Shakespeare: een man met muziek in zijn ziel
Kim Titchenell

 

Waar duisternis heerst wordt vaak een poging gedaan tot het tegenovergestelde in de vorm van een verblindende lichtstraal – of misschien stimuleert het verschijnen van licht een terugkeer van de duisternis. Hoe dan ook, sommige tijdperken worden gekenmerkt door een fel contrast. Zo’n tijd was het laatste deel van de renaissance, toen in veel landen de onderdrukking door de inquisitie in allerlei vormen heerste en schril afstak tegen de activiteiten van grote verlichte figuren zoals Bruno, Newton, Galileï en Shakespeare. Voor denkers was het een moeilijke tijd, maar toch waren er velen die het op hun beurt tot een moeilijke tijd voor de orthodoxie maakten.

In het begin van het christelijke tijdperk circuleerden er talrijke tegenstrijdige opvattingen over reïncarnatie, nemesis (wrekende gerechtigheid), mystieke ervaringen en het overstijgen van de menselijke staat. Helaas was de gevestigde christelijke Kerk de oorzaak ervan dat aspecten van leringen die niet verenigbaar waren met het starre theologische monopolie, werden uitgebannen. Het dogma van de Kerk stelde dat we allemaal uit het niets zijn ontstaan, vanaf de conceptie de schuld dragen van de erfzonde, alleen dit ene leven hebben, dat we eeuwig hellevuur tegemoet gaan tenzij we door de Kerk worden gered – opvattingen die een duister tijdperk over Europa hebben gebracht waarin creatief denken en goddelijke inspiratie beperkt waren en waarvan de erfenis nog tot op de dag van vandaag voortduurt. Iedere gedachte dat we op een of andere manier in staat zouden zijn onze eigen verlossing te bewerkstelligen, te luisteren naar onze eigen muziek, onze eigen verlichting te bereiken, werd en wordt krachtig onderdrukt door instellingen die proberen verlossing toe te dienen en te regelen.

Laten we eens een eenvoudig chronologisch overzicht bekijken: Shakespeare werd geboren in 1564, hetzelfde jaar als Galileï, die later werd gevangengezet wegens ketterij. Giordano Bruno, die in Engeland reisde en lezingen gaf, werd in 1600 op de brandstapel gezet toen Shakespeare in de bloei van zijn leven was. Bruno verkondigde dat de kosmos een deel is van één groot levend organisme, dat alles zich cyclisch herhaalt, dat de sterren aan het hemelgewelf allemaal zonnen zijn met hun eigen planetenstelsels – inzichten die rechtstreeks tot zijn dood hebben geleid. Shakespeare is in 1616 gestorven, hetzelfde jaar als Cervantes die door de kerk eveneens werd gevangengezet. In 1642 heeft Oliver Cromwell en zijn protestante beweging in Engeland alle theaters gesloten – hetzelfde jaar dat Galileï is gestorven. Tijdens zijn leven werd Shakespeare door de Anglicaanse Kerk ervan verdacht een volgeling van de paus te zijn en door de katholieken dat hij met atheïsme was besmet – misdaden waarop in zijn tijd de doodstraf stond. Maar toch beschikken we over zijn nalatenschap, een visie en een kunst die elke kwalificatie te boven gaan.

In zekere zin kun je verwachten dat iemand die zo goed de ervaringen, zielenstrijd, en vervoeringen in het menselijk bestaan begrijpt en deze zo schitterend tot uitdrukking brengt, zich ook een voorstelling moet kunnen maken en inzichten bieden in de bedoeling van de reis van ons stervelingen. Shakespeare zag zichzelf in het leven als speler van een rol, op het toneel en als woordkunstenaar, wat hij een van zijn figuren plagerig laat verwoorden in de vorm van kritiek op dichters:

In heerlijke opwinding rolt het oog van de dichter,
Kijkt neer vanuit de hemel, en vanaf de aarde omhoog;
En terwijl de verbeelding onbekende dingen
Gestalte geeft, brengt de pen van de dichter
Ze tot uitdrukking – schenkt aan het vluchtige niets
Op aarde een woning en naam.
     – Een Midzomernachtdroom V, i

En in deze rol maakt hij, via zijn toneelfiguren, ons deelgenoot van de muziek die hij waarneemt, omkleed in gouden woorden die dienst deden om zowel zijn visie over te brengen als de Engelse taal zelf te veranderen. In de werken van schrijvers en andere kunstenaars kunnen we de kenmerken van goddelijke inspiratie zien, en van tijd tot tijd hebben wijzelf dat ongetwijfeld tot op zekere hoogte gevoeld. Door een inspiratie, een engel of een straal uit onze eigen vonk van goddelijk vuur bestaat er in ieder levend wezen het vermogen om het heelal te horen spreken. Shakespeare gebruikte de beeldspraak van muziek in woorden die tot op de huidige dag weerklank vinden:

Wat slaapt het maanlicht lieflijk op die heuvel!
Hier gaan we zitten, en laten de klanken van muziek
Onze oren binnensluipen: de verstilling en de nacht
Raken ons aan in zoete harmonie.
Ga zitten Jessica: Kijk hoe het hemelgewelf
Is ingelegd met laagjes schitterend goud:
Elk hemellichaam, hoe klein ook, dat je ziet,
Zingt als een engel in zijn baan
Bij het koor van cherubijnen met kinderogen.
Zo’n harmonie klinkt in onsterfelijke zielen
Maar zolang dit vergankelijke kleed van klei
Haar omhult, is ze voor ons onhoorbaar.
     – De Koopman van Venetië V, i

Hoe juist begreep hij de verhouding tussen het verhevene en het materiële, de majesteit van het goddelijke, en de vergankelijkheid en misleidende aard van het gemanifesteerde! De bewuste band met die goddelijke muziek die Shakespeare zelf voelde, in anderen zocht en zo hoog waardeerde, is misschien wel het allerbelangrijkste:

Wie geen muziek in zich heeft,
Door harmonie van zoete tonen niet wordt geroerd,
Die man is geschikt voor verraad, voor list en roof;
Zijn geest is traag als de nacht,
Zijn gemoed duister als de onderwereld:
Vertrouw zo iemand nooit! O, hoor toch die muziek!
     – De Koopman van Venetië V, i

Sommige van Shakespeare’s gedenkwaardige figuren zijn rijk aan hemelse muziek en hebben een verheven zielenadel. Een daarvan is de verbannen hertog uit Elk wat wils die, van titel, land, huis en welstand beroofd, niettemin geniet van muziek, zowel aardse als bovenaardse:

Nu, trouwe metgezellen, ballingbroeders,
Maken de oude normen dit leven niet zoeter
Dan dat van pronk en praal? Zijn deze wouden
Niet minder gevaarlijk dan het jaloerse hof?
Hier treft ons enkel Adams straf, de wisseling
Van seizoenen, slechts de kille tand
En het boos geraas van de winterstorm;
Als die mij bijt en op mijn lichaam blaast
Tot ik huiver van de kou, zeg ik lachend:
‘Dit is geen vleierij; raadslieden zijn het
Die mij vol meelij leren wat ik ben.’
Zoet is de kern van tegenspoed die,
Zoals de pad, dat lelijk giftig dier,
In het hoofd toch een kostbaar juweel draagt.
Dit leven, vrij van werelds gewoel, vindt
In bomen tongen, spreuken in de beken,
In stenen lessen, goeds in ieder ding.
Ik zou niet willen ruilen.
     – II, i

Hoe kunnen we die goddelijke muziek beter beschrijven dan als tongen in bomen, spreuken in de beken, lessen in stenen, en iets goeds in ieder ding. Shakespeare maakt de gedachte duidelijk dat de mens onmiskenbaar voor grotere dingen is bestemd naarmate hij meer en meer luistert naar de tonen van zijn innerlijke adel: ‘Wat een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! hoe oneindig rijk in vermogens! hoe bewonderenswaardig en vol uitdrukking in zijn vorm en manier van bewegen! hoe gelijk een engel in zijn handelen! hoe gelijk een god in zijn begripsvermogen!’ (Hamlet II, ii). Misschien zegt Ceremon, de genezer en mysticus in Pericles, het het best:

          Steeds leek het mij
Dat deugd en kennis groter gaven zijn
Dan adel is en rijkdom: slordige erfgenamen
Verduisteren en verkwisten vaak de laatste,
Maar onsterfelijkheid vergezelt de eerste
En maakt de mens tot god.
     – III, ii

We zijn goddelijke wezens, edele zielen, die ernaar streven verlichting en onsterfelijkheid te bereiken. Shakespeare beschrijft in veel vormen en gedaanten hoe we keuzen maken en de gevolgen ondergaan. Als mens luisteren we naar die innerlijke muziek en we kunnen uit zijn woorden opmaken hoe duidelijk Shakespeare haar hoorde. Zoals Prospero zei: ‘Wij zijn van de stof / Waar dromen van gemaakt zijn; en ons korte leven / Is door slaap omringd. . .’ (De Storm IV, i).

We kunnen ons moeilijk voorstellen dat we de treden beklimmen op onze lange reis naar verlichting zolang we onze opvatting van het leven beperken tot één enkele geboorte en dood. Zonder een veilige filosofie om op te steunen speelt Shakespeare niettemin in Sonnet 59 met het ketterse idee van reïncarnatie:

Als niets ooit nieuw is, maar al wat bestaat
Er eerder is geweest, wat worden onze hersenen dan misleid,
Die tijdens hun zwoegen naar ontdekkingen
De nieuwe taak van een vroeger kind verkeerd inschatten.
Kon mijn geest maar in het verleden doordringen,
En in een oud boek uw weerspiegeling vinden,
Toen, zelfs vijfhonderd jaar geleden,
De geest zich in schrift probeerde uit te drukken!
Dan zou ik zien, wat die Ouden zeiden
Over het wonder van uw gestel, en of de mens
Nu beter is of slechter dan zij,
Of weerkeert tot hetzelfde niveau;
Nee, ik weet dat mensen uit vroeger tijden
Soms minder verheven onderwerpen hebben geroemd.

We moeten ons wel afvragen waarom de edele ideeën van de goddelijkheid, het voorbestaan en het verheven pad van de mens in het werk van Shakespeare geen grotere rol speelden. Maar misschien moeten we tevreden zijn met wat er is, want als er meer was zou er misschien niets aan ons zijn nagelaten.

Veel wreedheden werden door angst ingegeven: angst voor bedreigingen – vooral van volkse oorsprong – voor de orthodoxie, en ook angst voor verschillende leringen binnen en buiten het christendom. Toch was misschien wel de grootste angst die voor de muziek zelf. De kerk heeft vaak geprobeerd muziek te reglementeren, binnen de kerk en ook muziek die werd beoefend door volkeren die onder haar gezag stonden. Toch is deze uiterlijke muziek slechts een zwakke afspiegeling van die welke in ieder van ons klinkt. De gedachte dat een bron van goddelijke muziek voor iedere entiteit van binnenuit beschikbaar kan zijn, was altijd de grootste angst van hen die waarheid zouden willen reglementeren.

 
Andere artikelen over literatuur, kunst
 
Het mysteriedrama van Shakespeare
 

Uit het tijdschrift Sunrise zomer 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency