Er
zij licht: archeologie en het Oude Testament
Sarah Belle Dougherty
Boekbespreking: The Bible Unearthed:
Archaeology’s New Vision of Ancient Israel and the Origin of Its
Sacred Texts, Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman, Free
Press, New York, 2001, 385 blz., ISBN 0684869128, gebonden; Touchstone
Books, New York, 2002, ISBN 0684869136, paperback.
In 2006 is dit boek in het Nederlands verschenen:
De bijbel als mythe: opgravingen vertellen een ander verhaal, Israel
Finkelstein en Neil Asher Silberman, Uitgeverij
Synthese, Den Haag, 2006; isbn 9062719511, 448 blz., paperback.
Bladzijdenverwijzingen naar Nederlandstalige uitgave.
De archeologie is lang beschouwd als een goede vriend van de Hebreeuwse
bijbel. Zoals de ontdekkingen van Heinrich Schliemann aantoonden dat
de verhalen van Homerus niet alleen maar mythen waren, evenzo werden
de archeologische ontdekkingen in de landen van het Oude Testament beschouwd
als bewijs dat de bijbel op historische feiten berust en niet alleen
op legenden. Hoewel tekstcritici zich al eeuwen realiseren dat het Oude
Testament een verzameluitgave is van verscheidene teksten die in verschillende
tijden door verschillende groeperingen zijn geschreven, gingen de meeste
archeologen er tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw als vanzelf
vanuit dat de verslagen de feiten weergaven. Omdat ze bijna allemaal
christenen of joden waren die sterk overtuigd waren van de waarheid
van de bijbel, interpreteerden ze hun vondsten in het licht van de schrift.
Het was dan ook geen wonder dat de archeologische vondsten de bijbel
leken te bevestigen wanneer onderzoekers het Oude Testament gebruikten
om de dingen die ze opgroeven te identificeren en te dateren, en om
het belang van steden, gebouwen, aardewerk en andere artefacten te interpreteren.
Maar na 1970 ontstond een nieuwe trend toen archeologen
ontdekkingen uit het Heilige Land op dezelfde manier gingen benaderen
als dat ze dat overal elders zouden hebben gedaan. Toen ze zich richtten
op de werkelijke oude geschiedenis van Israël in plaats van uitsluitend
op bijbelse associaties, gebruikten ze voortaan de artefacten, architectuur,
de patronen volgens welke nederzettingen waren gebouwd, beenderen van
dieren, zaden, bodemmonsters, antropologische modellen die ze kenden
op grond van andere culturen in de wereld, en andere moderne methoden
om beschrijvingen te geven die waren gebaseerd op wetenschappelijk bewijs.
Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman presenteren deze wetenschappelijke
kennis in hun boek The Bible Unearthed: Archaeology’s New
Vision of Ancient Israel and the Origin of Its Sacred Texts [De
bijbel als mythe: opgravingen vertellen een ander verhaal] aan
een breed publiek. Dr. Finkelstein is directeur van het Sonia en Marco
Nadler Institute of Archeology aan de universiteit van Tel Aviv, en
dr. Silberman is directeur historische interpretatie van het Ename Centrum
voor Publieksarcheologie en Erfgoedpresentatie in België.
In een poging om ‘geschiedenis te scheiden van
legende’ vertellen de auteurs over ‘de meest recente archeologische
inzichten – die buiten wetenschappelijke kringen nog grotendeels
onbekend zijn – niet alleen over wanneer de bijbel werd
geschreven, maar ook over waarom dat gebeurde’, ontdekkingen
die ‘de studie van het vroege Israël radicaal hebben veranderd
en ernstige twijfel doen rijzen aan de historische basis van beroemde
bijbelverhalen als de zwerftochten van de aartsvaders, de uittocht uit
Egypte en de verovering van Kanaän, en het glorieuze rijk van David
en Salomo’ (blz. 13-4). The Bible Unearthed bespreekt
vrij gedetailleerd de aanwijzingen die deze aanspraken ondersteunen,
en toont aan waarom, hoewel ‘geen enkele archeoloog kan ontkennen
dat de bijbel legenden, personages en verhalenfragmenten bevat die ver
teruggaan in de tijd, . . . de archeologie kan aantonen dat de Tora
en de Deuteronomistische Geschiedenis onmiskenbaar kenmerken vertonen
die erop duiden dat ze pas in de zevende eeuw voor onze jaartelling
voor het eerst werden samengesteld’ (blz. 36).
De bijbel begint zijn verhaal over het joodse volk
met de omzwervingen van de aartsvaders, te beginnen met Abraham. Te
oordelen naar recente coverstory’s in tijdschriften zoals National
Geographic en Time zou men kunnen denken dat Abraham onbetwist
een historische figuur moet zijn. Men beweert dat hij een Babyloniër
was, afkomstig uit Ur – dat nu in het zuiden van Irak ligt –
en volgens Genesis ging Abraham in noordwestelijke richting naar Haran
in het zuiden van Turkije, waar Gods stem hem gebood naar het zuiden,
naar Kanaän te gaan. De bijbel voert alle naties van dat gebied
terug op zijn familie. De Moabieten en de Ammonieten gaan terug op zijn
neef Lot; de joden en zuidelijke Arabieren op respectievelijk Abrahams
zonen Izaäk en Ismaël. Daarop volgen Izaäks zonen Esau
– vader van de Edomieten en andere woestijnvolken – en Jakob;
dan Jakobs twaalf zonen – ieder van hen heerste over één
van de twaalf stammen van Israël. Eén zoon, Jozef, wordt
als slaaf aan Egypte verkocht. Tijdens een hongersnood ontdekken de
overgebleven familieleden die daar naartoe zijn gevlucht dat Jozef bij
de farao in hoog aanzien is komen te staan. Na Jakobs dood blijven de
kinderen van Israël in Egypte.
Welk archeologisch bewijs bestaat er met betrekking
tot deze bijbelse figuren? Archeologen, van wie vele tot een kerk behoren,
hebben intensief naar bewijzen over de historische aartsvaders gezocht
omdat ze meenden dat tenzij deze mensen werkelijk hadden bestaan, hun
eigen geloof op onwaarheid berustte. Hoewel de bijbel heel wat specifieke
informatie bevat, heeft het zoeken geen resultaat opgeleverd. Tegenstrijdigheden
in de details zijn van belang omdat zulke ‘specifieke verwijzingen
in de tekst naar steden, buurvolken en bekende plaatsen precies die
aspecten zijn die de verhalen over de aartsvaderen onderscheiden van
geheel mythische volksverhalen. Ze zijn van wezenlijk belang om de tijd
en de boodschap van de tekst te kunnen bepalen’ (blz. 52-3). Kamelen,
bijvoorbeeld, werden in het Nabije Oosten tot de zevende eeuw v.Chr.
niet algemeen als lastdieren gebruikt, en de Filistijnen hebben zich
niet vóór de twaalfde eeuw in Kanaän gevestigd. Opgravingen
op verscheidene locaties die in Genesis als belangrijk staan
aangegeven tonen soms aan dat deze plaatsen in de vroege ijzertijd heel
klein waren of niet bestonden, maar dat ze pas tegen het einde van de
achtste en in de zevende eeuw nederzettingen van belang waren geworden.
Analyse toont bovendien aan dat de stambomen van de
aartsvaders en de volkeren die van hen afstammen ‘vanuit het onmiskenbare
gezichtspunt van het koninkrijk Israël en het koninkrijk Juda in
de achtste en zevende eeuw voor onze jaartelling een kleurrijke menselijke
kaart van het Nabije Oosten van de oudheid vormen. Deze verhalen bieden
een heel scherpzinnig commentaar op politieke zaken in deze streek in
de Assyrische en Neo-Babylonische periode’ (blz. 53). In de bijbel
speelt Judea in Genesis een overheersende rol, hoewel het in
die tijd nog onbetekenend was:
Intussen is duidelijk geworden dat de keuze voor
Abraham, met zijn nauwe connectie met Hebron, de eerste hoofdstad
van Juda, en met Jeruzalem . . . ook was bedoeld om te benadrukken
dat Juda al in de vroegste tijden van Israëls geschiedenis het
primaat had. Het is bijna alsof een Amerikaans boek waarin de pre-Columbiaanse
geschiedenis wordt beschreven buitensporige aandacht zou besteden
aan het eiland Manhattan, of aan het stuk land dat later de stad Washington,
D.C., zou worden. De duidelijke politieke betekenis van het opnemen
van een dergelijk detail in een breder verhaal wekt op zijn minst
twijfel aan de historische betrouwbaarheid ervan.
– blz. 59
De schrijvers concluderen dat de tradities van de aartsvaders
moeten worden gezien als een soort ‘vrome’
prehistorie van Israël waarin Juda een beslissende rol speelt.
Zij beschrijven de heel vroege geschiedenis van het volk, geven etnische
grenzen aan, beklemtonen dat de Israëlieten buitenstaanders waren
en geen deel uitmaakten van de inheemse bevolking van Kanaän
en omarmen de tradities van zowel het noorden als het zuiden, terwijl
zij uiteindelijk de superioriteit van Juda benadrukken.
– blz. 61
Het materiaal geeft aan dat dit deel van Genesis
eerder een nationaal heldendicht was dat met succes een aantal regionale
legendarische voorouders tot één traditie samenvoegde
en dat in de zevende eeuw v.Chr. is gemaakt, dan een kroniek of geschiedschrijving.
Een tweede reeks bijbelse gebeurtenissen speelt zich
af rond de slavernij van het joodse volk in Egypte, de miraculeuze vlucht
van 600.000 mensen uit Egypte onder aanvoering van Mozes, hun veertig
jaar durende omzwervingen in de woestijn, hun snelle verovering van
het Beloofde Land onder Jozua en de slachting die werd aangericht onder
de oorspronkelijke bewoners. Deze gebeurtenissen, die op veel belangrijke
joodse feestdagen worden herdacht, beslaan vier van de eerste vijf bijbelboeken,
die volgens de traditie aan Mozes worden toegeschreven. Fysiek bewijsmateriaal
en historische teksten bevestigen dat de Kanaänieten zich traditioneel
hadden gevestigd in het welvarende gebied van de oostelijke delta van
Egypte, vooral in tijden van droogte, honger en oorlog. Sommigen kwamen
als landloze dienstplichtigen en krijgsgevangenen, anderen als boeren,
herders en handelaren. Egyptische historici vertellen ons over de Hyksos,
Kanaänitische immigranten die in een grote stad aan de delta begonnen
te overheersen, en die rond 1570 v.Chr. door de Egyptenaren met geweld
werden weggestuurd. Na het verdrijven van de Hyksos hield de Egyptische
regering immigratie vanuit Kanaän nauwlettend onder controle en
bouwde forten langs de oostelijke delta en op onderlinge afstand van
een dag reizen langs de Middellandse-Zeekust tot aan Gaza. Deze forten
hielden uitgebreide annalen bij, waarvan er geen enkele de Israëlieten
of enige andere buitenlandse etnische groep noemt die het land binnenkwam
of verliet of zich als volk in de delta ophield.
Bijbelgeleerden plaatsen de Exodus in de late dertiende
eeuw voor Christus, en tot dat moment wordt de naam Israël maar
één keer genoemd, ondanks de vele Egyptische optekeningen
die er over Kanaän bestaan. Noch is er enig archeologisch bewijs
voor een omvangrijke populatie in de woestijn en de bergen van de Sinaï
in de late bronstijd:
In het exodusverhaal genoemde plaatsen zijn reëel.
Een paar ervan waren welbekend en kennelijk bewoond in veel vroegere
en veel latere perioden – nadat het koninkrijk Juda was gesticht
toen de tekst van het bijbelverhaal voor het eerst op schrift werd
gesteld. Jammer genoeg voor hen die op zoek zijn naar een historische
uittocht uit Egypte, waren deze plaatsen juist in de tijd dat zij
volgens het bijbelverhaal een rol speelden bij de gebeurtenissen tijdens
de zwerftocht van de kinderen Israëls door de woestijn onbewoond.
– blz. 83
De archeologie onthult ook dramatische tegenstrijdigheden
met betrekking tot de militaire campagne van Jozua, gedateerd tussen
1230 en 1220 v.Chr., toen de machtige Kanaänitische koningen zouden
zijn vernietigd en de twaalf stammen hun traditionele territoria innamen.
Overvloedige Egyptische diplomatieke en militaire correspondentie en
andere bestaande teksten uit de late bronstijd geven gedetailleerde
informatie over Kanaän, dat toen gedurende een paar eeuwen door
Egypte zorgvuldig werd bestuurd. De Kanaänitische steden waren
klein en hadden geen fortificaties – Jericho en een aantal andere
steden die worden genoemd bestonden zelfs nog helemaal niet –
en de totale bevolking van Kanaän overschreed waarschijnlijk het
aantal van 100.000 niet. Terwijl veel Kanaänitische steden in de
dertiende eeuw voor onze jaartelling in feite in brand werden gestoken
en vernietigd, zijn er aanwijzingen voor wijdverspreide oorzaken die
ook de bloeiende culturen van Griekenland, Turkije, Syrië en Egypte
beïnvloedden. Een belangrijke factor waren de mysterieuze, gewelddadige
invasies door mensen die bekend stonden als het Zeevolk, waartoe ook
de Filistijnen behoorden. In 1185 v.Chr. schreef de laatste koning van
Ugarit (een grote haven aan de kust van Syrië): ‘vijandelijke
schepen zijn aangekomen, de vijand de steden in brand heeft gestoken,
en ze heeft verwoest. Mijn troepen zijn in het land van de Hittieten,
mijn schepen in Lycië, en het land is aan zijn lot overgelaten’
(blz. 108-9). Een Egyptische inscriptie uit diezelfde tijd bericht dat
‘De vreemde volken spanden samen op hun eilanden . . . . Geen
enkel land kon op tegen hun wapens’ (op.cit.). In hun evaluatie
van het bijbelverhaal concluderen Finkelstein en Silberman:
Het boek Jozua bood een onvergetelijk epos met een
duidelijke les – hoe het volk Israël, als het de Wet van
het verbond wel tot op de letter volgde, geen enkele overwinning kon
ontgaan. Dat werd duidelijk gemaakt met behulp van enkele van de levendigste
volksverhalen – de val van de muren van Jericho, het stilstaan
van de zon te Gibeon, de totale nederlaag van de Kanaänitische
koningen bij de smalle bergpas van Bet-Choron – die tot één
epos waren omgewerkt tegen een uiterst vertrouwde en suggestieve zevende-eeuwse
achtergrond, en zich afspeelden op plaatsen die voor de Deuteronomistische
ideologie van het grootste belang waren. Bij het lezen en vertellen
van deze verhalen zagen de Judeeërs van de late zevende eeuw
voor onze jaartelling hun diepste verlangens en religieuze overtuigingen
onder woorden gebracht. – blz. 118
Maar als de Israëlieten niet uit Egypte vluchtten
en Kanaän binnendrongen, wie waren ze dan wel? Na de Arabisch-Israëlische
oorlog van 1967 begonnen joodse archeologen het heuvelland van Judea
grondig te onderzoeken, in kaart te brengen en te analyseren, op zoek
naar patronen van nederzettingen, aanwijzingen voor de levensstijl van
de bewoners, demografische veranderingen en veranderingen in de leefomgeving
Deze onderzoeken brachten een revolutie teweeg in
de studie van het vroege Israël. De ontdekking van de overblijfselen
van een dicht netwerk van dorpen in het hoogland – die alle
kennelijk in de tijd van enkele generaties waren gesticht –
duidde erop dat er rond 1200 v.Chr. in het centrale heuvelland van
Kanaän een dramatische sociale transformatie had plaatsgevonden.
Er was geen enkel teken van een gewelddadige inval of zelfs de infiltratie
van een duidelijk omschreven etnische groep. Het leek eerder op een
revolutie in levenswijze. In het eerder dunbevolkte hoogland vanaf
de Judese heuvels in het zuiden tot die van Samaria in het noorden
verschenen op heuveltoppen ver van de Kanaänitische steden, die
bezig waren ineen te storten en te desintegreren, plotseling ongeveer
250 bergdorpen. Hier waren de eerste Israëlieten.
– blz. 132
Verder onderzoek wees uit dat er twee eerdere golven
van kolonisatie waren geweest: de eerste in de vroege bronstijd ongeveer
3500 v.Chr., die in haar hoogtijdagen zo’n 100 dorpen en steden
omvatte en die rond 2200 v.Chr. werden verlaten; en een tweede in de
middenbronstijd kort na 2000 v.Chr., die uitmondde in 220 nederzettingen,
van dorpen tot steden en ommuurde centra die misschien door wel 40.000
mensen werden bewoond. Deze periode eindigde omstreeks de zestiende
eeuw v.Chr., en de hooglanden bleven daarna 400 jaar lang dunbevolkt.
De Israëlitische nederzettingen van rond 1200 v.Chr. omvatten 45.000
mensen verspreid over 250 locaties, met een climax in de achtste eeuw
v.Chr. met 160.000 mensen in meer dan 500 plaatsen. In tijden van vaste
bewoning werd in het algemeen landbouw bedreven; in tijden waarin men
geen vaste nederzettingen had, werden er vooral schapen en geiten gehouden,
een patroon dat in het hele Midden-Oosten wordt aangetroffen. Toen de
Kanaänitische steden in verval raakten, waren de herders in de
heuvels gedwongen hun eigen graan en landbouwproducten te produceren,
en dat resulteerde in permanente nederzettingen.
De verschijning van het vroege Israël was een
gevolg van de ineenstorting van de Kanaänitische cultuur, niet
de oorzaak ervan. Ook kwamen de meeste Israëlieten niet van buiten
Kanaän – zij verschenen van binnenuit. Er vond geen massale
uittocht uit Egypte plaats. En Kanaän werd niet met geweld veroverd.
Het grootste deel van de mensen die het vroege Israël vormden
waren inheemse mensen – dezelfde mensen die we de hele brons-
en ijzertijd door in het hoogland hebben zien. De vroege Israëlieten
waren – o ironie – zelf van oorsprong Kanaänieten!
– blz. 145
De auteurs huldigen in dit verband het idee dat de
verhalen in het boek Richteren over de conflicten met de Kanaänieten
– zoals die over Samson, Debora en Gideon – authentieke
herinneringen kunnen zijn aan dorpsconflicten en lokale helden die in
de vorm van volksvertellingen zijn bewaard, en voor latere theologische
en politieke doeleinden werden gebundeld en bewerkt.
Ten
derde vertelt de bijbel over de gouden eeuw van het verenigde koninkrijk
van Israël onder bestuur van een vorst van Judea, eerst David en
daarna zijn zoon Salomo. Er wordt verteld over een befaamd rijk dat
zich uitstrekte van de Rode Zee tot aan de grens met Syrië, de
pracht van Jeruzalem, en de eerste tempel gebouwd door Salomo, en ook
over andere grootse bouwprojecten. Dit verenigde koninkrijk splitst
zich dan in Israël in het noorden en Judea in het zuiden. Wordt
dit beeld door de archeologie bevestigd? Ondanks overdrijving en de
versierselen van de legende geloven de auteurs dat David en Salomo werkelijk
hebben bestaan – maar als minder belangrijke stamhoofden uit de
hooglanden die misschien over ongeveer 5000 mensen heersten. Er bestaat
geen archeologisch bewijs voor Davids overwinning of voor zijn rijk
in de periode van 1005 tot 970 v.Chr., en ook voor de periode van Salomo
(970-931 v.Chr.) bestaat geen enkel bewijs van monumentale architectuur,
of van een Jeruzalem dat groter was dan een dorp:
Voorzover wij op grond van het archeologisch onderzoek
kunnen zien, had Juda tot en met de veronderstelde tijd van David
en Salomo betrekkelijk weinig permanente bewoners, en was het een
heel geïsoleerd en heel marginaal gebied zonder belangrijke stedelijke
centra en zonder uitgesproken hiërarchie van gehuchten, dorpen
en steden. – blz. 162
Er bestaat geen spoor van geschreven documenten of
inscripties, noch van de tempel of het paleis van Salomo, en gebouwen
die vroeger in verband werden gebracht met Salomo blijken uit andere
perioden afkomstig te zijn. Het bewijsmateriaal waarover we nu beschikken
geeft geen steun aan het bestaan van een verenigd koninkrijk: ‘Het
glorieuze epos van de verenigde monarchie was – net als de verhalen
over de aartsvaders en die over de uittocht uit Egypte en de verovering
van het Beloofde Land – een briljante compositie waarin oude heldenverhalen
en legenden waren verweven tot een samenhangende en overtuigende profetie
voor het volk Israël in de zevende eeuw v.Chr.’ (blz. 176).
In de tweede helft van het boek schetsen de schrijvers
de geschiedenis van Israël en Judea van 930 tot 440 v.Chr. op basis
van archeologische bewijzen, en vergelijken die met het bijbelverhaal.
Ze tonen aan dat het noordelijke en zuidelijke koninkrijk altijd van
elkaar gescheiden en onafhankelijk zijn geweest. Door de geografische
ligging en zijn natuurlijke hulpbronnen was Israël in het noorden
altijd dichter bevolkt, kosmopolitischer en welvarender, en daardoor
aantrekkelijker voor buitenlandse veroveraars, terwijl Judea lange tijd
arm, dunbevolkt en geïsoleerd bleef. Het oudtestamentische materiaal
over deze tijd werd geschreven vanuit het standpunt van het koningshuis
van Judea en de Deuteronomistische priesters met hun religieuze hervormingen:
het aandringen op de verering van één beeltenisloze God
in de tempel van Jeruzalem en de volledige scheiding van een verenigd
joods volk van de omringende volkeren. Er zijn veel aanwijzingen dat
zulke monotheïstische verlangens iets nieuws waren voor Judea en
Israël, waar aanbidding van ondergeschikte goden en godinnen zowel
als van hemellichamen traditie waren. Die verlangens werden dan ook
niet algemeen geaccepteerd door de mensen, die thuis voortgingen met
het aanbidden van godinnen en daarbij gebruikmaakten van beelden. Volgens
de auteurs is het verhaal in Deuteronomium een epos dat een waarschuwing
in zich droeg en dat elementen uit verschillende streken met elkaar
verbond om de zevende-eeuwse belangen van Judea te dienen. Later, na
de Babylonische verbanning, werd het verhaal omgewerkt om aan nieuwe
(hoewel in veel opzichten soortgelijke) omstandigheden tegemoet te komen,
wat resulteerde in de verhalen zoals we die nu kennen.
In hun samenvatting van de betekenis van deze recente
ontdekkingen stellen Finkelstein en Silberman dat ‘het historische
verhaal dat de bijbel vertelt . . . geen bovennatuurlijke openbaring
was, maar een briljant product van de menselijke verbeelding’
(blz. 11), en betogen dat
de integriteit van de bijbel en zelfs zijn historiciteit
hangen echter niet af van plichtmatig historisch ‘bewijs’
van specifieke gebeurtenissen of personen die erin worden beschreven
. . . De kracht van het bijbelverhaal komt voort uit het feit dat
het op een meeslepende en samenhangende manier uitdrukking geeft aan
de tijdloze thema’s van de bevrijding van een volk, het permanente
verzet tegen onderdrukking, en het streven naar sociale gelijkheid.
Het geeft welsprekend uitdrukking aan het diepgewortelde besef van
een gemeenschappelijke oorsprong, gemeenschappelijke ervaringen en
een gemeenschappelijke bestemming die elke menselijke gemeenschap
nodig heeft om te kunnen overleven. – blz.
372-3
Eeuwenlang hebben joden, christenen en moslims geloofd
dat in het Oude Testament gebeurtenissen uit hun raciale en religieuze
geschiedenis staan opgetekend. Zelfs nu zijn er nog velen die geloven
dat het bijbelverhaal letterlijk waar is, of dat het in ieder geval
in hoofdzaak correct is. Wetenschappelijke vondsten op het gebied van
de archeologie, tekstanalyse, geschiedenis en recent vertaalde oude
documenten wijzen alle op een werkelijkheid die voor veel traditionele
en fundamentalistische gelovigen misschien moeilijk is te verzoenen
met een geloof dat is gebaseerd op bijbelse gebeurtenissen, beloften,
profetieën en openbaringen als historische feiten. Niettemin betekent
deze kennis een nieuw ontwaken van ons inzicht in deze godsdiensten
en hun oude geschiedenis.