*Overgenomen uit Theosofie
in de Qabbalah, hoofdstuk 10.
Net als de meeste oude volkeren zagen de Hebreeën de mens als
een kopie van het universum. Hij bevat dus alle mogelijkheden daarvan:
spirituele, vitale, stoffelijke. Volgens de qabbalistische filosofie
bestaat ieder mens daarom uit een aantal elementen:
Toen de Heilige Ene de mens schiep, nam Hij het stof
van het lagere Heiligdom, maar om de ziel te maken koos Hij het stof
van het hogere Heiligdom. Net zoals bij de vorming van het menselijke
lichaam uit het stof van het lagere Heiligdom drie kosmische elementen
[lucht, vuur, water] werden gecombineerd, werden bij de vorming van
zijn ziel uit het stof van het hogere Heiligdom andere elementen,
drie in aantal, vermengd, en zo werd de mens volledig gevormd. –
Zohar 3:24b
In het algemeen verdeelt de qabbalah de menselijke constitutie in vier
aspecten. Het hoogste element is neshamah, wat ‘adem,
geest, wind’ betekent. Deze geest of goddelijke adem is gelijkwaardig
met het pneuma van de Grieken (van pneo, ‘ademen’),
het Latijnse spiritus (van spiro, ‘ademen’),
en met het Sanskriet atman (van an, ‘blazen,
ademen’). Neshamah is essentieel bewustzijn, de eerste
‘adem’ van ’ein sof, die de rest van de mens bezielt.
Soms heeft men haar verward met het levensbeginsel in het menselijk
lichaam (hai) omdat erover wordt gesproken als de adem van
God. De vitale essentie van het lagere deel van het menselijke gestel
is de weerspiegeling van neshamah, vrijwel zoals in de theosofie de
prana’s op de lagere gebieden atma-buddhi in de mens vertegenwoordigen.
Na de dood gaat neshamah ‘direct omhoog naar het diepste innerlijk’
(Zohar 2:142a).
Het tweede element is ruah, eveneens ‘adem’, de
spirituele ziel. Ze is vergelijkbaar met de Griekse nous, de
Latijnse mens en met het buddhi-manas of de spirituele ziel.
Het wordt bestuurd door en vormt de troon of het voertuig van neshamah.
In relatie tot de ’elohim, verwijst ruah naar de mentale eigenschap
van de goden, die in Genesis worden opgevat als zij die bij
de schepping over de wateren van de ruimte of chaos bewegen. Ze is het
equivalent van de derde logos; ze werkt door het universum heen en brengt
alles wat edel en goed is in de mens voort en leidt hem tot deugdzaamheid.
In een vergelijkbare betekenis omvat ze uitzonderlijke vermogens van
de ziel, zoals het geval is bij een geïnspireerde heerser of profeet,
vandaar de profetische geest die vaak wordt voorgesteld als iets dat
van de een op de ander kan overgaan. Na de dood stijgt ruah op naar
Eden, maar niet zo hoog als neshamah.
Het derde element is nefesh, de ‘levensadem’ of
lagere menselijke ziel. Deze komt overeen met de psuche van
de Grieken, de Latijnse anima en het lagere denkvermogen van
de theosofie – kama-prana waar de adem van manas (het denkvermogen)
op inwerkt. Omdat dit element nauw verbonden is met het fysieke lichaam
heeft het zelf geen licht. Nefesh is de troon van ruah, die over haar
heerst en haar voorziet van licht en haar kroon vormt. Na de dood blijft
de nefesh of lagere ziel ‘in het graf Beneden’ (op.cit.).
Deze drie adems drukken zich op aarde uit in guf, het fysieke
lichaam, dat overeenkomt met het sthulasarira, het Latijnse corpus,
en het Griekse soma.
Het is veelzeggend dat de eerste drie aspecten – neshamah, ruah
en nefesh – alle afleidbaar zijn van woorden die ‘adem’
of ‘wind’ betekenen. De qabbalist begreep de esoterische
gouden draad van waarheid, want alle zijn tot op zekere hoogte manifestaties
van de ene fundamentele adem van het Zijn: neshamah, de adem van goddelijkheid;
ruah, de adem van de werking van de geest; en nefesh, de adem van de
psychische vitaliteit. Deze drie adems hebben ieder hun werkterrein
in een van de drie hogere ‘olamim boven de vierde wereld van qelippoth
of omhulsels, waarin guf thuis is. Ieder ervan wordt in stand gehouden
door het element erboven.
Door deze lagen van de ziel te observeren verkrijgt
men inzicht in de hogere wijsheid, en alleen door wijsheid worden
op deze manier bepaalde mysteriën met elkaar verbonden. –
Zohar 1:83b
Neshamah, ruah en nefesh kunnen op verschillende manieren worden bekeken.
Nefesh en ruah worden soms gezien als twee aspecten van één
laag, en als neshamah
in hen binnengaat en zij eraan gehecht blijven, en
als zij overheerst, wordt zo iemand heilig, volmaakt, en geheel toegewijd
aan God, genoemd. De ‘ziel’ (nefesh) is de laagste
beroering; zij houdt het lichaam in stand en voedt het en is er nauw
mee verbonden. Wanneer ze daar voldoende geschikt voor is, wordt ze
de troon waarop de lagere geest (ruah) rust, . . . Wanneer
beide zich voldoende hebben voorbereid, zijn ze geschikt om de hogere
geest (neshamah) te ontvangen, waarvan de lagere geest (ruah)
een troon wordt, en die niet kan worden ontdekt en boven alles is
verheven. – Op.cit.
Als we de analogie van de vlam gebruiken, wordt nefesh vergeleken met
het blauwe licht onderaan de vlam dat wordt aangetrokken door, en bestaat
dankzij, de pit (guf).
Als hij volledig is ontstoken wordt hij een troon
voor het witte licht erboven. Wanneer beide volledig zijn ontstoken
wordt het witte licht een troon voor een licht dat men niet volledig
kan zien, iets onbekends dat rust op dat witte licht, en zó
ontstaat een volledig licht. – Op.cit.
Als we worden geboren, zijn we begiftigd met nefesh ‘vanuit de
oorspronkelijke ‘dierlijke’ atmosfeer, de atmosfeer van
zuiverheid, . . . de verheven orde van engelen’, ook de eeuwige
hemelse stroom genoemd. Als we in dit opzicht zuiverheid bereiken, zullen
we zijn toegerust met ruah ‘die toebehoort aan de sfeer van de
Heilige Hayoth [levende wezens]’. Ruah vormt een kroon
voor nefesh. Deze twee beginselen zijn met elkaar verweven, en als we
niet naar spirituele zaken streven, dan is dat de reikwijdte van ons
wezen. Maar mensen van grotere verdienste zijn toegerust met neshamah
‘vanuit de sfeer van de Troon’ (Zohar 3:94b). De
neshamah daalt af naar de nefesh en de ruah, zodat alle drie zich harmonisch
verenigen om een eenheid te vormen in mensen die het Goddelijke dienen:
De neshamah zetelt in het karakter van de
mens – een verblijf dat niet kan worden ontdekt of gelokaliseerd.
Indien iemand streeft naar een zuiver leven wordt hij daarbij geholpen
door een heilige neshamah, waardoor hij wordt gezuiverd en geheiligd
. . . – Zohar 1:62a
Boven het lichaam en de drie zielen is er een vierde, hemelse ziel,
die
ondoorgrondelijk en onkenbaar is. Alles is ervan
afhankelijk, en zij is gesluierd in een omhulsel van buitengewone
helderheid. Er vallen parels vanaf die met elkaar zijn verbonden als
de gewrichten van het lichaam, en zij gaat deze binnen en toont daardoorheen
haar energie. Zij is één daarmee, en ze zijn niet van
elkaar gescheiden. – Zohar 2:245a
Soms wordt het hoogste beginsel ‘dat boven blijft’ tsurah
of goddelijke ‘prototypische vorm’ genoemd. Deze tsurah
is gelijkwaardig aan de spirituele monade. Zij brengt de neshamah voort
als haar weerspiegeling, en ze zijn verbonden door een vitaal spiritueel
koord waarlangs de neshamah omhoog streeft om volmaakte vereniging met
haar prototype te bereiken. Een andere term voor dit hoogste deel van
de mens is yehidah (de ene, de enige, de unieke), de ondeelbare
individualiteit van het menselijke gestel. Deze term is vergelijkbaar
met het Griekse woord monas, dat ‘één’
betekent.
Een ander aspect van gemanifesteerde wezens komt tot uiting in deze
treffende passage:
Over al deze sterren en sterrenbeelden aan het firmament
zijn chefs, leiders en bestuurders aangesteld, die als taak hebben
om de wereld te dienen overeenkomstig de positie die aan ieder van
hen is toegewezen. En zelfs het kleinste grassprietje op aarde heeft
de hem toegekende ster in de hemel. Ook heeft iedere ster een wezen
dat boven hem staat dat als bestuurder is aangesteld ten overstaan
van de Heilige Ene als zijn vertegenwoordiger, ieder overeenkomstig
zijn rang. Alle sterren aan de firmamenten houden toezicht over deze
wereld: ze zijn aangesteld om ieder individueel object in deze wereld
bij te staan, en voor ieder object is er een ster. Kruiden, bomen,
grassen en wilde planten kunnen alleen bloeien en groeien door de
invloed van de sterren die boven hen staan en die van aangezicht tot
aangezicht op hen neerkijken, ieder volgens zijn eigen aard.
– Zohar 4:171b
De reïncarnatieleer verschijnt in de Zohar als de leer
over de gilgulim (wielen), de omwenteling van zielen, maar
meer impliciet dan expliciet. Ook wordt gesuggereerd dat vóór
de geboorte alles in goddelijke vorm bestaat. Qabbalisten denken dat
de ziel na de dood door een reeks wervelingen gaat, wat zowel geldt
voor de transmigratie van de fysieke en andere atomen als voor de wederbelichaming
van zielen (vgl. De
Geheime Leer
1:627-8vn).
De ziel trekt gewaden aan overeenkomstig de sfeer die zij zal binnengaan.
Vóór de geboorte draagt ze een omhulling van hoger licht
(’or). Alles is verborgen in de goddelijke vorm vóór
deze wordt geboren: de ziel is dus een uitdrukking van haar vroegere
karma in zijn goddelijke vorm. Alle vormen van de aardse wereld werden
in de Hof van Eden, de woonplaats van heilige geesten, oorspronkelijk
gemodelleerd uit goddelijk licht.
Na de geboorte draagt de ziel, zolang ze zich in guf bevindt, een mantel
van huid of verblinding (‘or). Bij de dood legt de ziel de lagere
mantel van verblinding af en stijgt op naar de innerlijke werelden.
Het lichaam is teruggekeerd naar de stof en de ziel is gekleed in lichtgevende
gewaden. De nefesh en het lichaam vallen uiteen, de ruah blijft in de
Hof van Eden, en de neshamah ‘stijgt op naar de plaats waar alle
heerlijkheden samenzijn’ (Zohar 2:226a-b). Wanneer de
ziel de Hof verlaat om zich te belichamen, trekt ze haar hemelse gewaad
uit en trekt een aards lichaam aan. Dan, als ze de aarde verlaat, neemt
de Engel van de Dood haar haar aardse lichaam af zodat zij zich in de
Hof van Eden weer kan kleden in de hemelse gewaden die zij daar had
achtergelaten.
Er zijn twee lijnen van menselijke evolutie: (1) terugtrekking van
de spirituele vermogens naarmate de ‘gewaden van hoger licht’
(’or, אוֹר)
versluierd raken door de afdaling in de stof; en (2) de expansie van
het fysieke ‘gewaad van verblinding’, van stof (‘or,
עוֹר).
Toen verrees Adam en besefte dat hij zowel van de
hemel als van de aarde was, en dus verenigde hij zich met het Goddelijke
en werd begiftigd met mystieke wijsheid. Iedere mensenzoon is, volgens
hetzelfde model, een samenstelling van het hemelse en het aardse.
– Zohar 2:130b