Jezus:
boodschapper van het hart
Ina Belderis
Boekbespreking: Jesus for the Non-Religious:
Recovering the Divine at the Heart of the Human, John Shelby Spong,
HarperCollins/HarperSanFrancisco, 2007, isbn 978-0-06-076207-0, 336
blz., geb.
Het meest recente boek van John Shelby Spong, Jesus for the Non-Religious:
Recovering the Divine at the Heart of the Human, ontleedt een groot
deel van de traditionele interpretatie van het Jezus-verhaal. Het voert
de lezer ook mee op een boeiende reis door de joodse geschriften, en
biedt nieuwe inzichten in de betekenis van Jezus en de boodschap die
hij aan de wereld bracht. Spong wendt zijn christelijke geleerdheid
aan bij het ‘stuk voor stuk ontmantelen van . . . de letterlijk
verklaarde verhalen van de bijbel’ en ‘de theologische denkbeelden
die op Jezus van Nazareth werden geplakt’ (blz. xiii), en scheidt
daarmee de historische Jezus van interpretatielagen.
Spong toont aan dat de traditionele Jezus-verhalen na nauwkeurig onderzoek
niet als geschiedkundige feiten kunnen standhouden. Bijbelgeleerden
dateren de brieven van Paulus als de eerste christelijke geschriften
in het Nieuwe Testament in de jaren 50 n.Chr. Marcus, het eerste
evangelie, werd waarschijnlijk geschreven in de jaren 70, Mattheus
in de jaren 80, Lucas in de jaren 90, en Johannes
nog later. De verschillende gedeelten van Jezus’ geboorteverhalen
kwamen niet voor in de christelijke traditie tot Mattheus,
die zich baseerde op een tekst in Micha (5:1-5) waarin wordt
beweerd dat de Messias in Bethlehem zal worden geboren. Wat betreft
de drie koningen, ‘zal tegenwoordig geen enkele gerespecteerde
bijbelgeleerde serieus verdedigen dat deze magi historische figuren
waren. Dit verhaal . . . heeft zich in een nogal gedramatiseerde vorm
ontwikkeld uit een passage in Jesaja 60’ (blz. 18). Mattheus
transplanteert ook het verhaal van Mozes en de farao die alle mannelijke
baby’s doodt naar Herodes. Volgens Lucas werd Jezus geboren
in Bethlehem als troonopvolger van David, een stukje imagovorming van
de mythologie. Wat betreft Maria en Jozef, ‘geen van beide ouders
wordt ergens in geschreven materiaal dat voor ons beschikbaar is genoemd
vóór de jaren 80 van het christelijke tijdperk, noch bestaat
er enige aanwijzing dat men in de overlevering aan de twee ouders bijzondere
betekenis hechtte tot de jaren 90’ (blz. 26). Spong denkt dat
Mattheus de legende van de maagdelijke geboorte heeft samengesteld,
en beschouwt Jozef als een mythische figuur die overeenkomsten vertoont
met de stamvader Jozef. Lucas benadrukt de episode door gebruik
te maken van het verhaal van Abraham en Sarah om vertellingen rondom
de ouders van Johannes de Doper samen te stellen. Bovendien wordt Maria
in de eerste drie evangeliën in het kruisigingsverhaal niet genoemd.
Spong concludeert dat ‘Als eenmaal de geboorteverhalen als geschiedkundige
feiten worden verworpen, beide veronderstelde ouders van Jezus in wezen
vervagen. . . . ze hebben praktisch geen feitelijke basis’ (blz.
36).
De overlevering dat er twaalf discipelen waren lijkt consistent, maar
de bijbelteksten zijn het niet eens over hun namen of identiteiten,
en geven bijna geen details over hen. Spong denkt dat het getal twaalf
een symbolische betekenis had: ‘Misschien is de hele gedachte
dat Jezus twaalf mannelijke discipelen had een bewering waarmee Paulus
begon en daarvan is gebruikgemaakt voor het Jezus-verhaal. . . Als Jezus
de grondlegger was van het Nieuwe Israël, wat men hem laat beweren,
dan moet het Nieuwe Israël twaalf stammen hebben evenals het Oude
Israël’ (blz. 46-7). De gedachte dat één van
hen een verrader is komt naar voren in Marcus. Hoewel Paulus
een geval van verraad noemt, schijnt hij niet te weten dat deze verrader
een van de discipelen is. Spong merkt op dat de persoon Judas met ieder
evangelie meer vorm schijnt te krijgen en de toegevoegde details kunnen
ook worden teruggevonden in oudere Bijbelverhalen – het verraad,
de kus, de dertig zilverstukken, en het ophangen van zichzelf.
Spong analyseert ook de wonderen die in het Nieuwe Testament worden
beschreven. In die tijd werd ziekte als een goddelijke straf voor zondigheid
beschouwd en daarom denkt hij dat er aan Jezus genezende krachten werden
toegeschreven om de aanspraken op zijn goddelijke status te ondersteunen:
‘alle wonderbaarlijke genezingen worden gezien als aanwijzingen
dat Jezus de Messias is’ (blz. 81). Hoewel het ‘opwekken
van de doden’ in Jesaja geen messiaans teken was, was het in het
zich later ontwikkelende joodse gedachteleven dit wel geworden: men
verwachtte dat de doden op de dag des oordeels zouden worden opgewekt
(blz. 80-1). Er zijn drie van dat soort verhalen: de zoon van de weduwe
(alleen in Lucas), Lazarus (alleen in Johannes), en
de dochter van Jarus (in alle drie de synoptische evangeliën).
Alleen Lazarus heeft geen voorganger in het Oude Testament: bij Elisa
kan men lezen over een kind dat wordt opgewekt; bij Elia over een zoon
van een weduwe. Spong vermoedt dat deze verhalen werden gebruikt om
aan te geven dat Jezus ‘verhevener was dan Elisa en Elia –
de profeten waarvan werd gezegd dat ze de belichaming van de macht van
God zijn’ (blz. 94).
De eerste optekeningen over Jezus bevatten heel weinig details, en
de details waarover we beschikken werden in feite minstens 40 jaar na
zijn dood vormgegeven. Paulus, bijvoorbeeld, zegt praktisch niets over
het leven of het sterven van Jezus, alleen dat Christus voor onze zonden
is gestorven overeenkomstig de Heilige Schrift. In Marcus,
geschreven in de context van de joodse oorlog met de Romeinen (66-73
n.Chr.), ‘wordt de kruisiging niet alleen geplaatst in de context
van de Pascha, maar . . . ze wordt in overeenstemming gebracht met het
verhaal van de exodus van het joodse volk uit Egypte, waarvan Pascha
de liturgische uitdrukking was’ (blz. 100). Zowel Pascha als de
kruisiging waren bedoeld ‘om de gedachte van bevrijding van onderworpenheid
over te brengen. In het Exodusverhaal betrof het bevrijding van de slavernij
in Egypte, terwijl het in het kruisigingsverhaal ging om de bevrijding
van ‘het gebonden zijn aan zonde’’ (blz. 101). Wat
betreft verslagen uit de eerste hand: noch de tekst noch de details
die werden gebruikt om de kruisiging duidelijk te maken zijn afkomstig
van ooggetuigen, maar veeleer uit de Hebreeuwse geschriften. Het kruisigingsverhaal
is voor een groot deel gebaseerd op Psalm 22 (bijna woordelijk
overgenomen in Marcus) en Jesaja 53, dat beschrijft
hoe de dood van de ‘lijdende dienaar’ anderen treft. Spong
ziet dit als de basis die wordt gelegd voor het denkbeeld van de verlossing
door Christus, en beweert dat het lijdensverhaal in feite ‘een
in hoge mate gestileerde interpretatieve beschrijving is, die is ontwikkeld
. . . om Jezus te vereenzelvigen met messiaanse denkbeelden waarmee
de lezers van de Hebreeuwse geschriften vertrouwd zijn. . . . het kruisigingsverslag
was ontwikkeld voor liturgisch gebruik. . . . dit verhaal over de kruisiging
is geen geschiedenis’ (blz. 112).
Informatie uit de bijbel over de wederopstanding is tegenstrijdig en
verwarrend. Pas na 90 n.Chr. vermeldt een geschreven bron dat Jezus
fysiek uit zijn graf opstond. ‘Paulus schrijft dat niet. Marcus
heeft geen verhaal over het fysiek verschijnen van een opgestane Jezus.
Mattheus is dubbelzinnig . . . Pas wanneer we bij Lucas en
Johannes komen . . . begint de uitleg over Pasen verhalen met
zich mee te brengen over het fysiek verschijnen van het herrezen lichaam
van Jezus dat uit zijn graf opstaat’ (blz. 119). De auteur vermoedt
dat deze latere verhalen de eerdere over een niet-fysieke overlevering
overschaduwden, want hoe later na Jezus’ dood des te wonderbaarlijker
het verhaal wordt.
Spong ziet het als zijn eerste taak om de zogeheten mondelinge periode
van de christelijke geschiedenis vóór enige herinneringen
aan Jezus op schrift werden gesteld, toegankelijk te maken: ‘Lang
vóór iemand de taak op zich had genomen om de evangeliën
te schrijven, was Jezus al geïnterpreteerd met behulp van de Hebreeuwse
geschriften en tijdens dat proces werd het Jezus-verhaal vormgegeven
. . . door de joodse geschiedenis’ (blz. 143). Omdat mensen geen
bijbels hadden, moet het de gemeenschap van de synagoge met haar geschriftenstudie
zijn geweest die het kader voor deze mondelinge traditie heeft gevormd.
Hij betwist de verklaring van de christelijke overlevering dat Jezus
leefde overeenkomstig de profetische verwachtingen. Hij denkt integendeel
dat dit het feit probeert te verbergen ‘dat het Jezus-verhaal
in feite werd samengesteld met de Hebreeuwse boeken ernaast en de herinnering
aan Jezus werd aangepast om aan de bijbelse verwachting te voldoen’
(blz. 144).
Spong beweert dat de evangeliën in plaats van letterlijke verhalen
een interpretatie zijn van Jezus die in hoge mate is gefilterd door
het godsdienstige leven van het joodse volk, ‘waarin het Jezus-verhaal
in herinnering werd gebracht en verteld gedurende twee tot drie generaties
vóór de evangeliën werden geschreven’ (blz.
149). Hij is van mening dat verschillende denkbeelden uit het Oude Testament
werden gebruikt om de ervaring van Jezus te interpreteren. Marcus’
verhaal over de kruisiging vertoont een liturgische opeenvolging van
acht gedeelten van elk drie uur waarin discipelen kunnen nadenken over
de dood van Jezus, wat lijkt op het paaslam dat de macht van de dood
breekt. Zoals het joodse volk het bloed van het geofferde lam op hun
deurposten smeerden opdat de doodsengel eraan zou voorbijgaan, evenzo
werd Jezus gezien als iemand die het vermogen had om de dood te verbannen.
Een tweede denkbeeld, Jezus als het offerlam van Yom Kippur, gaat terug
tot Paulus, die schreef, ‘hij stierf voor onze zonden’.
Tijdens Yom Kippur werden twee dieren uitverkozen: één
werd geofferd, het andere werd de zondebok. Het offerlam stierf voor
de zonden van het volk; de zondebok die de zonden van het volk droeg
werd de wildernis ingestuurd. Dit denkbeeld van het offerlam was voorbestemd
om de manier te worden ‘waarop de dood van Jezus aan het kruis
uiteindelijk zou worden geïnterpreteerd’ (blz. 166).
Een derde denkbeeld van de Hebreeuwse geschriften dat is overgebracht
op Jezus is de Mensenzoon, ‘waarschijnlijk de oudste en meest
geliefde titel die is ontwikkeld voor degene die de messiaanse verwachting
van het joodse volk moest vervullen’ (blz. 172). Na de Babylonische
gevangenschap, toen de joodse hoop op vrijheid werd verbrijzeld, wendde
het volk zich tot apocalypticisme – de droom van een bevrijding
en bestemming voorbij de geschiedenis. De messias (oorspronkelijk een
fysieke hersteller van de troon van David) verandert in een bemiddelaar
van God die het laatste oordeel zal uitspreken en het koninkrijk van
God zal inluiden. ‘De Mensenzoon’ wordt een bovennatuurlijke
voorstelling van de messias. Spong heeft geen enkel bewijsmateriaal
kunnen ontdekken dat Paulus dit beeld van Jezus had. Verhalen in Mattheus
benadrukken de vereenzelviging van de Mensenzoon met Jezus door parabelen
over het oordeel, de opgestane Christus met volledige zeggenschap in
hemel en op aarde. In Johannes is de ‘bovennatuurlijke
‘Mensenzoon’ die als taak heeft om over de wereld te oordelen
en het koninkrijk van God in te luiden, verbonden aan de vroegere, minder
apocalyptische messiaanse figuur die door Jesaja wordt geïdentificeerd
als degene die vrede en vervulling in het leven zou brengen, het zicht
van de blinden zou herstellen, de doven zou laten horen, de lammen zou
laten lopen en de stommen zou laten zingen als aankondigingen van het
komende koninkrijk’ (blz. 177).
In het licht van het gepresenteerde bewijsmateriaal wordt ‘de
Jezus van de geschiedenis, de werkelijke mens, heel vaag terwijl we
ons bewust worden van de mogelijkheid dat zoveel van de evangeliebeschrijvingen
veeleer interpretaties zijn dan ooggetuigenverslagen van een historische
figuur. . . . Hij wordt nu gezien als een samenstelling van mythologische
interpretaties die zich voordoen als geschiedenis’ (blz. 191).
Maar voor Spong is de mens Jezus geen mythologische persoon maar een
figuur uit de geschiedenis, en uiteindelijk wil hij de werkelijke betekenis
van Jezus onderzoeken zonder het interpretatielaagje en de theïstische
beeldvorming waaraan ze al bijna 2.000 jaar onderworpen is. Om dit doel
te bereiken legt hij de traditionele omschrijving van God en religie
onder een microscoop en brengt hij enkele belangrijke inzichten naar
voren. Een daarvan is dat de religieuze stelsels van de mens nooit een
zoektocht naar waarheid betroffen maar veeleer een zoektocht naar veiligheid.
Hij beschouwt veel vormen van religie als nauwelijks meer dan cultuurgebonden
uitdrukkingsvormen van de angst voor zinloosheid: de ‘theïstische
omschrijving van God had nooit betrekking op God; ze had altijd betrekking
op mensen die wanhopig behoefte hadden aan een stelsel om aan het leven
het hoofd te bieden en dat hen in staat zou stellen om met de angsten
voor de betekenis van het mens-zijn te kunnen leven’ (blz. 215).
Mensen die vroegen, ‘Is er daarbuiten in het heelal iets met meer
macht dan ik heb, dat me kan beschermen?,’
overtuigen zichzelf ervan dat ze in hun zwakheid
worden beschermd door de macht van een almachtige God die zich opwerpt
als hun verdediger. Vervolgens projecteren ze een door henzelf gevormde
absolute betekenis en absoluut doel op dit externe, goddelijke wezen
om aan de angst van de ogenschijnlijke zinloosheid van het leven te
ontsnappen. Tenslotte creëren ze de hoop dat de sterfelijkheid
die het einde van hun leven markeert niet definitief zal zijn . .
. – blz. 265
Spong benadrukt dat theïsme niet God is, maar veeleer een mechanisme
van de mens om aan het leven het hoofd te bieden. Onder de invloed van
het patriarchaat werd later in sommige culturen het vrouwelijke aspect
van het goddelijke verbannen en werd de godheid afgeschilderd als een
heersend stamhoofd met bovennatuurlijke macht, die niet in deze wereld
leefde maar in staat was haar elk moment binnen te vallen op ‘wonderbaarlijke
manieren om te zegenen, te straffen, de goddelijke wil te vervullen,
gebeden te beantwoorden en de zwakke, machteloze mensen te hulp te komen’
(blz. 222).
Zijn ervaring is dat dit beeld van God heel gebruikelijk is en ‘helaas
aanleiding schijnt te geven tot buitensporige en destructieve religieuze
woede’ (blz. 228), een woede die vaak op zichzelf wordt betrokken
en tot uitdrukking komt in een heel negatief zelfbeeld en gevoelens
van minderwaardigheid. Het traditionele christendom komt met een heel
sterke boodschap van schuldgevoel, benadrukt hoe hopeloos en slecht
we zijn en verandert godsdienst in een voortdurende smeekbede om genade.
Spong geeft de schuld daarvoor duidelijk aan het ‘theïstische
beeld van God, die traditiegewijs wordt gezien als een straffende ouderfiguur’,
en zegt dat ‘de traditionele manier waarop we het Christus-verhaal
vertellen van God een boeman maakt, van Jezus een slachtoffer, en woedende
mensen voortbrengt die eeuwig dankbaar moeten zijn en zonder ons dus
hulpeloos afhankelijk zijn’ (blz. 235, 236). De vraag is wie er
behoefte heeft aan een god die de dood van zijn zoon arrangeert vóór
hij bereid is de mensheid te vergeven? Spong vindt zo’n soort
theïstische God immoreel; hij is in wezen de stamgod en ‘tenzij
deze wordt overstegen, is een meer diepgaande menselijkheid niet mogelijk’
(blz. 241).
In dit boek wordt Jezus gezien als een volledig ontwikkeld mens die
doelbewust deze stamcultuur en angst het hoofd bood, want de werkelijke
boodschap van Christus is dat ‘goddelijkheid wordt waargenomen
in de volheid van het mens-zijn wanneer grenzen verdwijnen en haat uitsterft
. . .’ (blz. 248). In de woorden van Paulus, ‘voor Christus
waren er noch slaven noch vrije mensen’ – wat betekent dat
Jezus over de grenzen van alle soorten vooroordelen heen stapte. Door
andere mensen te behandelen alsof ze minder dan mensen zijn, wordt de
goede naam van degene die dat doet altijd aangetast en het maakt hem
of haar minder menselijk. Of het nu vooroordelen over andere rassen
en klassen of het andere geslacht betreft, Spong geeft aan dat ‘dat
soort menselijk gedrag, dat van zoveel religieuze stelsels deel uitmaakt,
nooit tot heelheid voor mannen of vrouwen leidt, en dus geweld doet
aan het diepste begrip van God dat ons werd gegeven in de vorm van Jezus
van Nazareth’ (blz. 60). In zijn ogen bestaat er geen externe
theïstische god die komt om een zondige wereld vol verloren zondaars
te bevrijden. Hij stelt dat de werkelijke betekenis van verlossing
is om tot heelheid te worden geroepen – een volledig
mens te zijn die mededogen heeft voor iedereen die in nood verkeert.
Hij ziet religie als een instrument van mensen om het leven het hoofd
te bieden dat is ingesteld om zekerheid in een heel onzekere wereld
te verschaffen. Jezus leefde naar de overtuiging dat ‘iemand om
volledig mens te zijn een stap verder moet zetten dan een veilig gevoel
gevende religie’ (blz. 271). Voor Spong moet zo’n soort
Jezus een mens met een buitengewone integriteit zijn geweest, die leefde
in het eeuwige nu en mensen zo volledig in beslag nam dat ze dachten
dat de tijd stilstond. Na de kruisiging, toen de messiaanse hoop van
de discipelen schijnbaar was vernietigd, duurde het verschillende generaties
vóór de volgelingen hun ideeën aan deze gebeurtenissen
hadden aangepast. Hierbij werd Jezus geïnterpreteerd door de lens
van Hebreeuwse denkbeelden, en zijn dood begon te worden vergeleken
met de dood van de paas- en Yom Kippur-lammeren. Spong is ervan overtuigd
dat omdat mensen in Jezus een goddelijke kracht zagen ze aan hem vermogens
toeschreven zoals het vergeven van zonden, het genezen van zieken, en
het naar zijn hand zetten van natuurkrachten.
Maar de Jezus waarin Spong gelooft gaat veel verder dan theïsme.
De mens Jezus leefde in het oneindige, dat hem, en iedereen die zich
met hem verbonden voelde, transformeerde: ‘Wanneer ik de grondslag
van het zijn aanraak, geloof ik dat ik dat wat God wordt genoemd aanraak’
(blz. 285). Er is één gedachte in dit uitstekende boek
die ik nog iets verder wil uitwerken. Spong schrijft dat de transformerende
kracht van Jezus uniek is, maar toch kunnen we Jezus plaatsen tussen
verschillende andere mensen die in hun leven en altruïsme de kracht
hadden om heelheid op te wekken. Een ander voorbeeld van een volledig
mens die het hoofd bood aan de religieuze en maatschappelijke grenzen
van zijn tijd is Gautama Boeddha. De leer dat liefde de verbindende
kracht van het heelal is, is zo oud als de mensheid, en door de eeuwen
heen zijn er ‘verlichte’ en ‘gevorderde’ zielen
verschenen om de moeizaam vorderende mensheid eraan te herinneren wat
werkelijk heelheid opwekt – het is de boodschap van het hart.