Ik was diep in het hart van Afrika en huilde! Als ik nu op mijn verblijf
in Afrika terugkijk, vraag ik me af: ‘Waarom huilde ik?’
Zelfs nu, vele jaren later, voel ik nog het medelijden en het mededogen
aan de ene kant, en de machteloze innerlijke woede aan de andere kant,
over de leefomstandigheden die ik zag. Ik kon niet begrijpen hoe het
mogelijk was dat in een tijd waarin de mens naar de maan kan vliegen,
het ook mogelijk was dat de mens toelaat dat er op aarde toestanden
bestaan zoals ik die toen zag. In de dorpen van Ethiopië zag ik
overal om me heen ziekte, kwalen, verminkte volwassenen en kinderen
en . . . . geen enkele medische hulp.
‘Er is geld genoeg om naar de maan te gaan’, mopperde ik
in mezelf; ‘miljoenen, miljarden – maar als het op menselijkheid
aankomt, op een beetje liefde of mededogen voor mensen, dan wordt geld
plotseling een artikel dat erg schaars is’.
In onvrede met de wereld en met mezelf reisde ik met mijn echtgenoot
per auto over de binnenwegen van Ethiopië, en ik moet bekennen
dat ik geen prettig gezelschap was. Dit was helemaal niet mijn eerste
ontmoeting met bittere armoede. Door de jaren heen was ik – wanneer
ik ermee in aanraking kwam – me keer op keer met een schok bewust
geworden van mijn eigen bevoorrechte positie. Het deed er niet toe of
dat gebeurde in India, Zuid-Amerika of in de sloppenwijken van de westerse
beschaving.
Misschien werd ik door het feit dat ik aan de gaskamers van Nazi-Duitsland
ontsnapte, me voor het eerst ervan bewust dat ik door geen enkele inspanning
van mijn kant een bevoorrecht leven leid. Waarom ontkwam ik wel en miljoenen
anderen niet? Waarom leid ik een redelijk comfortabel leven? Waarom
heb ik de mogelijkheid productief werk te doen? Waarom kom ik lichamelijk
niets tekort? Ik kan geen antwoord op deze vragen vinden, maar ik denk
wel dat ik me daardoor bewust ben van anderen van wie het lot niet zo
gelukkig is als het mijne.
Langgeleden besefte ik al dat ik niet gesneden ben uit het hout waaruit
revolutionairen worden gesneden. Ik ben niet in staat om de wereld te
veranderen, en alleen in de kleine kring waarin ik me beweeg, kan ik
hopen mensen te helpen en ervoor te zorgen dat ze zich welkom voelen.
In elk dorp waar we kwamen hadden we dezelfde ervaring. Alleen omdat
onze huid ‘wit’ was kwamen de mensen bedelen – niet
om geld, niet om voedsel, maar om medicijnen. Ze vroegen niet om bijzondere
medicijnen, maar om eenvoudige geneesmiddelen om een infectie te bestrijden,
om koorts te verdrijven, om pijn te verzachten. In deze dorpen kon ik
niets vinden om zelfs hoofdpijn te verlichten. Het gevolg van dit gebrek
aan eenvoudige medicijnen was overal om ons heen, verminkte mensen,
koortsige mensen, stervende mensen. Alles wat we zagen vormde een eindeloze
hoeveelheid onnodig lijden. Ik zei voortdurend tegen mezelf: ‘Als
ik dit had geweten. . . .’ Het zou zo gemakkelijk zijn geweest
om wat eenvoudige medicijnen te kopen en op onze reis mee te nemen;
het zou enkelen tenminste tijdelijk hebben geholpen.
Ik herinner me één dorp in het bijzonder. De auto moest
worden nagekeken, en diepbedroefd van alle ellende die ik had gezien,
vroeg ik om alleen te worden gelaten onder een grote boom dichtbij het
centrum van het dorp dat er verlaten uitzag, terwijl de chauffeur voor
de auto zorgde.
Het was rondom het middaguur, drukkend heet, zelfs in de schaduw van
de grote boom, en er was geen zuchtje wind. De ene na de andere bewoner
van het dorp kwam naar me toe. Sommigen alleen nieuwsgierig, anderen
ziek – ze sleepten zich voort en hoopten dat ik ze kon helpen.
Als ik het ooit heb betreurd geen dokter te zijn, dan was het wel op
deze reis door Ethiopië.
De grond onder de boom was ruw en ongelijk. Ik zat op een van de blootliggende
wortels, en veegde het zweet van mijn gezicht; ik voelde me heet en
gefrustreerd omdat ik zelfs niet kon praten met de dorpsbewoners, want
we spraken niet dezelfde taal. Het was onvermijdelijk dat dezelfde dingen
zich zouden herhalen die ik al eerder in andere dorpen had meegemaakt.
Ze lieten me de steenpuisten in hun nek zien, namen de vuile lappen
weg die hun ontstoken zweren bedekten tegen de vliegen, en ik was volkomen
machteloos om hen ook maar enige hulp te bieden.
Uit mijn ooghoek zag ik links van mij een jonge vrouw staan die een
bijna naakt kind aan haar borst drukte. Het was nog een baby, ongeveer
tien maanden oud. Er lag zo’n uitdrukking van wanhoop op haar
gezicht, en zo’n rijkdom aan liefde in de manier waarop ze de
baby vasthield, dat al mijn goede voornemens om er niet bij betrokken
te raken, verdwenen.
Ik stond op, en alsof de anderen wisten waar ik naartoe wilde, gingen
ze voor me opzij, zodat ik naar de jonge vrouw kon toegaan. Kunt u zich
mijn ontzetting voorstellen toen ik naar het gezicht van het kindje
keek en de troebele ogen zag en besefte dat het blind was? De melkachtige
witheid van de ogen staarde uit het vuile gezichtje, vooral de ogen
waren omrand met vuile korsten en zaten vol vliegen die het kind kwelden.
Apathisch en onbeweeglijk lag het kind in zijn moeders armen –
armen die zo duidelijk probeerden het te beschermen, het met liefde
te omringen en in leven te houden.
Woede kookte in mij bij het zien van dit lijden en om het onvermogen,
opzettelijk of niet, van onze twintigste-eeuwse beschaving om deze mensen
de grondbeginselen van hygiëne te leren.
Ik raakte de arm van de jonge vrouw aan, en beduidde haar onder de
boom te gaan zitten. Met gebarentaal maakte ik haar duidelijk dat ik
naar de auto ging en weer zou terugkomen. Terug bij de auto nam ik onze
waterkruik die we altijd meenamen voor noodgevallen. Ze bevatte uitsluitend
goed, gekookt water. De enige andere dingen die ik meenam waren een
keteltje, een beker, een schone zakdoek en een doos lucifers.
Niet ver van de boom was een bron en op mijn weg terug van de auto
vulde ik de ketel met water en nam hem mee. Toen ik weer onder de boom
zat, raakte ik opnieuw vervuld van mededogen, want hun hoop dat ik medicijnen
had meegebracht, moest ik in rook laten opgaan. Het plotselinge licht
van hoop scheen in hun ogen te sterven toen ik zei: ‘geen medicijnen’,
maar op de kruik wijzend zei ik: ‘water, goed water’.
Om hun te laten zien wat ik bedoelde, goot ik water uit de fles in
de beker en dronk het op. Toen wees ik op het water in de ketel en schudde
mijn hoofd, terwijl ik mijn lippen stijf op elkaar klemde met mijn hand
erover om ze helemaal af te sluiten. Na deze mimiek nam ik de ketel
op en hield er een lucifer onder om hen te laten zien dat het moest
worden gekookt.
Al deze handelingen duurden een hele tijd, want omdat ik alleen met
gebaren praatte, moest ik het vaak herhalen voor mijn bedoeling werd
begrepen. Toen ik eindelijk weer ging zitten, keek ik naar de jonge
moeder en stak aarzelend mijn armen naar haar uit opdat ze de baby aan
mij zou geven, want ik wist niet of ze het dierbare kind waar zij verantwoordelijk
voor was aan mij zou toevertrouwen.
Instinctief sloten haar armen zich vaster om het kind, maar onze ogen
hadden contact met elkaar gemaakt en er gebeurde iets tussen ons. Ze
wist dat ik probeerde te helpen en het kind geen pijn zou doen, en langzaam
hief ze haar armen op en overhandigde mij het kind.
Het kostte me nogal moeite om de weerzin te overwinnen die ik onwillekeurig
voelde toen ik dat vuile kindergezichtje en de vodden die zijn lichaam
bedekten, van dichtbij zag. Ik scheurde de zakdoek in tweeën, doopte
hem in het gekookte water en begon het kleine gezichtje schoon te maken,
heel zachtjes, want het vuil was eraan gekoekt en ik wilde het arme
kleintje geen pijn doen. Langzaam verdween het vuil van het gezichtje
en als door een wonder was de bruine babyhuid eronder gaaf en zacht.
Het kleine hoopje mens dat ik in mijn armen hield was rustig en stil
en voelde zich, naar ik hoopte, ook wat prettiger. De lichtloze ogen
van de baby waren griezelig star op de mijne gericht alsof zijn geest
zich erdoorheen probeerde te boren om mij te zien.
Ik was klaar met verzorgen en ik keek naar het gezichtje dat tegen
mijn borst rustte, en het donkere gezichtje scheen voor mijn ogen bijna
onmerkbaar te veranderen. Ik had plotseling het gevoel alsof de tijd
was teruggedraaid en ik mijn kind – mijn eigen kind – vasthield,
het beschermde en met mijn liefde beschutte tegen gevaar. Ik had het
gevoel alsof ik weer dat kind van mij vasthield, dat nu een volwassen
vrouw is en zelf kinderen heeft.
Hier in de middaghitte, omringd door de ellende van de armoede en de
ziekten van Afrika, weken de jaren terug. Ik was weer jong, en alle
hoop en aspiraties waarvan ik voor mijn kind had gedroomd toen ik haar
verzorgde, kwamen weer in mij op. Het was een ademloos moment –
een moment waarin de tijd stilstond. Uit mijn diepste innerlijk welde
de gedachte op: ‘Het doet er eigenlijk niet toe wiens kind ik
vasthoud – dat van mijzelf – dat van mijn kind – of
een klein hoopje ellende dat van zijn eerste ademtocht af gedoemd is
een leven te leiden van ziekte, pijn en misère.’
Het enige wat ik op dat moment kon voelen was de wens aan het kind
in mijn armen die liefde en bescherming te geven die ik mijn eigen kind
had gegeven. Het enige wat ik wilde was het leven dat zo hulpeloos in
mijn armen lag, te beschermen en te steunen.
Ik stond op – diep geroerd door de onverwachte emoties die mij
vervulden. Terwijl ik tegenover de jonge moeder stond, met het kind
nog in mijn armen, keken we elkaar aan. Een langzame vriendelijke glimlach
verlevendigde haar ernstige gezicht en ze stak haar armen uit naar haar
kind. Langzaam en aarzelend, op dezelfde manier waarop ze mij haar baby
een tijdje geleden had overhandigd, legde ik de baby in haar armen.
Boven het lichaam van het kind maakten onze ogen het mogelijk contact
met elkaar te hebben. Gedurende een paar seconden waren we nader tot
elkaar gebracht. . . . elke kloof, geschapen door beschaving en taal
was overbrugd. We waren gewoon twee vrouwen – twee moeders –
die elkaar begrepen, samengebracht door de liefde die we voelden voor
een kind, zonder dat er een woord werd gesproken.