| Historische schets
_________________
DE 'HEIDENSE' OORSPRONG VAN HET CHRISTENDOM
Wij willen in dit hoofdstuk aantonen dat het Christendom
niet een geheel nieuwe godsdienst was, maar voortkwam uit wat eerder
bestond. Zijn hoofdleringen maken ook deel uit van oudere godsdiensten
en vele riten en dogma's zijn overgenomen uit wat men het heidense geloof
noemde. In het begin van deze eeuw ontstond er in de Verenigde Staten
een beweging die zich het Fundamentalisme noemde, die de onfeilbaarheid
van de Bijbel leerde, zich verzette tegen het liberalisme en terug wilde
naar het waarachtige oude evangelie. Maar hoe ver denkt men terug te
gaan en welk punt in de geschiedenis kan als het begin worden beschouwd?
Enkele aanhalingen van vroeg-christelijke schrijvers zijn hier op hun
plaats. Augustinus die leefde van 354 - 430 n.Chr. schreef:
"Dat wat nu de christelijke godsdienst
wordt genoemd, was inderdaad aan de ouden bekend, noch ontbrak hij ooit
vanaf het begin van het menselijk ras tot de tijd dat Christus in het
vlees verscheen; na welke tijd de ware godsdienst, die tevoren bestond,
begon christe- - lijk genoemd te worden en dit is in onze dagen de christelijke
godsdienst, niet aangezien het in vroegere tijden ontbrak, maar aangezien
het in latere tijden die naam ontving." - Augustini Opera,
I, 12
Eusebius van Caesarea, christelijk theoloog
en historicus, die even voor Augustinus leefde en een vurig verdediger
van de nieuwe godsdienst was, voelde zich niettemin gedrongen toe te
geven dat de christelijke godsdienst noch nieuw, noch vreemd was en
dat ze aan de - ouden bekend was. (Kerkelijke Geschiedenis, Bk.I,
hoofdst. iv).
Justin Martyr (100 - 163 ? n.Chr.), kerk-historicusen
filosoof, die tegenover Keizer Hadrianus het Christendom verdedigde,
gaf zich veel moeite aan te tonen dat het identiek was aan het heidendom:
"Door te verklaren dat het Woord (Logos),
de eerstgeborene van God, onze Meester Jezus Christus, is geboren uit
een maagd zonder enige menselijke vermenging, is gekruisigd en dood
is en naderhand is herrezen en naar de hemel opgestegen, zeggen wij
niet meer dan wat U zegt van hen die U de zonen van Jupiter noemt. .
. Wat betreft het bezwaar dat onze Jezus werd gekruisigd, zeg ik dat
lijden algemeen voorkwam bij alle hiervoor genoemde zonen van Jupiter,
alleen stierven zij een ander soort dood. . . Wat betreft het genezen
van de gebrekkigen en de verlamden en degenen die kreupel waren vanaf
de geboorte, dat is weinig meer dan wat U zegt van Uw Aesculapius."
- Apologia, I, hoofdst.xxi, xxii
Ammonius Saccas, de grote Alexandrijnse leermeester
en zoon van christelijke ouders, die ongeveer anderhalve eeuw voor Augustinus
leefde zei:
"Het Christendom en het Heidendom, mits
goed begrepen, verschillen niet op essentiële punten, maar hadden
een gemeenschappelijke oorsprong en zijn in feite een en dezelfde zaak."
De volgende aanhaling betreft de controverse
tussen H.P.Blavatsky en de Abbé Roca, en werd in April 1888 gepubliceerd
in het Franse tijdschrift Le Lotus:
"Jezus Christus, dat wil zeggen de Mens-God
van de Christenen, een copie van de Avatâra's van alle landen,
zowel van de Hindoese Krishna als de Egyptische Horus, was voor mij
nooit een historisch persoon. Hij is een vergoddelijkte personificatie
van het verheerlijkte voorbeeld van de grote Hiërofanten van de
Tempels en zijn geschiedenis, zoals deze in het Nieuwe Testament wordt
verteld, is een allegorie die stellig diepe esoterische waarheden bevat,
maar een allegorie . . . De legende waarover ik spreek is gebaseerd.
. . op het bestaan van een personage Jehoshu genaamd (waaruit de naam
'Jezus' is voortgekomen) die ongeveer 120 jaar voor de moderne jaartelling
in Lud of Lydda werd geboren.... Als we het getuigenis van de 'Evangelisten',
d.w.z. onbekende mannen wier identiteit nooit is vastgesteld en dat
van de Kerkvaders, belanghebbende fanatici, terzijde stellen,
kunnen we zeggen dat alle eeuwenlange, wanhopige onderzoekingen ten
spijt, noch de geschiedenis, noch profane overlevering, noch officiële
documenten, noch de tijdgenoten van het zogenaamde drama, een enkel
serieus bewijs hebben kunnen leveren voor het historisch en werkelijk
bestaan, niet alleen van de Mens-God, maar zelfs niet van hem, die Jezus
van Nazareth werd genoemd, van het jaar 1 tot het jaar 33. Alles is
duisternis en stilte.
Philo Judaeus, die werd geboren voor de christelijke
jaartelling. . . maakte verschillende reizen naar Jeruzalem. Hij ging
daarheen om de geschiedenis te schrijven van de religieuze sekten uit
zijn tijd in Palestina. Geen schrijver is nauwgezetter in zijn beschrijvingen,
en meer op zijn hoede niets te vergeten; geen gemeente, geen broederschap,
zelfs niet de meest onbetekenende ontging hem. Waarom spreekt hij dan
niet over de Nazareners? Waarom maakt hij niet de geringste toespeling
op de apostelen, op de goddelijke Galileeër, op de Kruisiging?
Het antwoord is gemakkelijk. Omdat de biografie van Jezus werd opgesteld
na de eerste eeuw en niemand in Jeruzalem iets meer wist dan Philo zelf."
Deze passages, die slechts enkele proeven zijn
uit wat zou kunnen worden aangevoerd, tonen aan dat het Christendom
werd gezien als de voortzetting van een eeuwenoude leer waarin, wat
de uiterlijke vorm betreft, veranderingen zijn aangebracht die noodzakelijk
werden door de veranderende tijden. De geschiedenis van het Christendom
bewijst dat het is geïnspireerd door een enorme kracht, een alles
overwinnende vitaliteit, die het in staat stelde zich door de eeuwen
heen te handhaven en zo'n groot deel van de wereld te beheersen.En toch
kunnen we, als we naar de oorsprong zoeken, niets anders vinden dan
een uiterst magere bewijsgrond. De historiciteit van Jezus is zeer twijfelachtig;
zijn zending, zoals die in de Evangeliën is weergegeven, is beperkt
tot enkele maanden en wordt door heidense geschiedschrijvers genegeerd.
Het Christendom was een herleving van de Wijsheid-Godsdienst, dat zijn
ontstaan te danken heeft aan een grote Boodschapper van de Loge, die
uit de herinnering is verdwenen. De figuur uit de Evangeliën is
fictief; de Evangeliën werden geschreven lang na de tijd waarop
zij betrekking zouden hebben en te oordelen naar zijn Brieven schijnen
ze Paulus geheel onbekend te zijn.
Er bestaat een Joods verhaal over een zekere
Syriër, genaamd Jeshua of Jehoshua ben Panthera, die leefde onder
de regering van de Joodse koning Alexander Jannaeus ongeveer een eeuw
voor Christus; sommigen menen dat de naam Jezus daaraan is ontleend.
Van deze man zijn de leringen afkomstig van twee sekten van Joodse christenen,
die voor de christelijke jaartelling leefden, de Ebionieten en de Nazareners.
Zij vertegenwoordigen de zuiverste vorm van het Christendom, en onderwezen
dat Christus in alle mensen is, en de leringen van de Aeonen of Goddelijke
Emanaties, die tonen dat de mens zelf afstamt van de hoogste godheden.
Dat was ook de leer van de christelijke Gnostici en van de Neo-Platonisten.
Het Christendom was blijkbaar oorspronkelijk
een vorm van de Wijsheid-Godsdienst en onderwees dat de mens in essentie
een goddelijk wezen is, en dat Christus eenvoudig de Goddelijke Geest
in de mens was; dat de mens zijn eigen redding moest bewerkstelligen
door het besef van zijn eigen goddelijkheid en door daarop een beroep
te doen. Later werd deze verheven en oude waarheid vervormd tot het
geloof in een persoonlijk God, los van de mens en de natuur en tot de
leer van het plaatsvervangend lijden. Maar dit proces van verandering
verliep geleidelijk.
VROEGE VORMEN VAN HET CHRISTENDOM
Het centrum van de beschaving
in het christelijke tijdperk was het gebied van de Middellandse Zee,
het toneel van een wonderlijk mengelmoes van met elkaar wedijverende
geloofsvormen, onder de algemene heerschappij van het Romeinse Keizerrijk.
Er bestonden verscheidene centra waar de oude mysteriën werden
bewaard, onderwezen en in praktijk gebracht: Alexandrië, Antiochië
en andere plaatsen in Klein-Azië en deze onderhielden verbindingen
met India en Perzië. We zien dat het vroege Christendom de leringen
van deze scholen aanhing en het zijn deze vormen van het Christendom
die men als ketterij is gaan beschouwen vanwege hun bezoedeling door
heidense bronnen, waarmee de zaak precies wordt omgedraaid. Zij vertegenwoordigden
juist het ware Christendom en het latere Christendom was daar een zeer
besnoeide weergave van. Onze aandacht is zo nadrukkelijk gericht op
die bepaalde fase van onze godsdienst die tenslotte overleefde, dat
we de vele andere vormen die eeuwenlang met elkaar wedijverden hebben
genegeerd, met als gevolg dat we zijn bezweken voor het voortschrijdende
materialisme van die tijd.
Marcion, die ongeveer van 86 tot 165 n.Chr.
Ieefde, stichtte de kerken van de Marcionieten die tot de vijfde eeuw
bleven bestaan. Hij trachtte het Christendom te zuiveren van bedervende
invloeden. Hij was het oneens met de verhalen omtrent Christus in de
Evangeliën en zei dat die verhalen 'verzinnelijkte' voorstellingen
van metafysische allegorieën en ontaardingen van een waarachtig
geestelijk idee zijn. Hij beschuldigde de kerkvaders ervan dat zij hun
leer aanpasten aan het bevattingsverrnogen van hun toehoorders - "blinde
dingen voor de blinden overeenkomstig hun blindheid;voor de dommen overeenkomstig
hun domheid."
Het Manicheïsme was een geduchte concurrent
voor de Kerk. Bijna alle Romeinse Keizers trachtten het te onderdrukken,
terwijl Pausen er de banvloek over uitspraken. Toch bleef het wel ongeveer
duizend jaar zijn invloed uitoefenen, die zelfs tot in de dertiende
eeuw merkbaar was bij de Albigenzen in Zuid-Frankrijk, die verschillende
van zijn leringen aanhingen. Zijn stichter Mani, was van Iraanse afkomst
en werd in Babylonië geboren. In het jaar 242 n.Chr. riep hij zichzelf
uit tot boodschapper van een nieuwe godsdienst, zond apostelen uit en
stichtte gemeenten in geheel Klein-Azië. Over hen schrijft Dr.
G.de Purucker in The Esoteric Tradition, blz. 1101:
"De Manicheïsten die een genootschap
vormden van zeer mystieke en in sommige opzichten zelfs esoterische
denkers, en wijd verspreid waren over het Romeinse Rijk zowel als het
Midden Oosten en die bepaalde denkbeelden koesterden, die hen verbonden
met de meer mystieke ideeën van het primitieve Christendom, zeiden
dat de Goddelijke Zon de bron was van de individuele Christos-Geest
in de mens, die een straal is van de Kosmische Christos. De christelijke
kerkvaders Theodoretus en Cyrillus van Jeruzalem bevestigen dit feit
van het Manicheïstische geloof; en Paus Leo, de 'Grote' genaamd,
uit de vijfde eeuw, verklaarde in zijn Rede No.LV over de Epifanie,
dat de Manicheïsten de Christos der mensen in de lichtende substantie
van de Onzichtbare Zon plaatsten - met andere woorden, in zijn goddelijke,
bezielende energie. Zulke belangrijke ideeën . . . waren in die
tijd van de oorspronkelijke vorming van het christelijk geloof en het
kerkelijk stelsel wijd verspreid in de wereld."
Clemens Alexandrinus, kerkelijk schrijver,
werd ongeveer in het midden van de tweede eeuw n.Chr. vermoedelijk in
Athene geboren. Hij maakte grote reizen door Italië, Palestina,
Egypte en Syrië en nam later in Alexandrië van Pantanaenus
de leiding van de zogenaamde catechetenschool over. Hij streefde ernaar
het Christendom te verrijken "met de diepe spiritualiteit van het
Platonisme" en "stond een Christendom voor gegrond op het
vrije onderzoek," en niet op geloof alleen. In zijn 'Vermaning
aan de Heidenen' zegt hij: ". . . de mens, die een wezen is samengesteld
uit lichaam en ziel, een heelal in het klein" wat een typisch theosofische
leer is, hier uitgesproken door een heilig verklaarde van de christelijke
kerk.
Clemens werd opgevolgd door Origenes, die in
het jaar 185 n.Chr. werd geboren en de grootste christelijke woordvoerder
kan worden genoemd van de vroege theologische school. Hij had een leerling,
Celsus genaamd, die hij de raad gaf zich aan de Griekse wijsbegeerte
te wijden als een voorbereidende studie tot de christelijke filosofie.
Celsus schreef zijn boek, het Waarachtig Bewijs tussen de jaren
177 en 200. Wat wij daarvan en van de schrijver weten, danken we aan
een boek van Origenes, Contra Celsum, dat een verweer daartegen
is. Volgens Celsus is het Christendom van oosterse oorsprong, zijn zijn
ethische leringen niet nieuw en zijn vele van zijn ceremonieën
gelijk aan die van de heidense godsdiensten. Hij vraagt zich af waarom
de ene God, die zowel christenen als heidenen erkennen, niet kan worden
vereerd onder verschillende namen, zoals Zeus, Serapis enz. Waarom zou
Jehovah de enige naam moeten zijn waaraan de Godheid kan worden herkend?
Waarom kwam Jezus zo laat om de mensheid te redden?
In het hierboven al genoemde boek Contra
Celsum schrijft Origenes:
"In Egypte hebben de filosofen een zeer
nobele en geheime wijsheid omtrent de aard van het Goddelijke, welke
wijsheid aan het volk alleen wordt onthuld onder het kleed van allegorieën
en fabels.... Alle oosterse volkeren, de Perzen, de Indiërs, de
Syriërs - verbergen geheime mysteriën onder het kleed van
religieuze fabels en allegorieën; de waarlijk wijzen (de ingewijden)
van alle volkeren begrijpen de betekenis daarvan; maar de niet onderwezen
menigte ziet alleen de symbolen en het kleed dat bedekt."
Origenes was Neo-Platonist en hij zowel als
Plotinus werden opgeleid in de school van Ammonius Saccas.
Zijn optreden betekent een verdere stap in
de ontwikkeling van het Christendom van zijn vrijzinnige en verheven
oorsprong naar zijn bekrompen en dogmatisch kerkelijke vorm. Toch hing
hij vele leringen aan die sindsdien als ketters zijn veroordeeld, zoals
de gedachte dat alle zielen een wezenlijke eenheid met God vormen en
niet alleen de ziel van Jezus. Voorts dat het zichtbare heelal de manifestatie
is van een hogere geestelijke oorzakelijke wereld. Evenals Paulus kende
hij de leer van de hiërarchieën van goddelijke wezens tussen
God en de Mens ('tronen, heerschappijen, overheden, machten' enz.) Het
heelal had een begin en moest dus ook een einde hebben; maar het zal
worden opgevolgd door andere heelallen, zijn kinderen, wat een zuiver
theosofische leer is.
De Gnostici van de eerste drie eeuwen onderwezen
de Gnosis of Goddelijke Kennis. Tot hen behoorden o.a. Valentinus,
Basilides, Marcion en Simon Magus. Hun leringen vertegenwoordigen een
stadium in het Christendom, toen het nog leringen bevatte over de aard
van het heelal en de mens, maar toen de godsdienst gemeengoed werd,
werden deze leringen als ketters veroordeeld. Hoewel erkend wordt dat
er al voor het begin van onze jaartelling gnostische gemeenten bestonden,
is het gebruikelijk de gnostiek een christelijke ketterij te noemen.
Het vinden van een groot aantal christelijk-gnostische geschriften in
1945 - 6 in Nag-Hammadi, Egypte, brengt hierin mogelijk verandering,
omdat zij schijnen te bewijzen dat de christelijke gnostiek al een hoge
graad van wasdom had bereikt in het eerste kwart van de tweede eeuw.
Reeds in 1959 werd een van de gevonden handschriften, het 'Evangelie
van Thomas' gepubliceerd. Volgens de Fransman Philippe de Saurez, zou
de boodschap van het Evangelie van Thomas van oudere datum zijn dan
de andere Evangeliën en zelfs als bron hebben gediend voorJohannes,
Mattheus, Marcus en Lucas. De volledige publikatie van de vondsten in
Nag-Hammadi zou eind 1977 voltooid zijn.
De voornaamste leringen van de Gnostici kunnen
als volgt worden samengevat:
1. De tegenstelling tussen geest en stof.
2. De allegorische interpretatie van de verhalen
uit het Oude Testament.
3. De meest verheven God was niet de God die
de wereld schiep; de wereld werd geschapen door een lagere Aeon, Demiurgis
genaamd.
4. Jezus was niet de zoon van Jozef en Maria;
maar was neergedaald uit den hogen; was in feite de hoogste van de Aeonen,
die rechtstreeks voortkwam uit het Goddelijke; hij was de Verlosser,
niet alleen van de mens maar ook van de wereld en verscheen om de oorspronkelijke
oude Gnosis in ere te herstellen.
5. Geloof in Karma en Reïncarnatie.
Dat er in het algemeen zo weinig bekend is
over deze dingen is eenvoudig een gevolg van het feit dat de veroordeling
door de kerken verhinderde dat men ze bestudeerde. Zijn we ons er eenmaal
van bewust dat dergelijke informatie beschikbaar is, dan kunnen we ons
er gemakkelijk van overtuigen dat er voldoende materiaal is dat als
bewijs kan dienen. Ons doel is aan te tonen dat het Christendom dat
van edeler oorsprong was, in een zeer gewijzigde en verarmde vorm tot
ons is gekomen.
ONPLOOIING VAN HET CHRISTENDOM
De geschiedenis van de eerste
christenen zoals die tot ons kwam via kroniekschrijvers uit de Romeinse
wereld van die dagen is de lezer in het algemeen meer vertrouwd. Eerst
zien we een soort communistische sekte, die in haar gedrag hoge idealen
in praktijk brengt. Naarmate deze in omvang toeneemt moet ze worden
georganiseerd en wordt ze in orden onderverdeeld, wat we kunnen zien
als het begin van een kerkelijke hiërarchie. De keizerlijke autoriteiten
waren verdraagzaam of onverschillig ten opzichte van het godsdienstig
geloof, maar uitermate jaloers op elke organisatie die een bedreiging
zou kunnen vormen voor de keizerlijke macht. Keizer Trajanus (53 ? -
117 n.Chr.) stond om die reden zelfs niet toe dat een burgerlijke brandweer
werd gevormd, hoewel hij toch een man was met ruime sympathieën.
Dat de christenen in conflict geraakten met
de gevestigde macht had de volgende redenen. Zij weigerden tot het gewone
leven van de gemeenschap toe te treden, om te offeren, aan de gebruikelijke
ceremonieën deel te nemen en als soldaat te dienen, waardoor zij
zich min of meer als een gevaarlijke sekte afzonderden en zich aan vervolgingen
blootstelden. Zoals we weten werden ze door de vervolgingen juist sterker,
totdat tenslotte de wereldlijke machthebbers zich gedrongen voelden
met de kerkelijke autoriteiten tot een vergelijk te komen - Clovis in
het westen, de Romeinse keizers verder oostelijk. Twee grote groepen,
de Arthanasianen en de Arianen bezetten de arena eeuwenlang, terwijl
verschillende keizers de ene of de andere zaak aanhingen, totdat tenslotte
de Athanasiaanse leer ging overheersen in het westen en de Ariaanse
in het oosten. Het Christendom werd door de noordelijke veroveraars
van Rome aanvaard en werd, met enige wijzigingen, de godsdienst van
noordelijk Europa. De kerkleraar Athanasius, die de 'vader der orthodoxie'
wordt genoemd, heeft zijn leer vastgelegd in De Incarnationeverbi.
In het kort gezegd was zijn leer dat de Logos (Zoon) één
is in wezen met de Vader. Zijn tegenstander Arius leerde dat alleen
God ongeschapen is en de oorzaak van alles. De Zoon is door hem geschapen
en is, hoewel op hem gelijkend, niet één in wezen met
hem. Wij behoeven de geschiedenis niet door de eeuwen heen te volgen:
de lange en bittere strijd van de Reformatie, toen beide partijen hun
geloof zeer ernstig opvatten en de tijdelijke macht zich niet onderscheidde
van de geestelijke, is bekend genoeg. Aan de ene kant beroept men zich
op het gezag dat in rechte lijn zou zijn overgedragen door de apostelen,
de andere zijde baseert zich op de Bijbel. De geest van het Romeinse
despotische keizerrijk leeft nog en strijdt om de macht met de vrijheid
van denken. Maar het geschil heeft aan kracht ingeboet, daar de mensheid
haar inspiratie zoekt aan de eeuwige bron - de goddelijke vonk in het
menselijk hart.
Valentinus was de meest beroemde christelijke
leraar van de tweede eeuw en was de leermeester van de kerkvaders Origenes
en Clemens. Volgens de Christen-Apologeten heeft hij getracht Griekse,
Neo-Griekse, Joodse en Christelijke elementen samen te smeden waarbij
hij een bewonderenswaardige knapheid en oorspronkelijkheid aan den dag
legde. Maar een vergelijking van zijn leringen met die uit andere stelsels,
toont onmiddellijk dat het leringen van de Oude Wijsheid waren, die
hij moet hebben ontleend aan de toen bestaande esoterische scholen in
Egypte en andere delen van de wereld om de Middellandse zee. Zijn school,
de Valentiniaanse, was lange tijd zeer invloedrijk en wijdverspreid,
met belangrijke vertakkingen in Italië en Klein-Azië en verscheidene
kleinere. Zijn invloed op het latere denken was heel groot. Hij beweerde
dat de apostelen niet openlijk alles hadden uitgegeven wat zij wisten,
maar dat ze esoterische leringen bezaten. Hij leerde dat de Eerste Oorzaak,
die hij Bythos (de Diepte) noemde zich manifesteerde als Pleroma
(Volheid) wat het totaal van het geopenbaarde heelal is. Hij onderwees
ook de leer van de goddelijke hiërarchieën, volgens welke
de verheven Godheid uit zichzelf opeenvolgende orden van goddelijke
wezens emaneert, waaraan soms namen worden gegeven als Aartsengelen,
Engelen, Overheden, Machten enz., tot we bij de mens zelf aankomen,
die dus rechtstreeks afstamt van de Opperste Godheid en die daarom in
zich alle goddelijke vermogens bevat, die grotendeels latent zijn, maar
tot waakzaamheid kunnen worden gebracht. De wereld waarin wij leven
was niet geschapen door de Opperste Godheid, maar door enkele van de
lagere Emanaties en dit verklaart haar onvolkomenheden, die vaak zo
moeilijk te verzoenen zijn met ons geloof in goddelijke wijsheid. Hij
geeft de ware leer wat betreft de betekenis van Christus als de goddelijke
incarnatie in elke mens, en van de verlossing als het zich weer bewust
worden door de mens van de kennis omtrent zijn eigen essentiële
goddelijkheid.
Dit geeft enigszins een idee wat het Christendom
in werkelijkheid is en dat men eens wist wat het was. Maar toen het
Christendom hoofdzakelijk een politieke factor werd en men het nodig
achtte het aan te passen aan de behoeften van zoveel verschillende volkeren,
de Romeinen, de Grieken, de Aziaten, de Teutonen, heeft de noodzaak
van uniformiteit en van een gevestigde kerk met vaste leringen, tot
gevolg gehad dat de mooiere leringen werden afgeschaft.
Inhoud
© 1990 Theosophical
University Press Agency |