| Inleiding
_________________
Het is een fundamentele theosofische gedachte dat aan
alle godsdiensten dezelfde essentiële waarheid ten grondslag ligt,
zodat geen enkele godsdienst in wezen verheven is boven enige andere.
Over de bron waarin de godsdiensten hun oorsprong vinden wordt wel gesproken
als de archaïsche wijsheid, die het erfdeel vormt van de mensheid
en die in verschillende tijdperken onder een andere naam aan de wereld
werd geopenbaard door tussenkomst van één van die grote
figuren of heilanden die de mensheid in haar evolutie hebben bijgestaan.
In onze moderne tijd was het H.P. Blavatsky
die in een voor ons passende vorm die oude wijsheid opnieuw aan de wereld
bracht en daaraan de naam theosofie verleende. Dat de theosofie vijandig
zou staan tegenover het Christendom is een misverstand, maar zij voelt
het wel als haar taak de aandacht te vestigen op die dingen die zij
beschouwt als vreemd aan het waarachtige Christelijke evangelie en die,
sinds zijn ontstaan, daar geleidelijk zijn ingeslopen. Daaronder valt
de gedachte dat het Christendom ver uitgaat boven alle andere godsdiensten,
of dat het de definitieve openbaring is van de goddelijke waarheid,
die alle andere overtreft. Het wordt nu hoe langer hoe moeilijker die
opvatting staande te houden. Daar zijn twee principiële redenen
voor. De eerste is dat oude godsdiensten intensiever en op ruimere schaal
worden bestudeerd, vooral die van India, die door de kennis van het
Sanskriet toegankelijk werden. De tweede reden is dat de contacten tussen
de volkeren zo zijn vergemakkelijkt en de mogelijkheden elkaar beter
te leren kennen op allerlei gebied aanzienlijk zijn toegenomen. Dit
voorkomt de geesteshouding van exclusiviteit die in vroegere tijden
mogelijk was. Maar het is niet gemakkelijk van lang gekoesterde gewoonten
afstand te doen; bovendien meent men vaak dat het opgeven van de suprematie
van het Christendom betekent de godsdienst zelf opgeven. Vandaar dat
men soms zijn toevlucht heeft genomen tot wonderlijke middelen om in
oudere godsdiensten het bestaan te verklaren van leringen en ritueel
die, naar men veronderstelde, het privilege van het Christemdom waren.
Abbé Huc, de Franse missionaris en ontdekkingsreiziger schrijft
in zijn beroemde boek Souvenirs d'un voyage dans la Tartarie, le
Thibet et la Chine, hoe hij bij de Tibetaanse priesters niet alleen
heel wat karakteristieke leringen van de Katholieke Kerk vond, maar
zelfs veel van haar ritueel, gewaden en heilige voorwerpen. Zijn verklaring
was dat de duivel op die wijze vooruitliep op het Christendom om de
mensheid te misleiden, waaraan hij de theorie toevoegde dat mogelijkerwijs
de eerste christelijke missionarissen in Tibet waren doorgedrongen.
Een andere opvatting die wel werd verkondigd
was, dat de verheven leringen die in de heilige boeken van India werden
aangetroffen, het werk waren van de Heilige Geest, die de mensheid aldus
voorbereidde op de 'grotere dingen dan deze' die later zouden komen.
Natuurlijk valt dan nog te bewijzen dat het Christendom dat kwam inderdaad
groter was. In deze min of meer starre houding omtrent het unieke karakter
van het Christendom en de Bijbel als de absolute waarheid, gedicteerd
door God, is langzaam aan enige verandering gekomen. In bepaalde kringen
ging men de behoefte voelen en de noodzaak inzien het bereik van de
godsdienst zodanig uit te breiden, dat ze dingen kon gaan omvatten,
waarvan onze voorvaderen geen weet hadden. Het probleem was die verruiming
zodanig te doen plaatsvinden dat de identiteit van het Christendom niet
verloren ging. Als een vat dat gevuld is met water, wordt verruimd zonder
de inhoud aan te vullen, wordt het water ondieper. Een merkwaardige
uitspraak werd reeds in 1935 gedaan door W.R.Matthews, Deken van St.Paul's
Cathedral in Londen. Tijdens een kerkelijk congres zei hij, dat tot
voor kort bijna de gehele Christenheid meende dat er slechts één
openbaring van God is en dat die in de Bijbel kan worden gevonden maar,
zo zei hij verder, de verheven openbaring is niet een geheel uiterlijke
zaak en wij kunnen het 'Vlees geworden Woord' niet herkennen, tenzij
het Woord in ons is. Hij voegde daaraan toe:
"God dicteert een geloof of geloofsartikelen
niet vanuit de hemel. Hij openbaart Zich door de ervaring en de persoonlijkheden
van Zijn profeten en van Zijn Zoon. De leringen van de Kerk zijn de
formules waarin de openbaring is samengevat en wordt bewaard. . . Het
kan zijn dat later meer geschikte vormen zullen worden gevonden om aan
het geestelijk erfdeel uitdrukking te geven.... De Heilige Geest zal
ons naar een nieuwe waarheid leiden."
Wij kunnen onvoorwaardelijk stellen dat godsdiensten
veranderen met de tijden, dat de mensheid onafhankelijk daarvan vooruitgaat
en dat zij zich moeten aansluiten bij de behoeften van de mensheid,
willen zij niet als rem op de vooruitgang werken. Dat betekent niet
dat wij elke godsdienstige waarheid moeten verwerpen en moeten vervallen
tot een van de vormen van ongeloof, atheïsme of materialisme. Wij
moeten met de verouderde vorm niet de inhoud wegwerpen. Een georganiseerd
godsdienstig stelsel, met zijn geloofsleer, zijn voorgeschreven ritueel,
zijn kerkelijke organisatie, is een in een vorm belichaamde geest; en
zoals bij elk organisme het geval is, moet de vorm voortdurend veranderingen
ondergaan, hoewel de geest daarbinnen altijd dezelfde kan blijven. Dit
zijn feiten die niemand met enige kennis van de geschiedenis of van
de algemene wetten van groei en evolutie kan weerleggen.
Maar er kan maar één waarheid
zijn. De religie zelf, afgezien van de leer en de kerk, is de erkenning
en naleving van de fundamentele wetten van het heelal. Deze fundamentele
wetten zijn ook de mens zelf ingeboren, zodat de eeuwige en universele
religie is gebaseerd op de feiten van de menselijke natuur en dezelfde
moet blijven zolang de mens mens is. De meest essentiële waarheid
is dat de mens een goddelijke geest is, levend in een dierlijk lichaam;
dat zijn redding bestaat uit het verheffen van zijn lagere natuur door
middel van zijn hogere; en dat de hoogste gedragsregel voor de mens
te vinden is in de Gulden Regel. Deze waarheid ligt ten grondslag aan
alle godsdiensten en het Christendom heeft haar niet doen ontstaan of
zelfs verbeterd, maar alleen geërfd.
Het is noodzakelijk in het kort te verwijzen
naar bepaalde theosofische leringen, die in omvangrijker werken uiteraard
vollediger worden behandeld. Eén van deze is de leer omtrent
de Wijsheid-Godsdienst of Geheime Leer. Dat wil zeggen de kennis van
de diepste mysteriën van de natuur en de mens, maar in de huidige
cyclus van de menselijke evolutie is ze aan de mensheid in het algemeen
onbekend. In deze cyclus berust ze onder de hoede van de Meesters van
Wijsheid, of de Grote Loge van Ingewijden, die tot taak hebben de heilige
kennis te bewaren en deze, als de tijd daarvoor rijp is, aan de wereld
door te geven. Zij vervullen die taak op verschillende manieren. Eén
van deze manieren is het uitzenden uit hun midden van een Boodschapper,
die in de wereld verschijnt, een kring van leerlingen om zich heen verzamelt,
een esoterische school sticht waarin hij vertrouwelijk onderricht geeft
en exoterische leringen doorgeeft aan de menigte. In de Bijbel lezen
wij:
"En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen
van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen (worden zij gepredikt)
in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen."
- Lucas, 8:10
"En in vele dergelijke gelijkenissen sprak
Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen, en zonder gelijkenis
sprak Hij tot hen niet, maar afzonderlijk aan zijn discipelen verklaarde
Hij alles." -Marcus, 4:33-4
Maar als de Leraar zich heeft teruggetrokken,
komen er veranderingen en gaat de beweging die hij stichtte achteruit.
Zij komt onder invloed van wereldse motieven en krachten, neemt vaste
vormen aan, valt uiteen in scholen en sekten en organiseert zich in
kerken, met een priesterdom en geloofsartikelen. Dit proces kunnen wij
in de geschiedenis van de godsdiensten in het algemeen terugvinden en
ook in het Christendom, zodat het huidige Christendom niet het oorspronkelijke
evangelie is dat de Stichter bracht.
De schrijver heeft in zijn jeugd een christelijke
opvoeding gehad en kan daarom met wat meer kennis van zaken en sympathie
spreken dan sommigen die het Christendom slechts van buitenaf benaderen.
Bovendien zal hij vermoedelijk niet in de gebruikelijke fout vervallen
de zaak van de tegenstander in een verkeerd daglicht te stellen en dus
bijvoorbeeld het beste in de I`heosofie te vergelijken met het slechtste
in het Christendom. Het is in het minst niet de bedoeling de vrede te
verstoren van hen die in het Christendom, zoals zij het kennen, alles
vinden wat zij nodig hebben, vooral niet van degenen die in hun geloof
de inspiratie vinden tot een nobel leven. Maar er is een groot en toenemend
aantal zoekers voor wie wat de theosofie te zeggen heeft welkom is.
De kerken geven toe dat zij hun greep verliezen en er zijn nu meer mensen
dan ooit tevoren die onmogelijk kunnen aanvaarden wat hun is geleerd
en die toch de godsdienst niet overboord kunnen gooien. Deze mensen
vragen in zekere zin om hulp; misschien vinden ze een eigen oplossing
of vormen ze een of andere organisatie; maar zij missen veelal een werkelijke
basis die het hen mogelijk maakt hun moeilijkheden op te lossen. De
theosofie kan daarin een belangrijk aandeel hebben omdat zij over de
middelen beschikt om de oorspronkelijke en waarachtige kem van de christelijke
godsdienst te onderscheiden van wat er in de loop der eeuwen van buitenaf
aan is toegevoegd of aan is veranderd, waardoor de waarheid werd verduisterd.
Wij zullen trachten aan te tonen wat de essentiële
waarheden van de religie zijn, die niet met de tijden veranderen, geen
conflict veroorzaken tussen leerstellingen en sekten en in het hart
van de mens verankerd liggen; en wij zullen proberen deze op te sporen
in het Christendom, zijn leringen, zijn vormen en zijn geschriften.
Wij hopen aan te tonen dat het Christendom verwant is aan de andere
grote godsdiensten en aan de grootste filosofische stelsels en dat er
voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om te laten zien dat het een
van de rivieren is die voortkomen uit de grote bron van de Wijsheid-Godsdienst.
Wij zullen trachten het Christendom te volgen vanaf zijn begin, door
de verschillende veranderingen heen naar zijn huidige vorrnen, voor
zover dat mogelijk is met een onvolmaakte kennis en in kort bestek.
De voornaamste dogma's, geloofsartikelen en riten moeten worden bekeken
en de werkelijke betekenis ervan moet worden getoond door vergelijking
met overeenkomstige elementen in andere godsdiensten, filosofieën
en mythologieën. Het zal blijken dat de leringen die aan Jezus
worden toegeschreven in de Evangeliën, zowel als enkele leringen
van de apostelen in de Brieven, in een nieuw licht komen te staan zodra
we de sleutel die voor hun interpretatie nodig is, in ons bezit hebben
en hoeveel van deze leringen duister zijn gebleven omdat we niet over
die sleutel beschikten. Alle godsdiensten hebben achter hun exoterische
vorm een esoterische grondslag en die grondslag is het die grotendeels
is verdwenen. De godsdiensten zoals zij nu bestaan, voldoen niet aan
de behoeften van de menselijke aspiratie, want zij gaan voorbij aan
een belangrijk deel van wat voor de mens van vitaal belang is. Zij beperken
zich in hoofdzaak tot ethische beginselen, maar zeggen ons niets over
de aard van het heelal of van de mens. Zij raakten zodoende bij de tijd
ten achter en lieten concurrerende invloeden ontstaan, zoals de natuurwetenschappen
en abstracte filosofieën; het gevolg is dat het gebied van kennis,
dat één zou moeten zijn, verdeeld is in afdelingen die
van elkaar onafhankelijk of met elkaar strijdig zijn. De valse tegenstelling
tussen de zedenleer en kennis, godsdienst en wetenschap, rechtschapenheid
en cultuur, is de grootste vloek die de godsdienst heeft getroffen.
Hereniging van het gebied van kennis is dringend gewenst; een uniforme
wet om naar te leven; een solide basis voor de ethiek, de zedenleer,
het gedrag, in plaats van dogma's waarin we niet kunnen geloven of ontelbare
speculaties, of rages en ideologieën. De ware godsdienst van een
mens is die waarnaar hij leeft, niet die hij belijdt. Daarom ontstaat
een werkelijke eenwording van godsdiensten niet door een uiterlijke
vereniging te forceren, of door alle verschillen te elimineren en een
zwak aftreksel over te houden, maar door terug te keren tot de esoterische
basis van de godsdiensten en door de gemeenschappelijke afkomst vast
te stellen; kortom door de kennis van de oude Wijsheid-Godsdienst te
doen herleven.
Inhoud
© 1990 Theosophical
University Press Agency |