringen.

Onze geest verheffen om hogere bronnen van inzicht te bereiken: dat doen we als we bidden of mediteren. Bidden houdt meestal in dat mensen een hogere bron aanroepen, terwijl meditatie een verlangen opwekt om het innerlijke goddelijke te bereiken. Misschien zijn dit twee verschillende manieren om dezelfde bergtop te bereiken. Als de god tot wie sommigen bidden de bron is van onze goddelijke vonk, innerlijke Vader, of hogere zelf, is dit dan dezelfde hogere bron waar anderen op mediteren? Wat doen we wanneer we bidden tot of mediteren op onze godheid? Proberen we dan ons lagere of ‘dierlijke’ zelf te verheffen tot het innerlijke goddelijke zelf? Proberen we dan volledig menselijk te worden?

Als we om iets gedaan te krijgen een macht buiten onszelf aanroepen, voor onszelf of voor anderen, doen we naar mijn mening tevergeefs een verzoek. Dit is slechts wensen dat er iets zou gebeuren. Toen ik een kind was kwam die fiets waar ik voor bad er nooit; pas toen ik hard ervoor werkte verscheen de fiets eindelijk. Verlangen zonder handelen levert niet het gewenste resultaat op. We kunnen wensen dat er vrede komt, maar indien we zelf niet vredig zijn dan zal elk positief resultaat onvolledig zijn. H.P. Blavatsky schrijft:

Onze gebeden en smeekbeden zijn zinloos, tenzij we aan potentiële woorden krachtige handelingen toevoegen en de aura die elk van ons omgeeft zo zuiver en goddelijk maken dat onze innerlijke God uitwendig kan werken, of anders gezegd, als het ware een van buiten komende Kracht kan worden. Op deze wijze zijn ingewijden, heiligen en zeer heilige en zuivere mensen in staat gesteld om zowel anderen als zichzelf te helpen op het moment dat dit nodig is, en om ‘wonderen’ te verrichten, zoals ze heel dwaas worden genoemd, elk door en met de hulp van de innerlijke God, die alleen door [elk van] hen de mogelijkheid heeft gekregen om op het uiterlijke gebied te werken.

Zelfs met gedachten en motieven moeten we oppassen. De Bhagavad Gita dringt bij ons eropaan niet gehecht te zijn aan de resultaten van onze handelingen. Hierover scheef Blavatsky:

Wens geen resultaten die vormen van macht zijn. Wens bij je inspanningen slechts om dichter bij het centrum van het leven te komen (dat in het universum hetzelfde is als in jezelf) waarbij het voor jou niet uitmaakt of je sterk of zwak bent, ontwikkeld of niet ontwikkeld. Het is jouw goddelijkheid; het is de goddelijkheid die we allemaal delen. Maar zij die alleen uit zijn op geld of macht of succes bij materiële inspanningen geloven niet in het bestaan ervan.

Zelfzucht, hebzucht en persoonlijke wensen zijn geen dingen waar je voor moet bidden of op moet mediteren. Maar sommigen zouden zeggen dat iemand het beste wensen bij ziekte en bidden voor een voorspoedig herstel, onzelfzuchtig en goed is. Toch leggen we door dit te doen iemand anders onze wil op, hoe goed onze bedoelingen ook zijn. Is het juist om anderen onze eigen gedachten op te dringen? Is het een vorm van dwang? Wat als de ziekte die zij hebben hen in staat stelt om karmische gevolgen van gedachten en handelingen uit het verleden uit te werken? We kunnen meedogend zijn zonder de bedoeling anderen onze wil op te leggen. Voor mij is het beter om het grotere verband te zien en te begrijpen dat er in elk leven meer gebeurt dan we ons kunnen voorstellen. De oorsprong hiervan is vaak versluierd in de mist van de tijd. Blavatsky schrijft in De Sleutel tot de Theosofie dat zelfzuchtige smeekbeden helemaal geen gebed zijn, maar een soort zwarte magie en

wee die occultisten en theosofen die golven van wilskracht omhoog zenden voor zelfzuchtige en slechte doeleinden, in plaats van de begeerten van het lagere persoonlijke ego of de fysieke mens te vernietigen en, zich richtend tot hun hogere spirituele ego, gehuld in atma-buddhisch [goddelijk] licht, te zeggen, ‘Uw wil geschiede, niet de mijne’, enz.! Want dat is zwarte magie, een gruwel en spirituele toverij.    – blz. 64

Omdat meditatie geen smeekbede is, stelt ze ons in staat onze gedachten te richten op de onzelfzuchtige bron van alles, wetend dat de grote wet van karma alles zal rechtzetten in overeenstemming met de absolute rechtvaardigheid van oorzaak en gevolg. William Q. Judge verdeelt meditatie in twee soorten: ‘De eerste is de meditatie die wordt beoefend op een vastgestelde tijd, of af en toe, volgens een vast patroon of in overeenstemming met bepaalde fysiologische eigenschappen. De tweede is de meditatie van een heel leven, die unieke draad van intentie, concentratie en verlangen die door de jaren heen loopt van de wieg tot het graf.’ In dit tweede type ben ik geïnteresseerd. Om elk moment dat je bewust bent te doordringen met onzelfzuchtige contemplatie over het goddelijke, of je nu de afwas doet of je beroep uitoefent; wetend dat elk van je beslissingen wordt bezield, van het standpunt over liefde en toewijding tot de uiteindelijke levensbeginselen – dat is werken met de natuur en haar niet beoordelen of proberen haar pad te veranderen. Judge vertrouwt ons een laatste gedachte toe:

Wil en verlangen liggen ten grondslag aan meditatie en concentratie. Als we waarheid verlangen met dezelfde intensiteit waarmee we vroeger succes, geld of voldoening nastreefden, zullen we snel meditatie kunnen beoefenen en over concentratie beschikken. Als we al onze handelingen, klein en groot, ieder ogenblik verrichten ten behoeve van de hele mensheid, die het Hogere Zelf vertegenwoordigt, dan zal iedere cel en vezel van het lichaam en de innerlijke mens in één en dezelfde richting gaan, wat resulteert in een volmaakte concentratie. Dit wordt uitgedrukt in het Nieuwe Testament in de uitspraak dat als men één doel voor ogen heeft, het hele lichaam vol licht zal zijn . . . In één (hoofdstuk van de Bhagavad Gita) wordt het prachtig verwoord als het oplichten in ons van de Allerhoogste, die dan zichtbaar wordt. Laten we mediteren op dat wat in ons is als het Hoogste Zelf, ons erop concentreren, en de vaste wil hebben ervoor te werken als iets dat in elk mensenhart woont.

 
Andere artikelen over meditatie, yoga, gebed, paranormale vermogens
 

Uit het tijdschrift Sunrise lente 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency


 

Denk eens aan de vele verschillende resultaten van onze onderlinge samenwerking. De winkels zijn open; de bussen rijden; mensen verschijnen op hun werk; kinderen worden naar school gebracht, krijgen les, en worden weer opgehaald; de meesten worden gevoed, gekleed en gehuisvest; en mensen die deze dingen niet zelf kunnen, ontvangen vaak hulp. Peuters, zieken en dementerende bejaarden worden niet zomaar op straat gezet; hun vrienden, familieleden of instellingen zorgen voor hen. Samenwerking is de norm, een kunstvorm die zo gewoon en zo vanzelfsprekend is dat we ons er zelfs niet meer van bewust zijn. We institutionaliseren onze zorgzaamheid in beroepen zoals die van ziekenverzorgende, onderwijzer en verzorger van kinderen of van ouderen. We institutionaliseren eveneens onze agressieve en op bescherming gerichte kanten, bijvoorbeeld in de vorm van militaire en civiele veiligheidsdiensten. Maar over het geheel genomen wordt het dagelijks leven beheerst door de coöperatieve uitwisseling van goederen en diensten die ons helpen een beter leven te verwezenlijken. De meest opmerkelijke kenmerken van het dagelijks leven van de mens zijn zorg en samenwerking, en niet het ongebreidelde egoïsme dat door velen ‘de menselijke natuur’ wordt genoemd.
     – Shelley E. Taylor