H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen
Deel 1: 1874 – 1882

isbn 9789491433122, paperback, eerste druk 2015, bestel boek

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Een groot licht onder de korenmaat

[‘A great light under a bushel’, The Theosophist, februari 1880, blz. 125-9; CW 2:274-89]

Als de taal, volgens de ironische definitie van een Franse schrijver, niet aan de mens was gegeven ‘opdat hij des te beter zijn gedachten zou kunnen verbergen’, dan zouden we kunnen verwachten ergens in de toekomst in een catechismus van de wetenschap onder het hoofd fysiologie het volgende antwoord te zien:

Vraag: Wat is fysiologie?

Antwoord: De kunst om alles te ontkennen wat haar specialisten nog niet te weten zijn gekomen, en onbewust te verminken wat ze wel weten.

De toepasselijkheid van dit antwoord zal het nageslacht ten volle erkennen en waarderen; in het bijzonder wanneer mesmerisme of dierlijk magnetisme een erkende wetenschap zal zijn geworden, en generaties van halsstarrige artsen openlijk door de geschiedenis zullen zijn beschuldigd dat ze generaties van hun miljoenen lijdende tijdgenoten hebben opgeofferd aan hun wrede verwaandheid en koppigheid.

Voor diegenen onder onze lezers die misschien maar weinig van deze aloude wetenschap weten, die sinds de prehistorie in India, Egypte en Chaldea werd beoefend, en die nooit hebben gehoord dat ze de basis vormde voor de wonderbaarlijke ‘magische kunst’ van de Frygische dactylen en de ingewijde priesters van Memphis, zullen we haar geschiedenis kort schetsen, en aantonen wat ze tot stand kan brengen, zoals nu door de grootste wetenschappers wordt erkend.

Dierlijk magnetisme, ook mesmerisme genoemd, is een kracht of fluïdum door middel waarvan een bijzondere invloed op het dierlijk gestel kan worden uitgeoefend’, zegt de New American Cyclopaedia. Sinds de vernietiging van de heidense tempels en na een tussentijd van enkele eeuwen werd het door Paracelsus, de grote mysticus en een van de school van de ‘vuurfilosofen’, in praktijk gebracht en onderwezen. Deze kracht had bij hen verschillende namen, zoals ‘levend vuur’, de ‘geest van licht’, enz.; de pythagoreeërs noemden haar de ‘ziel van de wereld’ (anima mundi), en de alchemisten ‘magnes’ en de ‘hemelse maagd’. Rond het midden van de 18de eeuw raadde Max Hell, professor in de astronomie in Wenen, en een vriend van dr. F. Anthony Mesmer, hem aan te proberen of hij niet, als een tweede Paracelsus en Kircher, ziekten zou kunnen genezen met een magneet. Mesmer werkte dit idee verder uit en verrichtte ten slotte de meest wonderbaarlijke genezingen – niet meer door het magnetisme van mineralen, maar volgens hem door dierlijk magnetisme. In 1778 ging Mesmer naar Parijs, veroorzaakte in deze stad de grootste opwinding, en de publieke opinie was vanaf het begin volledig in de ban van hem. Hij wilde zijn geheim echter niet afstaan aan de regering, maar vormde in plaats daarvan een groep, en bijna 4000 mensen studeerden op verschillende momenten onder zijn leiding; Lafayette, markies De Puységur en de beroemde dr. D’Eslon waren o.a. zijn leerlingen. Zijn methoden waren niet die van tegenwoordig, maar hij behandelde zijn patiënten door magneten op verschillende delen van hun lichaam te plaatsen, of doordat hij ze in een kring liet zitten in een afgesloten vat, met een deksel van waaruit naar ieder persoon een ijzeren staaf wees, terwijl ze allemaal verbonden waren door elkaars handen vast te houden. Hij maakte ook strijkbewegingen met zijn handen over hun lichaam. Terwijl Mesmer – die in het lichaam en de ledematen van de zieken een koude prikkelende gewaarwording, zenuwtrekkingen, slaperigheid en slaap tevoorschijn riep, en daarmee een verlichting van de ziekte en vaak volledige genezing bereikte – zich beperkte tot zenuwziekten, ontdekte markies De Puységur, zijn leerling, somnambulisme1, het belangrijkste gevolg van dierlijk magnetisme. En het was Deleuze, de beroemde bioloog van de Jardin des Plantes, iemand die zeer geacht wordt om zijn oprechtheid en als schrijver, die in 1813 de Histoire critique du magnétisme animal uitgaf. In die tijd had het mesmerisme, ondanks het duidelijke succes en nut, bijna alle terrein verloren. In 1784 had de Franse regering de medische faculteit van Parijs opgedragen een onderzoek in te stellen naar Mesmers praktijken en theorie, en daarover te rapporteren.

1. Noot vert.: later hypnose genoemd.

Een commissie met figuren zoals de Amerikaanse filosoof Franklin, Lavoisier, Bailly en anderen, werd benoemd. Maar omdat Mesmer weigerde zijn geheim af te staan en openbaar te maken, was het resultaat dat, nadat de behandelwijze nauwkeurig was onderzocht, het rapport erkende dat op de patiënten grote invloed werd uitgeoefend, maar deze invloed werd door de commissie hoofdzakelijk aan verbeelding toegeschreven! Op de publieke opinie maakte het de indruk dat Mesmer een kwakzalver was waarvan zijn leerlingen de dupe waren.

Ondanks het algemene vooroordeel bloeide het magnetisme en werd over de hele wereld bekend. Het was het gebied van de medische praktijk binnengedrongen en baande zich stap voor stap al vechtende een weg. Na de hardnekkige vijandigheid van de Academie en de oude tradities van haar leden, deed het een beroep op het oordeel van het grote publiek, en beloofde zich te houden aan het besluit van de meerderheid. ‘De voorstanders ervan werden door de medische faculteit en de meeste geleerden vergeefs als kwakzalvers behandeld’, schrijft Deleuze; ‘iemand die getuige is geweest van mesmerische experimenten onder zijn vrienden, zal erin geloven ondanks wat alle autoriteiten zeggen’. Ten slotte benoemde de Koninklijke Academie van Geneeskunde in Parijs, op aandrang van dr. Foissac, een bekende jonge arts en een enthousiaste bewonderaar van Mesmer, in 1825 een nieuwe geleerde commissie en stelde een grondig onderzoek in. Zou iemand haar geloven? Als gevolg van talrijke intriges bleef het oordeel van de geleerde onderzoekers vijf jaar uit; pas in 1831 verscheen het rapport, en toen bleek het, tot grote frustratie van de oude academische en beschimmelde hersenen, een unanieme conclusie te bevatten die op het volgende neerkomt:

Er werd gerapporteerd:

(1) Mesmerisme is een kracht die een grote invloed op het menselijk gestel kan uitoefenen; (2) deze invloed hangt niet af van de verbeelding; (3) ze werkt niet even goed bij alle personen, en op sommigen heeft ze helemaal geen effect; (4) ze veroorzaakt de slaaptoestand van een slaapwandelaar; (5) tijdens deze slaaptoestand veroorzaakt prikkeling van sensorische zenuwen geen enkel gevoel van pijn: (6) de slaper kan geen geluid horen, behalve de stem van de magnetiseur; (7) de gevoels- en reukzenuwen van de slaper geven geen indrukken door aan de hersenen, tenzij ze worden ingegeven door de magnetiseur; (8) sommige slapers kunnen met gesloten ogen zien, kunnen verschillende gebeurtenissen en in het bijzonder de tijden van terugkeer van een epileptische aanval en het herstel ervan nauwkeurig voorspellen, zelfs maanden tevoren (zoals uitvoerig werd bewezen), en ze kunnen de ziekten ontdekken van mensen met wie ze magnetisch in contact worden gebracht; en (9) dat mensen die lijden aan kwalen, pijnen, epilepsie en verlamming, door magnetische behandeling geheel of gedeeltelijk kunnen worden genezen.

Het rapport trok veel aandacht. Het mesmerisme breidde zich over de hele wereld uit. Het aantal onderzoekers van de nieuwe wetenschap werd groter dan ooit; de knapste schrijvers volgden haar vooruitgang; en baron J.D. du Potet1 stak als mesmerist en schrijver ver uit boven alle anderen. Rond het jaar 1840 ontdekte baron Karl von Reichenbach, een uitstekende Duitse scheikundige en ontdekker van creosoot, een nieuwe kracht, fluïdum of beginsel – dat wij eerder beschouwen als één van de werkingen van de anima mundi – dat hij od of odyle noemde. Dit agens is volgens zijn theorie ‘niet beperkt tot het dierenrijk, maar doordringt het heelal, wordt op verschillende manieren door mediums waargenomen, heeft grote invloed op leven en gezondheid, heeft, evenals elektriciteit en galvanisme, twee tegengestelde polen, en kan in dierlijke lichamen worden opgehoopt, of daaruit worden weggeleid’. Vervolgens ontdekte dr. Braid uit Manchester dat hij bij patiënten slaap kon opwekken door hen te bevelen voortdurend naar een klein en schitterend voorwerp te kijken, op ongeveer 30 cm van hun ogen, en boven ooghoogte. Hij noemde dit proces hypnose, gaf zijn theorie de elegante naam neurypnologie, en beschouwde het als een mesmerisch tegengif.

1. Naast veel moderne en degelijke tijdschriften zoals de Chaîne magnétique, geleid en gesteund door de eerbiedwaardige baron Du Potet, erelid van onze Society in Parijs, en de Revue magnétique door Donato, behoren de werken van H.G. Atkinson, dr. Elliotson en prof. William Gregory uit Edinburgh, tot de beste op het gebied van het magnetisme.

Dit is in het kort de geschiedenis van dit verbazingwekkende beginsel in de natuur; een beginsel dat even weinig wordt begrepen als elektriciteit en galvanisme in vroegere tijden. En terwijl de laatstgenoemde, zodra hun werking was aangetoond, algemeen werden aangenomen en zelfs verwelkomd, wordt eerstgenoemde, hoe groot de mogelijkheden ervan ook zijn om de kwalen van de lijdende mensheid te verlichten, hoe vaak zijn werking ook is aangetoond, tegenwoordig even bitter ontkend en afgekeurd als in de dagen van Mesmer. Zullen we zeggen waarom? Omdat – terwijl elektriciteit en galvanisme in hun praktische toepassing door, en betekenis in, de wetenschap de grove manifestaties zijn van de universele proteus, de grote anima mundi – magnetisme in zijn ruimste en meest mysterieuze betekenis naast de puur fysieke resultaten zulke mysterieuze en uitgestrekte gebieden ontsluit dat de nuchtere en sceptische wetenschappers versteld staan en in hun bekrompen materialisme met alle macht zijn spirituele mogelijkheden afwijzen. Als ze zijn bestaan eenmaal erkennen en het zijn burgerrechten geven, moeten al hun scholen worden herzien. Aan de andere kant is de geestelijkheid er even fel tegen, want zijn resultaten werpen, in hun heilzame gevolgen, elke noodzaak omver om in goddelijke ‘wonderen’ te geloven, of de duivelse te vrezen, en tonen onmiddellijk aan dat hun oude laster niet waar is.

We zullen nu de vooruitgang bespreken van het magnetisme onder zijn verschillende moderne namen – mesmerisme, magnetisme, hypnotisme en andere ismen – bij de wetenschappers en mesmeristen die het, ieder op zijn eigen manier, verklaren.

Mesmerisme en hypnotisme in Frankrijk

Omdat we van plan zijn dat gevaarlijke schrikbeeld van de fysieke wetenschap – het mesmerisme – te behandelen, moeten we deze twistappels, die door ons vers geplukt zijn in de tuin van de wetenschappers, met de nodige voorzichtigheid en eerbied onderzoeken. We willen elke mogelijke terugtocht van de vijand afsnijden, en zullen ons daarom strikt houden aan de persoonlijke experimenten en verklaringen van enkele erkende leiders van de medische wetenschap.

Eén van hen is Naquet, gedeputeerde van het departement Vaucluse, professor aan de medische faculteit van Parijs, en schrijver van Révélation antique et révélation moderne. Deze man, die een starre materialist is, voor wie alleen al het idee van een ziel in de mens even onwelkom is als de geur van wierook voor de duivel uit de overlevering, geeft nu een reeks wetenschappelijke lezingen in Parijs, waarvan het hoofddoel schijnt te zijn om (eindelijk!) de verschijnselen van het mesmerisme te erkennen en – te strijden tegen de theorie dat de menselijke ziel daarmee iets te maken zou hebben. Nadat hij met succes de fundamenten onder de oude openbaring, namelijk de Bijbel, heeft weggeslagen, en de dwaasheid van het geloof in de hedendaagse katholieke ‘wonderen’ van Lourdes en Salette heeft aangetoond – en tegen dat standpunt zullen we niet protesteren – bespreekt hij het spiritisme en mesmerisme. Helaas schijnt de bekwame spreker de indruk te hebben dat zowel de aanhangers van het spiritisme als die van het mesmerisme noodzakelijkerwijs in het bovennatuurlijke – en dus in wonderen – geloven. Natuurlijk maakt hij er een warboel van. We citeren en vertalen gedeelten van zijn lezingen letterlijk:

Naast deze personen (de spiritisten) die zulke zwakke argumenten naar voren brengen, vinden we niettemin enkele anderen (mesmeristen) van wie de denkbeelden overwogen en besproken zouden moeten worden. Ze pretenderen [?] dat ze bij sommige mensen naar willekeur een bijzondere soort slaap – de magnetische – kunnen teweegbrengen. Ze verzekeren dat ze in staat zijn aan bepaalde proefpersonen het vermogen te verlenen om door ondoorschijnende voorwerpen heen te zien, en ze beweren dat zulke feiten onverklaarbaar blijven, tenzij we het bestaan van een ziel in de mens aannemen.

Om te beginnen: staan de feiten op basis waarvan deze mensen hun conclusies trekken wel vast?1 Stel dat dit zo is, kunnen ze dan niet door middel van een andere hypothese dan het bestaan van de ziel worden verklaard?

De feiten die hier worden besproken, worden door verlichte en achtenswaardige personen bevestigd; zo vertonen ze in dit geval niet dat alarmerende element van stommiteit en bedrog dat een wezenlijk kenmerk van het spiritisme is.2 Daarom zal ik me niet onmiddellijk uitspreken over de onwerkelijkheid van alles wat ze ons over het magnetisme vertellen, maar ik ben van plan om tevens aan te tonen dat voor de verklaring van deze feiten, hoe werkelijk ze ook zijn, de tussenkomst van een ziel helemaal niet nodig is.

Magnetische slaap kan op een heel natuurlijke manier worden verklaard. De verschijnselen van elektrische aantrekking die dagelijks voor onze ogen worden teweeggebracht, en die niemand ooit aan een bovennatuurlijke oorzaak probeerde toe te schrijven, zijn minstens zo bijzonder als de mesmerische invloed van de ene mens op de ander. De afgelopen jaren is slaap – gevolgd door volkomen ongevoeligheid, en in alle opzichten identiek met magnetische slaap – door puur mechanische middelen teweeggebracht. Om deze te verkrijgen hoeft men slechts een lichtje naar de neus van de patiënt te brengen. Wanneer hij zijn ogen op het lichtpuntje vestigt, ontstaat een hersenvermoeidheid die slaap tot gevolg heeft. Tegenwoordig kan niet langer eraan worden getwijfeld dat magnetisme een verschijnsel van dezelfde soort is, waarbij het licht wordt vervangen door andere middelen die dezelfde hersenvermoeidheid teweegbrengen, en ten slotte slaap.

Het vermogen om door ondoorschijnende voorwerpen heen te zien, schijnt nog twijfelachtiger te zijn dan eenvoudige magnetische slaap, en het wordt nog moeilijker daaraan geloof te hechten. Als we echter erkennen dat ze is aangetoond, dan zouden we ook dit verschijnsel kunnen verklaren zonder ons in te laten met de geest.

We weten dat licht en warmte slechts trillende bewegingen zijn; dat licht en warmte slechts verschillen in de lengte van hun golven; dat deze golven die voor het oog zichtbaar zijn verschillende lengten hebben, waardoor we verschillende kleuren waarnemen; dat er bovendien onder de golfbewegingen die we als warmte herkennen, golven van verschillende lengte zijn; kortom, dat er zoiets bestaat als een warmtespectrum. Aan de andere kant zijn er voorbij het rode licht trillingen die voor het oog onzichtbaar blijven maar voor het gevoel waarneembaar zijn als warmte, en voorbij het violette licht zijn er trillingen die we niet waarnemen als warmte of licht maar die we kunnen aantonen door de scheikundige invloed die ze op sommige stoffen hebben. Ten slotte laten experimenten ons zien dat er voorwerpen zijn die voor warmte doordringbaar maar voor licht volkomen ondoordringbaar zijn, en omgekeerd.

We kunnen dus het bestaan erkennen van trillingen of golven van verschillende lengten en die onbeperkt variabel zijn. Maar onder al zulke mogelijke bewegingen is er maar een beperkt aantal, binnen duidelijk afgebakende grenzen, dat door ons als licht, warmtestralen of ultraviolette stralen wordt waargenomen. Alle grotere en kleinere bewegingen gaan aan onze zintuigen voorbij, evenals met lichtgolven zou gebeuren als we geen gezichtsorgaan hadden. Ze ontgaan ons eenvoudig omdat we geen geschikte organen hebben om ze waar te nemen.

Laten we nu eens veronderstellen dat, als gevolg van een overgevoeligheid van de zenuwen, onze organen indrukken zouden kunnen ontvangen van stralen die buiten het gebied van warmte of licht vallen. De feiten van magnetische doorschijnendheid zouden daardoor volledig worden verklaard.

1. Toen deze voortreffelijke arts de lezing hield, geloofde hij maar half in de mesmerische verschijnselen. Sindsdien heeft hij herhaaldelijk experimenten van prof. Charcot met dierlijk magnetisme bijgewoond, en nu twijfelt hij niet langer; nee, hij gelooft erin, en toch probeert hij, terwijl hij inziet dat twijfel uitgesloten is, alles volgens zijn eigen materialistische hypothesen te verklaren. – Red. Theosophist
2. Meer dan één spiritist zou naar het materialisme de bal kunnen terugkaatsen, en met rente. – Red. Theosophist

We danken de moderne wetenschap dat ze ons zulke waarheden leert en zo’n ingewikkeld onderwerp verklaart. Maar we kunnen nauwelijks nalaten de geleerde spreker eraan te herinneren dat hij slechts de verklaring herhaalt die bijna elke filosoof van de oudheid over helderziendheid heeft gegeven, en die veel hedendaagse schrijvers hebben herhaald.

De neoplatonisten verklaarden helderziendheid op dezelfde manier; Baptist van Helmont behandelt in zijn Opera omnia1 dit tweede gezicht op het gebied van het occulte heelal heel uitvoerig. De hindoe-yogi bereikt helderziendheid door zuiver fysiologische verrichtingen, wat hem niet verhindert vaak werkelijke, niet denkbeeldige, dingen te onderscheiden.

1. 1682, blz. 720.

Onze wijze spreker zegt vervolgens:

Licht, warmte en ultraviolette stralen planten zich voort door middel van trillingen, en overeenkomstig dezelfde wet; zo moet het ook zijn met de stralen die voor onze zintuigen niet waarneembaar zijn. Onze ogen hoeven alleen maar geschikt te worden om ze te zien, en het ‘dubbele gezicht’ zal niets verrassends voor ons inhouden. . . . Op de dag dat deze feiten (van het mesmerisme) voldoende bewezen zullen zijn, zal onze hypothese aannemelijker worden dan die van de ziel. Ze zal elke verklaring toelaten zonder de wetten die in het heelal gelden te overtreden.

We haasten ons de beschuldiging dat we in het bovennatuurlijke geloven te ontkennen, en protesteren hiertegen nadrukkelijk. Mocht de hypothese van Naquet, de fysioloog, ooit buiten de kleine minderheid van zijn collega’s worden aanvaard, dan zal ze toch nooit ‘aanvaardbaar’ blijken te zijn. Wat zijn beschuldigingen van de grote groep spiritisten en mesmeristen betreft, dat ze bij hun verklaringen de wetten die in het heelal gelden hebben overtreden, deze zijn even onjuist als belachelijk. Dit bewijst eens te meer hoezeer onze tegenstanders, en vooral de fysiologen, geneigd zijn feiten te verdraaien, telkens wanneer ze met hun denkbeelden in strijd zijn. Hun argumenten waren uniek. Als kunstmatige slaap, zeiden ze, door puur mechanische middelen (hypnotisme) kan worden teweeggebracht, wat voor nut heeft het dan geest en ziel te hulp te roepen om dit verschijnsel te verklaren? Werkelijk geen enkel nut. Maar we beweerden ook nooit dit voorbereidende stadium tot een helderziende slaap – hetzij natuurlijk, hypnotisch of mesmerisch – met behulp van een theorie waarin de ziel of de geest een rol speelt te verklaren. Deze beschuldiging treft alleen onwetende spiritisten, die al zulke verschijnselen aan ‘ontlichaamde geesten’ toeschrijven. Maar kunnen zij – deze hogepriesters van het verstand – de werking van het spirituele ego buiten beschouwing gelaten – voor verschijnselen zoals somnambulisme, helderziendheid (die sommigen van hen, zoals we zien, gedwongen zijn te erkennen), of zelfs slaap en eenvoudige dromen, een meer rationele verklaring geven dan wij, niet ‘wetenschappelijk getrainde’ stervelingen? Zelfs over de gewone slaap met zijn eindeloze variaties weet de fysiologie zo goed als niets. Zelfs als we toegeven dat de wil van de mens niet de directe oorzaak van magnetische invloeden is, ‘werkt hij’, zoals Donato, de beroemde magnetiseur uit Parijs, opmerkt, ‘toch in op en leidt hij veel mysterieuze natuurkrachten, waarvan de wetenschap zelfs het bestaan niet kent’.

Dr. Charcot uit Parijs
(De beroemde ontdekker van de ‘hysterische haan’)

Intussen vist de wetenschap met de mesmeristen in hetzelfde water en naar dezelfde vissen – maar ze geeft ze, wanneer ze zijn gevangen, een nieuwe en, zoals ze denkt, meer wetenschappelijke naam. Deze bewering kan gemakkelijk worden aangetoond. Als bewijs kunnen we het geval van dr. Charcot aanvoeren. Het is dezelfde grote professor uit Parijs die – nadat hij tot zijn eigen voldoening had bewezen dat er alleen mesmerische resultaten met een proefpersoon kunnen worden verkregen als deze van nature hysterisch is – een haan mesmeriseerde en daarmee de oorspronkelijke ontdekker van de ‘hysterische haan’ werd.1 Prof. Charcot is een autoriteit op het gebied van alle soorten zenuwziekten, een grote rivaal van Broca, Vulpian, Luys, enz., en behalve dat hij de beroemdste arts van de ziekenhuizen van Parijs is, is hij lid van de Academie voor Geneeskunde. Evenals de minder wetenschappelijke, maar even beroemde dr. W.A. Hammond uit New York gelooft hij in de kracht van de metalen schijven van dr. Bürck om verschillende ongeneeslijke ziekten te genezen, maar in tegenstelling tot die neuroloog schrijft hij geen van de genezingen of andere verschijnselen aan de verbeelding toe; want catalepsie kan volgens zijn eigen experimenten bij dieren worden teweeggebracht. Hij hecht ook op zijn eigen manier geloof aan de echtheid van somnambulisme en de grillen van catalepsie, waarbij hij aan laatstgenoemde alle mediamieke verschijnselen toeschrijft. Volgens een correspondent van Ragazzi, de redacteur van het Journal du magnétisme uit Genève, gaat hij als volgt te werk:

1. Zie Revue magnétique, februari 1879, geredigeerd door Donato in Parijs.

In het ziekenhuis La Salpêtrière in Parijs introduceert dr. Charcot bij zijn publiek een ziek meisje in een toestand van volledige gevoelloosheid. Spelden en naalden worden in haar hoofd en lichaam gestoken zonder enige reactie. Als een kraag met zinken schijven vijf minuten lang is aangebracht, keert het leven rond de keel terug. Daarna worden beide polen van een hoefmagneet met haar linkerarm verbonden, en die plek vertoont dan gevoeligheid, terwijl de rest van het lichaam in de vroegere toestand blijft. Wanneer dezelfde magneet in contact met het been wordt gebracht, veroorzaakt dit, in plaats van dit been tot leven te wekken, een heftige samentrekking van de voet, waarbij de tenen naar de hiel worden getrokken; dit houdt pas op wanneer elektriciteit wordt toegepast.

‘Deze experimenten van metallotherapie en mineraal magnetisme herinneren ons aan een van de proeven van Mesmer in 1774, en zijn toepassingen van gemagnetiseerde voorwerpen bij gevallen van zenuwziekte’, zegt Pony, een medische student die er ooggetuige van was, in zijn brief aan het Journal du magnétisme.

Een andere proefpersoon wordt binnengebracht. Ze is evenals de eerste hysterisch, en schijnt in een toestand van volkomen verdoving te verkeren. Een felle straal elektrisch licht wordt op haar gericht, en de patiënt verstijft onmiddellijk. Men laat haar de meest onnatuurlijke houdingen aannemen, en haar gezicht ‘drukt’, zegt dr. Charcot, in overeenstemming met de bevolen houding, ‘door suggestie uit wat haar gebaren betekenen. Als haar handen dus over haar borst worden gekruist, volgt hierop een uitdrukking van extase op haar gezicht; als haar armen vooruit worden gestrekt, krijgt ze een smekende uitdrukking.’

Indien de lichtstraal, terwijl de proefpersoon in deze toestand verkeert, plotseling wordt verwijderd, zakt de patiënt in elkaar en vervalt weer tot somnambulisme – een woord dat prof. Charcot onbeschrijflijk ergert. De patiënt die geheel in de macht van de arts verkeert, die haar volkomen ongevoeligheid bewijst door spelden in elk deel van haar lichaam te steken, moet elk van zijn bevelen gehoorzamen. Hij dwingt haar op te staan, te lopen, te schrijven, enz.

Uit een brief van Aksakov, die verderop in dit artikel is opgenomen, zal men zien dat Donato, de beroepsmagnetiseur, door wilskracht alles teweegbrengt wat de sceptische geleerde door elektriciteit en mechanische middelen teweegbrengt. Bewijst laatstgenoemd experiment dat mesmerisme maar een naam is? Kunnen we in beide niet eerder een wederzijdse bevestiging zien; een bewijs bovendien van de aanwezigheid in de samengestelde mens van al die subtiele natuurkrachten, waarvan de grove manifestaties ons alleen bekend zijn als elektriciteit en magnetisme, terwijl de fijnere het onderzoek van de fysieke wetenschap geheel ontgaan?

Maar een van de merkwaardigste kenmerken van het verschijnsel dat door dr. Charcots experimenten naar voren is gebracht, vindt men in de invloed op zijn patiënten van trillingen zoals men die in een trein voelt. Toen hij dat merkte, liet de beroemde professor een enorme stemvork, 40 cm lang, op een grote kist plaatsen. Zodra dit instrument tot trilling werd gebracht, verstijfden de patiënten onmiddellijk; en telkens als de trillingen plotseling ophielden verzonken de patiënten in een volledig somnambulisme.

Het lijkt er dus op dat dr. Charcot maar twee middelen gebruikt om de bovengenoemde gevolgen teweeg te brengen: geluid en licht. Zekerheid hierover kan van groot belang zijn voor alle Indo-Europese onderzoekers van de theosofie, in het bijzonder voor hen die het Sanskriet bestuderen en, dankzij svami Dayananda, nu in staat worden gesteld de werkelijke en spirituele betekenis van bepaalde woorden te leren, waarover van mening wordt verschild. Die leden van de TS die de occulte betekenis van de woorden vach en hiranyagarbha1, toegepast op ‘geluid’ en ‘licht’, kennen, zullen met het bovenstaande een bewijs te meer hebben van de wijsheid van hun voorouders, en de diepzinnige en spirituele kennis die in de Veda’s en zelfs in andere heilige brahmaanse boeken, wanneer deze op de juiste manier worden geïnterpreteerd, besloten liggen.

1. Door prof. Max Müller als ‘goud’ vertaald, terwijl het in feite ‘goddelijk licht’ betekent, precies zoals het door de middeleeuwse alchemisten werd opgevat. In zijn Sanskrietwerk, Sahitya Grantha, maakt de geleerde filoloog, op grond van het feit dat het woord ‘goud’, hiranya, in de mantra ‘Agnih purvebhih’ voorkomt, van de gelegenheid gebruik om de ouderdom van de Veda’s te betwisten, en te bewijzen dat ze niet zo oud zijn als gewoonlijk wordt gedacht, omdat het zoeken naar goudmijnen van betrekkelijk recente datum is. Op zijn beurt toont svami Dayananda Sarasvati in zijn Rig-vedadi-bhashya Bhumika (boek 4, blz. 76) aan dat de professor helemaal ongelijk heeft. Het woord hiranya betekent niet ‘goud’, maar het gouden licht van goddelijke kennis, het eerste beginsel, in de schoot waarvan het licht van de eeuwige waarheid besloten ligt, dat de bevrijde ziel verlicht wanneer ze haar hoogste verblijf heeft bereikt. Het is kortom de ‘steen der wijzen’ van de alchemist, en het eeuwige licht van de vuurfilosoof. – Red. Theosophist

Bij het overdenken van de verschijnselen die door dr. Charcot, de kille materialist en wetenschapper, zijn voortgebracht, is het interessant om een brief te lezen van Alexander Aksakov, lid van de TS, en Russische keizerlijke staatsraad, over zijn persoonlijke ervaringen op het gebied van het magnetisme met de beroemde magnetiseur Donato uit Parijs, die onlangs door hem aan een Frans tijdschrift werd gestuurd. De verkregen resultaten verdienen des te meer de aandacht door het feit dat Donato niet eerder had geprobeerd ‘gedachteoverbrenging’ van de ene mens naar een andere door alleen de wil van de magnetiseur tot stand te brengen, en sterke twijfel had gevoeld en uitgesproken of zijn pogingen in die richting wel succes zouden hebben.

Twee Franse kranten, de Rappel en de Voltaire, hebben zich vleiend uitgesproken over het karakter en de talenten van Donato, en hij staat algemeen bekend als een van die mensen die het hebben aangedurfd de oude sleur van gewoonte en traditie te verlaten en, in zijn eigen woorden, ‘de occulte motor die ons bezielt, de mysterieuze krachten die leven scheppen, de banden die ons onderling verbinden, onze wederzijdse verwantschap, en ons verband met de hoogste macht, de eeuwige hefboom van de wereld’, te onderzoeken.

Dit wat betreft Donato. Wat Aksakov aangaat, hij is een hoogst intelligente en waarheidlievende man; hij heeft de reputatie dat hij bij zijn serieuze onderzoek op het gebied van magnetisme en psychologie niet alleen een voorzichtige onderzoeker maar ook nogal wantrouwend is. We geven hier de letterlijke vertaling van zijn artikel dat in de Revue magnétique van februari 1879 is gepubliceerd.

Donato en Mw. Lucile: Ervaringen met ‘gedachteoverbrenging’

Nadat ik het genoegen had in Parijs kennis te maken met Donato en zijn vriendelijke en uitstekende proefpersoon, wilde ik niet de kans laten voorbijgaan om onder mijn eigen leiding een experiment te doen, om vast te stellen of het mogelijk is om gedachten van de ene op de andere mens over te brengen uitsluitend door middel van de wil. Een bekend en veel gebruikt aforisme van de moderne psychologie is: ‘Psychische activiteit kan niet verder gaan dan de uiteinden van de zenuwen.’ Indien dus kan worden bewezen dat de menselijke gedachten niet beperkt zijn tot het domein van het lichaam, maar dat ze op afstand op een ander lichaam kunnen inwerken, naar andere hersenen kunnen worden overgebracht zonder zichtbare en erkende communicatie, en weer tot uitdrukking kunnen worden gebracht door een woord, een beweging of op een andere manier, dan verkrijgen we een geweldig feit waarvoor de stoffelijke fysiologie het hoofd moet buigen, en dat door de psychologie en de filosofie zou moeten worden aangegrepen om nieuwe steun en een nieuwe ontwikkeling te geven aan hun metafysische bespiegelingen. Dit feit is op vele manieren en in vele vormen door het dierlijk magnetisme bewezen; maar ik wilde dat het in de door mij geplande experimenten werd gepresenteerd in een vorm die direct overtuigend is en door iedereen die met magnetisme bekend is gemakkelijk is te herhalen.

Toen ik Donato vroeg of hij me een persoonlijk onderhoud zou willen toestaan over bepaalde experimenten die ik op het oog had, was hij daartoe bereid en beloofde dat ik over hem kon beschikken op de dag en het uur die ik zou aangeven. Dus ging ik, na voorafgaande aankondiging door een telegram, op 17 november om 2 uur naar zijn huis, en begonnen we na een bespreking van enkele minuten aan ons werk.

Eerste experiment. – Ik vroeg Donato om te beginnen zijn proefpersoon, Mw. Lucile, in slaap te brengen. Hij plaatste onmiddellijk een leunstoel tussen de twee ramen van de kamer en op enkele passen van de muur; daarin ging Mw. Lucile zitten, waarna ze binnen enkele ogenblikken (magnetisch) sliep. We stelden ons aan de andere kant van de kamer op, tegenover de slaapster, en daarna haalde ik een kaartenetui uit mijn zak, nam er een kaart uit en gaf deze aan Donato met het verzoek, eenvoudig door naar Mw. Lucile te kijken, haar ertoe te brengen de beweging te maken die op de kaart was aangegeven. Er stond op: ‘Strek de linkerarm uit.’ Donato stond op, bleef onbeweeglijk naast me staan, en keek naar Mw. Lucile; een moment later begon haar linkerarm te bewegen, strekte zich langzaam uit en bleef in die positie tot Donato haar weer de gewone houding liet aannemen.

Tweede experiment. – Ik gaf aan Donato een witte zakdoek die ik had meegebracht, en vroeg hem daarmee het gezicht en het hoofd van Mw. Lucile te bedekken. Toen dit was gedaan en de zomen van de zakdoek over haar schouders vielen, namen we onze plaatsen weer in, en stilzwijgend gaf ik Donato een tweede kaart, waarop geschreven stond: ‘Hef de rechterarm loodrecht omhoog.’ Donato fixeerde zijn blik op het onbeweeglijke lichaam van Mw. Lucile, en al snel volgde haar rechterarm, gehoorzaam aan de gedachte die haar leidde, de aangegeven beweging – langzaam en geleidelijk, en stopte telkens als Donato zijn hoofd van haar afwendde om naar mij te kijken. Ik wenste hem geluk met zijn succes en vroeg hem, om elk gevaar voor oververmoeidheid te voorkomen, de zakdoek weg te nemen en Mw. Lucile wakker te maken.

Derde experiment. – Na tien minuten praten is Mw. Lucile opnieuw in slaap, en is haar hoofd door de zakdoek bedekt; we hernemen onze plaatsen, en ik overhandig Donato een derde kaart, met de woorden: ‘Breng beide handen op uw hoofd.’ Ik vraag Donato dit keer achter Mw. Lucile te gaan staan. Hij drukt enige twijfel uit of er in deze positie kans op succes is, maar doet de poging en die mislukt; een feit dat me niet verraste, omdat het polaire verband tussen de proefnemer en zijn proefpersoon was omgekeerd. Op dat moment naderde ik Donato en deed zich een merkwaardig verschijnsel voor. Omdat ik de magnetiseur wilde vragen zijn wil op het achterhoofd van de slaapster te concentreren, maakte mijn hand een onwillekeurige beweging naar haar rug om de bedoelde plaats aan te duiden; en terwijl de hand er nog zo’n 10 cm vandaan was, bewoog Mw. Lucile plotseling naar voren. Zo verkreeg ik op een onverwachte en overtuigende manier de bevestiging van het verschijnsel van de polariteit, of van aantrekking en afstoting, dat ik bij openbare voorstellingen al had waargenomen, en dat heel duidelijk bewijst dat de slaap van Mw. Lucile noch natuurlijk noch voorgewend was. ‘Als u me wilt toestaan mijn handen te gebruiken,’ zei Donato, ‘dan ben ik er zeker van dat ik zal slagen.’ ‘Doe dat’, zei ik; en, terwijl hij nog achter Mw. Lucile stond, maakte hij enkele strijkbewegingen van de schouders naar de ellebogen, waarna de handen van de proefpersoon langzaam omhooggingen en zich op haar hoofd plaatsten.

Vierde experiment. – Terwijl Mw. Lucile nog in slaap is met het hoofd onder de zakdoek, geef ik Donato een kaart waarop geschreven staat: ‘Voeg de handen samen alsof u bidt.’ En ik ga op een sofa zitten links van Mw. Lucile, om de bewegingen van Donato des te beter te kunnen waarnemen. Hij blijft onbeweeglijk op vijf of zes passen van haar verwijderd en kijkt haar strak aan; haar handen nemen de verlangde houding aan en blijven in die positie tot Donato de zakdoek wegneemt en haar wakker maakt.

Vijfde experiment. – Na een rust van tien minuten keert Mw. Lucile terug naar de leunstoel en wordt opnieuw in slaap gebracht. De vijfde kaart beveelt haar een knoop in de zakdoek te maken, en, nadat Donato achter Mw. Lucile is gaan staan, strekt hij zijn hand uit boven haar hoofd zonder haar aan te raken. Ze staat op en hij leidt haar door zijn gedachten naar de tafel waarop de zakdoek, zonder dat ze dit wist, is gelegd. Ze gehoorzaamt de aantrekking van de hand en bereikt de tafel, terwijl Donato dezelfde positie achter haar behoudt en ik bij hem sta. Met groeiende belangstelling letten we op haar bewegingen, zien dat haar hand de zakdoek grijpt, een van de einden uitlegt en een knoop maakt. Donato was zelf verbaasd, want deze keer was het niet langer een eenvoudige wilsuitoefening, maar een gedachte die werd overgebracht en uitgevoerd!

Zesde en laatste experiment. – Het had bijna geen zin om verder te gaan, maar, omdat Donato erop aandrong, gaf ik hem nog een kaart met de volgende opdracht: ‘Raak uw linkeroor aan met uw rechterhand.’ Mw. Lucile was al weer terug in haar leunstoel en nog steeds in slaap; Donato stond voor haar en ik zat weer op de sofa. Onbeweeglijk en stil keek de magnetiseur naar zijn proefpersoon; haar rechterarm voerde al snel de aangegeven opdracht uit door drie opeenvolgende bewegingen, waarbij de hand zich eerst naar de borst bewoog, toen naar het oor, en dit ten slotte aanraakte.

Deze experimenten waren voor mij volkomen overtuigend; Mw. Lucile voerde de gewenste bewegingen zonder de minste aarzeling uit. De gedachten die Donato aan haar moest overbrengen, verkreeg hij van mij uitsluitend op kaarten die ik vooraf had gemaakt, en in de meeste gevallen werkte hij op haar in vanaf een afstand waarop het moeilijk zou zijn een afgesproken teken te gebruiken, zelfs als haar gezicht niet met een zakdoek bedekt was geweest; en ik had me ervan overtuigd dat deze dik genoeg was om voor haar het geringste teken met de handen of het gezicht van Donato te verbergen. Afgezien daarvan zou het een heel ingewikkeld systeem van minutieuze telegrafie hebben vereist om de benodigde bewegingen aan te geven.

Ik vroeg Donato of hij ooit had geprobeerd iets dergelijks in het openbaar te doen, en hij antwoordde dat deze experimenten heel harmonische omstandigheden vereisen, die in grote bijeenkomsten moeilijk zijn te verkrijgen, en dat hij niet graag een mislukking wilde riskeren. Ik denk dat Donato, indien hij zijn proefpersoon vaker in deze richting zou oefenen, ten slotte in het openbaar een reeks van dit soort verschijnselen met hetzelfde gemak tot stand zou kunnen brengen als waarmee hij ze nu verricht. Het zou de moeite waard zijn, want niemand kan ontkennen dat deze experimenten in het bijzonder de verschijnselen van helderziendheid en van het vermogen om door ondoorschijnende dingen heen te zien, illustreren, en ze in hun eenvoudigste en duidelijkste vorm laten zien.

Omdat ik de dag na ons onderhoud Parijs verliet, kon ik mijn voldoening aan Donato alleen uitdrukken door een kort bericht dat in nr. 16 van de Revue werd afgedrukt. Met groot genoegen vervul ik nu mijn belofte om alle details van onze experimenten te publiceren, en grijp ik deze gelegenheid aan om openlijk aan Donato mijn grote waardering te betuigen voor de ijver, de kennis en de trouw waarmee hij zich aan de verdediging en verbreiding van de hoogst interessante wetenschap van het menselijk magnetisme wijdt.

Alexander Aksakov1

15 januari 1879
St. Petersburg, Nevsky Prospect, nr. 6.

1. Russische vertaler van Magnétisme et magnétothérapie van graaf Franz von Szapary, St. Petersburg, 1860; redacteur van het Duitse tijdschrift Psychische Studien.

 


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 1: 1874 – 1882, blz. 213-28

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag