Uit een lezing op 13 april 2007 in het Theosophical
Library Center, Altadena, Californië.
Vriendelijkheid is een woord dat een behaaglijk gevoel geeft, en is
etymologisch verbonden met vriend of vriendschap. Vriendelijkheid is
in betekenis verwant met mededogen, maar dat is een ernstig woord dat
meer van me vraagt dan ik gewoonlijk kan opbrengen. Het vraagt van ons
onvoorwaardelijk lief te hebben, en hoewel ik er nog verre van ben dat
te kunnen, heb ik ontdekt dat ik tenminste één stap kan
zetten in de richting daarvan – ik kan vriendelijk zijn. Het gaat
niet om de Gulden Regel. Eerlijk gezegd heb ik nooit gehouden van dat
gezegde ‘doe voor anderen zoals je zou wensen dat ze voor jou
doen’ want dat kan behoorlijk egoïstisch zijn. Ik vind ‘doe
anderen zoals zij zouden willen’ beter. Om volkomen aandacht
te geven aan wat anderen graag willen of nodig hebben en ze daarbij
te helpen is ware vriendelijkheid. Er zijn geen voorgeschreven formules:
we gaan met een sinaasappelboom op een andere manier vriendelijk om
dan met een huilend kind of een boze politieagent. We ontdekken op het
moment dat dit nodig is waar behoefte aan bestaat en proberen vanuit
het hoogste deel van ons wezen te handelen.
Twee van de vriendelijkste en meest geruststellende woorden die ik
ooit heb gehoord zijn ‘ik ook’. In welke verschrikkelijke
omstandigheden we ons ook bevinden, hoe ontsteld we ook zijn, als iemand
anders bekent precies dezelfde ellende te hebben doorgemaakt, hetzelfde
heeft gevoeld, geeft dat opluchting, en we voelen ons weer fris en opgeknapt.
Het herinnert ons eraan dat we niet alleen zijn. En dat is een van de
magische sleutels van vriendelijkheid: we voelen ons niet langer een
buitenstaander – verkeerd begrepen, in verlegenheid gebracht,
en alleen – maar we voelen ons weer een waardevol onderdeel van
de groep. Dat bevrijdt ons zodat we ons weer erbij voelen horen in plaats
van op een afstand te zijn.
We verliezen zo gemakkelijk uit het oog wie we zijn. De psychotherapeut
Piero Ferrucci wijst in zijn recente boek op een moderne ‘epidemie
van depressiviteit en paniekaanvallen’ en brengt ze in verband
met het ‘gebrek aan warmte en aan een geruststellende en beschermende
omgeving en aan een verzwakt gevoel van ergens bij te horen’ (The
Power of Kindness, blz. 8). Zulke epidemische verschijnselen kunnen
direct worden teruggevoerd op de materialistische overtuiging waarvan
onze cultuur is doordrongen – dat dingen op zich een
waarde hebben, terwijl mensen hun waarde moeten ‘verdienen’.
Ik vind het vreemd dat de meeste Amerikanen het fundamentele uitgangspunt
van het materialisme verwerpen, namelijk dat ‘dingen’ door
willekeurige botsingen bij toeval het leven hebben voortgebracht –
‘dingen’ die de filosoof Ken Wilber droogjes ‘dartelend
slijk’ [frisky dirt] noemde. Het geloof dat goddelijkheid of bewustzijn
een rol moeten hebben gespeeld bij de geboorte (of wedergeboorte) van
het universum schijnt het meest populair te zijn. Niettemin lijkt het
alsof we de resultaten van het materialistische denken ermee
hebben verweven, want meestal leven we alsof de materialisten het bij
het juiste eind hebben, alsof er geen innerlijk doel of betekenis in
het leven is. We kijken buiten onszelf naar de materiële wereld
om de oorsprong van onze problemen en de oplossingen daarvoor te vinden
in plaats van de oorsprong van ons eigen (en alle) bestaan in onszelf
te zoeken. We leggen eerder de nadruk op de materiële kwantiteit
dan op de kwaliteit die van bovenaf komt of uit een spirituele levensvisie
voortspruit. We willen de biefstuk zonder de koe om van de smaak te
genieten zonder dat het voedsel ons beïnvloedt.
Een prijs die we voor een materialistisch leven betalen terwijl we
de filosofische basis ervan verwerpen is gebrek aan integriteit. Hoe
meer we de veronderstelling verwerpen dat het leven een gelukkig samenkomen
is van willekeurige gebeurtenissen maar toch doen alsof dat
wel het geval is door uiterlijke zaken hoger te waarderen dan innerlijke,
des te meer leggen we de basis om ons afgescheiden, depressief, bezorgd
en geïsoleerd te voelen. Indien we geloven dat het goddelijke de
kern van het universum is, de wortel van het leven, laten we dan ook
een leven leiden dat meer waarde hecht aan zijn dan aan hebben, aan
wezens boven dingen.
Voor degenen die de belangstelling en discipline hebben om te studeren
en de dingen tot op de bodem uit te zoeken, biedt de oude wijsheid een
krachtig tegengif tegen de holle beloften van het materialisme. Maar
het aantal mensen dat zo’n poging wil wagen is niet erg groot,
en dus bied ik een verkorte versie: Laten we vriendelijk zijn. Niet
omdat we denken dat dat moet, maar omdat het in onze diepste
natuur weerspiegelt wie we zijn. Laten we vriendelijkheid losmaken uit
het terrein van de sociale omgangsvormen en haar occulte basis onderzoeken:
theosofische, soefi- en boeddhistische tradities leren ons dat de fundering
van het heelal liefdevolle vriendelijkheid is. De soefi’s zeggen
dat ‘Alles de Geliefde is’, en de christenen leren dat God
liefde is. Theosofen zeggen dat wat we onze innerlijke of goddelijke
natuur noemen de uitdrukking van mededogen is. Ik kan daar niet persoonlijk
voor instaan, maar ik heb het gevoel dat het klopt, en mensen van wie
ik de opvattingen waardeer hebben dat steeds weer geschreven. H.P. Blavatsky
zei het zo: ‘Mededogen is geen eigenschap. Het is de WET der wetten
– eeuwige harmonie . . . een oeverloze, universele essentie .
. . de wet van eeuwige liefde’ (De Stem van de Stilte,
blz. 67). Mededogen moet dan, omdat het een universele essentie
is, een deel van ons zijn, een deel van onze essentie.
Wanneer we door de ogen van liefde naar de wereld kijken, gedragen
we ons vriendelijk. De boeddhist D.T. Suzuki vertelt het volgende verhaal:
Iemand hoorde een geluid in zijn tuin en toen hij naar buiten keek zag
hij jongens uit de buurt bezig in een van zijn bomen te klimmen om fruit
te stelen. Dus zette hij een ladder onder de boom en ging geruisloos
weer naar binnen. Hij was bang dat de kinderen wanneer ze, ‘bang
om gesnapt te worden, weer uit de boom klommen, zouden uitglijden, vallen
en zich bezeren. Zijn impuls was om te voorkomen dat ze zich pijn deden,
niet om zijn eigendom te beschermen’. Als we ons bewust worden
van de eenheid en verbondenheid van alle leven kunnen we niet anders
dan op vriendelijke wijze handelen.
Talloze wijzen hebben ons verteld dat het lijden van één
persoon ons allemaal beïnvloedt, en dat als er één
mens in slavernij leeft, niemand van ons vrij is. Hoe we het ook wenden
of keren, onverschilligheid voor het welzijn van anderen komt voort
uit onwetendheid, niet uit intelligentie. Kunnen we ons ontspannen en
gelukkig voelen als we ondraaglijke pijn lijden? Kunnen we gelukkig
zijn terwijl anderen lijden? Ons leven is in hoge mate afhankelijk
van dat van anderen: we beginnen ons aardse leven in het lichaam van
onze moeder, en iedere minuut daarna zijn we op een of andere manier
afhankelijk van anderen voor ons welzijn, hoewel we ons dat gewoonlijk
pas realiseren als er een staking is, of een tekort aan een bepaald
product. Wat is onze verantwoordelijk voor dit web van onderlinge verbindingen?
Albert Einstein schreef: ‘Ik herinner mezelf honderd keer per
dag eraan dat zowel mijn innerlijke als mijn uiterlijke leven afhankelijk
zijn van het werk van andere mensen, zowel levende als dode, en dat
ik me moet inspannen om evenveel te geven als ik heb ontvangen en nog
steeds ontvang.’ En bijna 2000 jaar daarvoor smeekte de Romeinse
keizer Marcus Aurelius ons om
ons heelal voortdurend als één levend
wezen te beschouwen dat uit één substantie bestaat en
één ziel heeft; en waar te nemen hoe alle dingen verwijzen
naar één gewaarworden, het gewaarworden van dit ene
levende wezen; en hoe alle dingen in één beweging handelen;
en hoe alle dingen de samenhangende oorzaken zijn voor alle dingen
die bestaan; kijk ook naar het voortdurende spinnen van de draad en
de structuur van het weefsel. – Meditaties
4-40
Als we het heelal als één levend wezen met één
ziel beschouwen, kan het niet anders of er verandert iets in hoe we
met elkaar en ieder ander wezen op deze planeet omgaan. Ik moet denken
aan een zegswijze die langgeleden in de mode was: ‘We wonen allemaal
stroomafwaarts.’ Het noopt tot bescheidenheid als we beseffen
hoe gedachten, woorden en handelingen van ons uitgaan en hoe die bijdragen
aan óf de vervuiling óf de zuivering van onze wereld.
Vaak willen we niet horen hoe belangrijk we zijn, maar de behoefte
aan warmte en vriendelijkheid is voor ieders welzijn onontbeerlijk.
Shelley E. Taylor vertelt ons een verhaal uit het naoorlogse Duitsland
toen de voedselrantsoenen mager waren. Toch lukte het wetenschappers
die de taak hadden toezicht te houden op de voedselvoorziening voor
oorlogswezen om de rantsoenen voor een bepaald weeshuis te verhogen
in de hoop dat met die extra rantsoenen de kinderen in zes maanden de
achterstand in lichaamslengte en lichaamsgewicht op de andere kinderen
zouden inlopen. Maar tot ieders verbazing maakte het extra voedsel niets
uit. Maar in een ander weeshuis waar de rantsoenen nog steeds op het
niveau van die in de oorlog stonden begonnen de kinderen wel goed te
groeien. Nader onderzoek leidde tot de conclusie dat de verschillen
in fysieke groei tussen de kinderen te maken had met de vriendelijkheid
van de vrouw van het ene weeshuis vergeleken met de wreedheid die werd
tentoongespreid door de vrouw die het andere onder haar hoede had. De
liefde en affectie ‘die ieder kind ontving van de warme en liefhebbende
verzorgster deed meer voor de groei van de kinderen dan dure voedingssupplementen’.
Zo groot is de kracht van vriendelijkheid. ‘En als je ziet dat
wreedheid zelfs de resultaten van voedingssupplementen kan tenietdoen,
begin je ook te begrijpen wat een enorme kracht kan uitgaan van angst’
(The Tending Instict, blz. 3). Dit is de kracht van onvriendelijkheid:
woede heeft een energie, haat heeft intensiteit, en angst kan ons op
ieder niveau verlammen. Vriendelijkheid heeft daarentegen het vermogen
om al deze omstandigheden onder ogen te zien en ze te neutraliseren.
Ze brengt een ruimhartigheid van geest met zich mee die ons doet herleven,
ons bezielt en die als een zegening wordt ervaren. Vriendelijkheid maakt
ruimte vrij voor meer innerlijke vrijheid.
Het begint met een intentie, een belofte aan onszelf om vriendelijk
te zijn. Als we besluiten vriendelijk te zijn, merken we steeds meer
gelegenheden daartoe op. We merken ook wanneer we in onze schulp kruipen,
waar het lijden te groot voor ons is en we het niet kunnen aanzien,
laat staan helpen. Hoe meer we vriendelijkheid in praktijk brengen,
zelfs tegenover mensen die zo in de ellende zitten dat het ons afstoot,
des te sterker we worden en des te beter we in staat zijn om stand te
houden bij het zien van groot lijden zonder onze blik af te wenden –
om de belichaming van vriendelijkheid te worden.
We kunnen echter ook in de verleiding komen om vriendelijk te zijn
met verkeerde intenties. We hoeven mensen geen misbruik van ons te laten
maken – ware vriendelijkheid omvat niet alleen anderen, maar ook
onszelf. Zijn we werkelijk vriendelijk als we verhullen wat we bedoelen,
inhoudloze complimenten maken en doen alsof we iets leuk vinden als
dat niet zo is? Als we het alleen om ‘vriendelijk’ te zijn
doen voorkomen alsof we iets prettig vinden, liegen we tegen onszelf
terwijl we geen respect hebben voor de ander – en dat is niet
vriendelijk. Het is neerbuigend om de volwassenheid van anderen en hun
vermogen om naar afwijkende standpunten te luisteren in twijfel te trekken.
We kunnen leren om het op milde wijze met elkaar oneens te zijn, we
kunnen altijd een vriendelijke manier vinden om Nee te zeggen. En we
kunnen leren om Ja te zeggen zelfs wanneer dit ongelegen komt.
Er is een joods verhaal dat vertelt dat er eens heel lang geleden een
koning was die zijn zoon op reis stuurde de wereld in, en toen de tijd
aanbrak dat de prins weer thuis nodig was, zond hij hem een bericht
dat hij moest terugkomen. Maar de prins kon zichzelf daar gewoon niet
toe brengen en bleef weg. Nogmaals stuurde de koning een boodschap en
de prins antwoordde: ‘Ik kan niet.’ En dus zond de koning,
die een wijs en liefhebbend man was, nogmaals een bericht: ‘Kom
dan zover je kunt, mijn zoon, en ik zal je van de andere kant tegemoet
komen.’
Dit is liefdevolle vriendelijkheid in de praktijk. Behalve dat we ja
of nee zeggen, is er onze innerlijke houding die achter al onze woorden
en uiterlijke handelingen staat, die de ander als deel van onszelf herkent,
die ziet wanneer anderen zijn vergeten hoe waardevol ze zelf zijn en
ze helpt met een grootmoedig aanbod, of soms alleen maar met een aanraking
of een begrijpende blik. Galway Kinnell belicht dit in ‘Sint Franciscus
en de zeug’:
De knop
staat symbool voor alle dingen
zelfs voor dingen die niet bloeien,
want alles bloeit, van binnenuit, van eigen gelukzaligheid;
hoewel het soms nodig is
een wezen opnieuw bewust te maken van zijn eigen aantrekkelijkheid,
om een hand op zijn voorhoofd te leggen . . .
en het in woorden en een aanraking opnieuw te vertellen
dat het aantrekkelijk is
tot het opnieuw van binnenuit opbloeit, van eigen gelukzaligheid;
. . .