Wat heeft Sunrise de afgelopen jaren willen bereiken? Het
aanmoedigen van een gevoel van één-zijn in geest, van
sympathie, met alles wat ademt en leeft – en meer in het bijzonder
met onze medemensen – stond bij ons voorop. Dat dit een doel op
lange termijn is spreekt voor zich; maar is er een ideaal dat meer de
moeite waard is om voor te werken dan universele broederschap als praktisch
feit en niet slechts als een edele droom?
Wat hebben we voor ogen als we het over universele broederschap hebben?
De zozeer gewenste toestand waarin alle landen en volkeren hun eigen
ontwikkelingsweg kunnen volgen, erediensten kunnen houden volgens hun
eigen opvatting, in vrijheid hun zaken kunnen beheren op maatschappelijk
en politiek gebied en zich toch als mensen innerlijk verbonden voelen
door de sterke banden van een essentiële eenheid wat onze afkomst
betreft – kinderen van de goddelijke zon die onze gemeenschappelijke
vader is. Het klinkt allemaal zo eenvoudig en natuurlijk dat men zich
afvraagt waarom deze gedachte nooit de steun heeft gekregen die ze verdient.
Als er een enquête zou worden gehouden naar de diepste verlangens
van iedere man en vrouw op onze aardbol, dan zou een overweldigende
meerderheid zeggen: geef ons vrede, geef ons een wereldorde die weldadig
en rechtvaardig is voor allen en we zullen die in stand houden.
Zouden we dat werkelijk? Misschien denken we van wel, maar kunnen we
er werkelijk zeker van zijn dat we als het eropaan komt onze idealen
in praktijk te brengen, de nodige offers zullen brengen? Om te beginnen
zouden we onze vooroordelen overboord moeten zetten, want als we waarachtige
harmonie nastreven is er voor sterke gevoelens van afkeer of voorkeur
geen plaats.
De droom van een wereld waarin mensen van verschillende etnische, maatschappelijke
en religieuze afkomst onder één universele wet van harmonie
en rechtvaardigheid kunnen leven, is niet nieuw voor ons; het was een
steeds terugkerend ideaal van de oude wereld dat in Sumerië, China,
India en Egypte, en ook in Griekenland en Rome en andere beschavingen
in meerdere of mindere mate werd verwezenlijkt.
Een blik in de geschiedenis kan nuttig zijn, vooral naar de periode
waarin de onstuimige opeenvolging van uiterlijke gebeurtenissen vaak
zo vernietigend was dat toen, evenals nu, de roep om broederschap, om
eenheid onder de volkeren, overal in de bekende wereld werd gehoord.
Ik denk in het bijzonder aan het Griekenland van de 4de eeuw v.Chr.,
aan Alexander de Macedoniër. Ondanks de verschrikkingen van zijn
oorlogsdaden en zijn ongerechtvaardigde geweldplegingen koesterde hij
een droom van één wereld, van een broederschap van volkeren
die als gelijken zouden samenleven, burgers van één rijk.
De Grieken noemden het homonoia – van één
geest, van één nous, een ‘eenheid van harten’,
zoals sommigen deze term vertalen. Later, in Rome, zagen de stoïcijnen
in de Ideale Staat van Zeno, de Griekse oprichter van hun filosofie,
de eenmakende invloed die overal het hart van mensen zou kunnen raken.
Ze legden sterk de nadruk op de eenheid van alles, niet voor politiek
gewin, maar omdat ze mensen zagen als vonken van het ene universele
denkvermogen, het denkvuur, of de goddelijke intelligentie, dat de hele
kosmos tot leven en bewustzijn wekte. We zien dit ideaal naar voren
komen bij Ammonius Saccas en zijn theosofische school in de 3de eeuw
n.Chr. in Alexandrië, en ook bij Jezus die, meer dan wie ook in
die eeuwen, door zijn leven zou aantonen dat het 11de Gebod uitvoerbaar
is als de mensen de schoonheid ervan maar zouden begrijpen en het verlossende
beginsel ervan zouden toepassen.
Wat heeft verhinderd dat dit edele ideaal goed wortel heeft kunnen
schieten? De menselijke natuur verandert langzaam, vaak tot onze wanhoop
– maar ook in ons voordeel, hoe vreemd dit misschien ook klinkt,
want we bestaan niet alleen maar uit mislukkingen: onze sterke punten
blijven ook bestaan. Het is een geluk dat zich van nature in de ziel
een onfeilbare toetssteen bevindt waarmee we kunnen toetsen wat werkelijk
waar is en wat niet; en meer nog wat innerlijk juist voor ons is en
wat niet. We mogen de kracht van de vrije wil niet onderschatten. Welke
menselijke geest is zo verheven dat hij – hoe groots zijn visie
misschien ook is – aan andere mensen ongestraft zijn wil kan opleggen?
Het zwakke punt van de homonoia van de Grieken, van de Ideale Staat
van de stoïcijnen, van het eclectische theosofische stelsel van
Ammonius, en ook van het broederschapsideaal zoals dat zelfs in onze
tijd door elke goedbedoelende organisatie wordt gekoesterd, ligt niet
in het beginsel van eenheid, maar in de aanhangers ervan. Broederschap,
harmonie in denken en daden, oprecht respect tussen individuen, landen
en volkeren, kunnen niet van buitenaf worden opgelegd. Ze moeten
bij ieder individu in alle rust groeien, in de stilte van de ziel. Ieder
mens heeft dezelfde diepe verantwoordelijkheid als ieder ander om zijn
eigen onkruid van eerzucht en egoïsme te wieden en ervoor te zorgen
dat de zaden van universaliteit worden gekoesterd door het zonlicht
van altruïsme.
We zijn allen onontwarbaar met elkaar verbonden. Wat een Alexander
of een Ammonius doet, wat u en ik denken en doen in de kleine kring
van ons persoonlijke leven, laat zijn indruk achter op de innerlijke
stromingen van het wereldbewustzijn. De herinneringsbank van de ziel
– en ook van ons aardse wezen – bewaart voor altijd de kwaliteit
van onze gedachten, onze aspiraties, zowel onze verheven als onze lage
verlangens. Wat we in vroegere eeuwen in de schatkamer van onszelf hebben
opgeslagen, ongeacht waar we geïncarneerd waren – in Griekenland,
IJsland of China, Afrika of Peru – is nu hier bij ons, en spoort
ons aan, en verlicht en leidt ons.
Het is tegenwoordig alsof het verlangen van de talloze miljoenen menselijke
zielen die ooit in vroegere levens hebben verlangd naar een universele
eendracht tussen volkeren, eist dat we er deze keer in slagen. ‘U
en ik zijn één’ werd gezongen door de hindoewijze,
de soefidichter en de barden uit elk tijdperk. Nu moeten we deze waarheid
inhoud geven; ze moet een keerpunt worden in onze aspiraties. Onze uitdaging
is tweeledig: aan de ene kant moeten we standvastig trouw zijn aan de
geboden van ons meest innerlijke zelf; aan de andere kant moeten we
onze sympathie en de horizon van ons begrip zo verruimen dat Liefde
onbelemmerd in ons opwelt, om afgescheidenheid en wantrouwen uit te
roeien. Dan, en alleen dan, zullen we dit één-zijn beseffen,
deze vereniging van hart en geest – niet als een intellectuele
of maatschappelijke aanpassing, maar als een levende, ademende instroming
en uitstroming van leven-bewustzijn, waardoor zonnen en stenen en ook
ieder van ons zich ontvouwen.
Indien dit slechts een droom is, dan is het de meest edele waarvoor
we kunnen leven en één die de beste krachten van ieder
mens waardig is.