Theosophical University Press Agency

Spinoza ‘deed’ niets maar inspireerde

Robert C. Solomon

[Robert C. Solomon doceert filosofie aan de Universiteit van Texas in Austin, en is thans gasthoogleraar aan het Mount Holyoke College en de Harvard Universiteit. Zijn laatste boek is Love: Emotion, Myth and Metaphor (Doubleday Anchor). Bovenstaand artikel verscheen op 24 november 1981 [Spinoza’s geboortedag] in de Los Angeles Times, en werd met toestemming van de schrijver overgenomen.]

Op 24 november 1632 werd Benedictus de Spinoza, één van de grootste denkers van Europa, geboren. Hij is niet een van die groten die met één enkel denkbeeld de geschiedenis veranderden, miljoenen inspireerden, of een ontdekking deden en later werden herdacht als de vader van de een of andere nieuwe bom of geneeswijze. In geen enkel opzicht was hij een held; in werkelijkheid deed hij nooit iets, in de gewone betekenis van het woord. Toch heeft hij, sinds hij in Europa werd ‘ontdekt’, bijna een eeuw na zijn dood in 1677, vele duizenden, waarvan de meesten hem bij toeval leerden kennen terwijl ze in een of andere bibliotheek rondneusden, geroerd en geïnspireerd.

Wat Spinoza deed is wat we allemaal van tijd tot tijd proberen te doen; hij trachtte orde op zaken te stellen in zijn leven, de betekenis ervan te begrijpen en zijn tegenspoed verstandelijk te verklaren. Maar anders dan de meesten van ons in deze tijd, stond hij erop het allemaal alleen te doen, in plaats van de pasklare regels voor vroomheid vermengd met egoïsme, te aanvaarden, die toen, net als nu, populair waren. Het gevolg hiervan was dat hij uit Amsterdam werd gezet, de meest ‘liberale’ stad in Europa. Hij werd niet verbrand of gebrandmerkt, zoals bij meer opzienbarende godsdienstige martelaren het geval was. Hij werd eenvoudig veroordeeld tot een leven in eenzaamheid.

Spinoza werd in 1632 uit Joodse ouders in Amsterdam geboren, toen de Spaanse Inquisitie hoogtij vierde. Zijn ouders waren uit Spanje gevlucht op zoek naar godsdienstige verdraagzaamheid. De kern van Spinoza’s filosofie was wederzijdse verdraagzaamheid en begrip. Openlijk keurde hij de pogingen van iedere sekte af zich als de bezitters van de ‘ware’ godsdienst op te werpen en hij ontwikkelde een godsbegrip, dat voor ons allen, vanuit onze eigen totaal verschillende zienswijzen, aannemelijk kon zijn. Het probleem was dat zijn God niet de voorgeschreven God was.

Spinoza was een van die zeldzame religieuze denkers die geloofden dat men het leven kan begrijpen en er zin aan kan geven zonder zijn eigen geloof aan ieder ander op te dringen. Het is een opvatting die nooit algemeen aangehangen werd, behalve in naam. Maar dat komt niet, zoals de meeste critici klagen, omdat de mens ‘van nature’ dogmatisch of vol argwaan is. Het probleem is dat het uiterst moeilijk is te geloven dat je eigen geloof niet het ware is, want om alternatieve opvattingen als gelijkwaardig te beschouwen, schijnt tegelijk in te houden dat je eigen geloof onwaar is.

Spinoza verklaarde nadrukkelijk dat God ons allen en al onze geloofsovertuigingen omvat en alleen begrip van ons vraagt. Er bestaan geen bevoorrechte posities of standpunten, maar alleen beperkte persoonlijke opvattingen en ons gebrek aan begrip.

Als we ons nu eens een worm voorstellen, zegt Spinoza, die in een bloedlichaampje in het lichaam van een of ander groot wezen woont; de worm ziet zijn omhulsel als de hele werkelijkheid en zou desgevraagd volhouden dat deze opvatting de ‘ware’ is. Maar veronderstel nu eens dat ook wij zijn als die kleine worm; nu en dan proberen we verder te zien dan ons omhulsel, maar meestal leven we van het bloed van ons kleine hoekje van het heelal, en nemen we aan dat de rest ongeveer eender zal of moet zijn. We kunnen nooit het geheel waarnemen, maar we kunnen ons kleine stukje daarin begrijpen.

Spinoza’s filosofie en zijn voorstelling van God komt ten slotte hierop neer: De kosmos is een enkelvoudige ‘substantie’ en dit, en niet iets buiten de kosmos, noemen we ‘God’. Ieder van ons is een deel van God in zoverre dat wij ‘bestaanswijzen’ van die ene oneindige substantie zijn. Maar dat betekent dat wat we onze individualiteit, onze individuele persoonlijkheid noemen, eigenmachtige onderscheidingen zijn en verraderlijk, want zij maken dat we aan onszelf denken als iets dat afgescheiden en tegengesteld, in plaats van een enkelvoudige kosmische eenheid is.

In de tijd van Spinoza, zoals ook in de onze, was er steeds een strijd gaande tussen wetenschap en godsdienst; ieder eiste de waarheid voor zich op en stelde de domheid van de ander aan de kaak. Maar Spinoza, wiens belangstelling voor de nieuwe wetenschap even intens was als zijn vroomheid, wilde daar niets van weten: God en de natuur zijn één zoals wij één zijn, en wetenschap en godsdienst zijn één en dezelfde zaak. Het is niet zo verrassend dat Albert Einstein een bewonderaar van Spinoza was.

De kern van Spinoza’s filosofie is ten slotte dat alleen met die visie op eenheid wij onze geloofsopvattingen kunnen hebben en anderen de hunne, beseffend dat ons begrip voor ons een heel belangrijk deel van het geheel vormt, maar tegelijk nederig erkennend dat de overtuiging van anderen ook belangrijk is. We maken allemaal deel uit van een groot bedrijf – Spinoza noemt het soms ‘leven’ – en onze geschilpunten en onenigheden zijn geen reden voor vijandschap of verdachtmaking, maar zijn veeleer banden van bezorgdheid die ons naar elkaar toetrekken.

En vandaag – 24 november – Spinoza’s 349ste geboortedag, is dat een les die verdient te worden onthouden.

Filosofie (diverse filosofen en mystici)


Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1982

© 2018 Theosophical University Press Agency