Evolutie tot in het mensenrijk – I
Hier volgen twee vragen die mij zijn gesteld: 'U heeft ons gezegd dat zich in de menselijke constitutie een dierlijke monade bevindt die in de volgende ketenbelichaming een mens zal worden. U heeft ons ook gezegd dat de dieren, bijvoorbeeld op onze bol van deze keten, op onze bol, in de volgende ketenbelichaming mensen zullen worden. Vraag: Hoe bedoelt u dat? Wat is de plaats van de toekomstige mensen die nu in de mens de dierlijke monaden zijn? Waar staan ze vergeleken met de toekomstige mensen op de volgende ketenbelichaming, die nu hier onze dieren zijn?'
De andere vraag is deze: 'Enige tijd geleden zei u dat wij, die nu als monaden mensen zijn, vanaf het begin van de huidige ketenbelichaming altijd mensen zijn geweest. Hoe verklaart u dan die andere leer over de deur tot het mensenrijk die in het midden van de vierde ronde werd gesloten, met andere woorden tijdens het Atlantische ras?'
Dat zijn de twee vragen. De antwoorden op deze vragen, op beide, kunnen in onze boeken en in mijn eigen boeken worden gevonden. Ik heb er denk ik vanaf dit podium wel een keer of twaalf over gesproken en heb beide vragen beantwoord.
Wat ik zojuist zei is juist. Volgens onze leer zijn de tegenwoordige menselijke monaden vanaf het begin van deze ketenbelichaming menselijke monaden geweest; en bedenk wel dat we het nu over monaden hebben. Ik heb ook gezegd dat zich in de mens een dierlijke monade bevindt die in de volgende ketenbelichaming mens zal zijn. Ik begin nu met de eerste vraag: Het antwoord is als volgt: Die dieren, die nu dierlijke monaden worden genoemd en die de dierlijke delen van ons mensen vormen – ik bedoel niet het stoffelijke lichaam, dat het stoffelijke deel van de mens is, maar het dierlijke deel, met andere woorden ons dier, het menselijke dier in ons, de instincten, de gedachten, de motieven, de eigenschappen, de kwaliteiten die het menselijke dier vormen en waarvoor het lichaam slechts een uitingsvorm is, de open deur – die zullen in de volgende ketenbelichaming de mensen zijn van het mensenrijk; en onze tegenwoordige dieren zullen dan de lagere en laagste eenheden van het mensenrijk zijn in de volgende ketenbelichaming.
Laten we, om het begrijpelijker te maken, het proces omkeren. In plaats van vooruit te zien, gaan we terug naar de maan, de maanketen, de tijd waarin we ons allen op de maan bevonden. Wij die nu in deze keten-belichaming de hogere mensen zijn, waren toen op de maan de individuele dierlijke monaden in de toenmalige mensen van de maanketen. Begrijpt u me? Met andere woorden, de mensen op de maanketen hadden, net als wij nu, dierlijke monaden als deel van hun constitutie. Toen de maanketen zijn manvantarische evolutie had voltooid en als keten stierf en de huidige keten geboren deed worden, waren de maanmensen dhyani-chohans geworden en waren ze het dhyani-chohanische rijk ingegaan. Hun dierlijke monaden waren toen mens geworden, elk ging een stap omhoog.
Wat op de maan de mensen waren, waren de laagste dhyani-chohans in deze belichaming. Wat de dierlijke monaden in de maanmensen waren zijn nu de mensen in deze ketenbelichaming. Is die gedachte duidelijk? Wat nu de dieren zijn, zoals ik al heb gezegd, op deze aarde of in deze ketenbelichaming, zullen de lagere en laagste mensen in de volgende ketenbelichaming zijn. Beschouw het proces op de maan nu omgekeerd. Wat aan het einde van de zevende ronde van de maan de maandieren waren, werden toen mens, niet de hogere mensen, maar zij traden het mensenrijk binnen. Het waren mensen, maar het laagste deel van wat we nu het mensenrijk noemen. Is die gedachte duidelijk? Goed.
De dieren op de maan werden dus de lagere mensen hier. Als deze aardketen aan het einde is van zijn zevende ronde zullen deze lagere mensen evenals de hogere mensen dhyani-chohans zijn; en onze tegenwoordige menselijke dierlijke monaden zullen dan de hogere mensen van de volgende aardketen zijn, het kind van deze keten; en van onze dieren van nu zullen zij die aan het einde van de zevende ronde op deze aarde slagen, in de volgende ketenbelichaming de lagere en laagste mensen zijn. Het is dus als volgt: dieren treden het mensenrijk binnen, niet de lichamen, de monaden. Over dit punt ontstaat voortdurend verwarring. Men blijft aan lichamen denken. Ik heb het over de monaden. Wat nu de monaden zijn die zich in de vorm van dieren manifesteren, zullen, als de zevende ronde van deze keten is geëindigd, zijn geëvolueerd, dat wil zeggen zich hebben ontwikkeld, ontvouwd – de monaden zullen zich hebben ontwikkeld om mens te worden, zodat de dieren in de volgende ketenbelichaming mens zullen zijn. Wat voor soort mensen? De hoogste? Nee, we hebben al gezegd dat de hogere zullen zijn wat nu de dierlijke monaden in ons mensen zijn, zoals wij op de maan de dierlijke monaden in de maanmensen waren. En de dieren op de maan die slaagden, bereikten het menszijn, het menselijke stadium, aan het einde van de zevende maanronde, zodat ze mensen konden worden in het mensenrijk en zich nu op deze aarde onder ons bevinden als de lagere en laagste mensen.
Het is een oude, eenvoudige leer, die iedere theosoof kent, dat er niet alleen 7, 10, 12 klassen van monaden zijn, maar dat elk van deze klassen of families (rijken is een ander goed woord) haar eigen speciale onderafdelingen heeft, zodat ook ons mensenrijk zijn eigen speciale onderafdelingen heeft; de meesters en de boeddha's aan de ene kant, de bijna dierlijke mensen aan de andere kant, zoals de Veddahs van Ceylon [Sri Lanka], de eilandbewoners van de Andamanen, enzovoort. Tussen deze twee klassen van mensen ligt een enorme psychische, geestelijke en intellectuele afstand. Maar het zijn allen mensen, ze behoren allen tot het mensenrijk omdat ze allen bewust zelfbewustzijn hebben bereikt.
Dit is dus het antwoord op de eerste vraag en ik hoop dat u het heeft begrepen. U zult inzien dat deze kwestie bij veel gelegenheden in het verleden is verklaard en deze vraag is beantwoord.
De andere vraag is als volgt en vloeit rechtstreeks voort uit de eerste. Ik herhaal de vraag: 'U zei enige tijd geleden dat wij menselijke monaden vanaf het begin van deze ketenbelichaming mensen zijn geweest. Hoe klopt dit met de andere uitspraak die door H.P.B. en u werd gedaan dat de deur tot het mensenrijk in het midden van onze vierde ronde werd gesloten, met andere woorden tijdens het Atlantische ras? Dit schijnt met elkaar in strijd.' Uit wat er is gezegd blijkt duidelijk dat er geen tegenspraak is want het antwoord op de eerste vraag toont aan dat de menselijke monaden mensen waren vanaf het allereerste begin van onze ketenbelichaming, omdat ze aan het einde van de zevende maanronde het menszijn bereikten.
Wat betekent dan de uitdrukking 'de deur tot het mensenrijk werd in het midden van de vierde ronde gesloten'? Het betekent dit: Dat al die entiteiten, afkomstig van de maanpitri's, lunaire pitri's, wat we nu als een algemene term kunnen gebruiken in de betekenis van alle monaden die van de maan kwamen – er zijn maanpitri's van mensen, maanpitri's van dieren, maanpitri's van planten, maanpitri's van delfstoffen, maanpitri's van dhyani-chohans – het betekent dat deze alle de vaders van alles waren, dat wil zeggen van onze eigen keten van nu, de maanvaders van alle rijken.
Voor ik met mijn antwoord verder ga, eerst kort iets anders, wat het antwoord duidelijker kan maken. U zult zich herinneren dat H.P.B. en anderen hebben geschreven over families of klassen van monaden, dat zijn met andere woorden de verschillende natuurrijken. H.P.B. noemt er 7 omdat de zevenvoudige verdeling gemakkelijker is en ze schreef om de dingen gemakkelijker te maken. Een vollediger verdeling is die in 10, 10 rijken, 10 klassen van monaden. De meest volledige is die in 12.
H.P.B.'s 7 rijken of klassen van monaden waren als volgt, van bovenaf geteld: 3 klassen dhyani-chohans, het mensenrijk, het dierenrijk, het plantenrijk en het delfstoffenrijk, zeven. Ze noemde er nog 3, lager dan het delfstoffenrijk, maar nam die niet op, de elementalenrijken, drie in getal die samen 10 vormen – 10 natuurrijken. Wat zijn dan de twee andere natuurrijken die het getal 12 vol maken, wat tussen haakjes overeenkomt met de 12 bollen van de keten, de 12 huizen van de dierenriem, of de 12 logoi van de zon? Dat zijn: No.1 en het eerste en het laagste, zo u wilt, nu van onderaf tellende, is de wortelmanu; het 12de is de zaadmanu, om de termen van H.P.B. te gebruiken; en zo komen we op 12. U ziet dus dat het rijk van de manu's hoger is dan het hoogste rijk van de dhyani-chohans, en praktisch een goddelijk rijk is, als we over het drievoudige dhyani-chohanische rijk spreken als geestelijk.
Ik keer nu terug naar mijn antwoord op de vraag. De deur tot het mensenrijk betekent dat als er 3 ronden hebben plaatsgevonden en de vierde ronde, die de laagste en stoffelijkste is, is geëindigd, er een punt aanbreekt in de tijd en in de werking van de natuur, waarop de afdaling op de neergaande boog stopt en vanaf dat ogenblik de reis omhoog begint langs de opgaande boog. De neergaande boog is de boog van de zogenaamde schaduwen. De opgaande boog is de lichtende boog. De reden voor die namen is als volgt: de neergaande boog is de evolutie van de stof. De stof verschijnt in al haar myriaden verschillende vormen wat gepaard gaat met de daarmee overeenkomende involutie of terugtrekking van de geest. De lichtende boog is het omgekeerde daarvan, de evolutie van de geest en een corresponderende involutie van de stof. De stof wordt naar binnen getrokken. De geest breidt zich uit op de opgaande boog.
Alleen die wezens die de kiem van zelfbewustzijn in zich hebben, kunnen omhoog langs de opgaande boog, omdat het de boog is van het zich openen van de geest. Begrijpt u die gedachte? Op de neergaande boog treedt de wet van versnelling in werking voor de lagere natuurrijken. De wet van vertraging op de neergaande boog was van kracht voor de geestelijke monaden, want zij wilden niet in de stof vallen, ze gingen met tegenzin en langzaam omlaag; de stoffelijke entiteiten daarentegen, de lagere wezens die zich in de lagere rijken openbaren, voelden een geweldige trek naar omlaag en snelden neerwaarts. We zien dus dat de lagere rijken op de neergaande boog onder de wet van versnelling vielen. Voor de geestelijke rijken gold de wet van vertraging. Op de opgaande boog geldt het omgekeerde. Toen de geestelijke wezens de lichtende boog bereikten voelden ze steeds meer de aantrekking van de geest, naarmate hun voeten vrij kwamen van de modder van de stof begonnen ze de wet van versnelling te voelen en begonnen ze de weg omhoog.
Maar de wezens die zwaarder waren belast door de stof en de aantrekking van de stof omlaag voelden, begonnen achteraan te komen, de wet van vertraging begon op hen te werken. Ze worden minder aangetrokken tot de geest en worden door de stof naar omlaag getrokken.
Voorzover het het mensenrijk betreft, bevindt zich op dit punt, het laagste punt van de dalende boog, wat wij de deur tot het mensenrijk noemen. Alle entiteiten, welke dan ook, die niet het zelfbewustzijn hebben bereikt, gaan niet door die deur die hen in staat stelt omhoog te gaan naar de zevende ronde. Ik vraag me af of ik mijn bedoeling duidelijk heb gemaakt. Zo'n eenvoudige gedachte en toch zo subtiel. De deur tot het rijk van de mens slaat bijvoorbeeld niet op de dhyani-chohanische rijken; zij staan boven de mens. Ze betreft de rijken van de mens en de rijken onder de mens. Alle monaden die dus menselijk waren voor ze het midden van de vierde ronde bereikten, gingen als het ware op natuurlijke en eenvoudige wijze door de deur het mensenrijk binnen, die al openstond en zij bleven hun weg vervolgen; de monaden daarentegen, zoals de monaden van de dieren, die het menszijn nog niet hadden bereikt tijdens de drie voorafgaande ronden, werden, toen ze dit laagste punt bereikten, als het ware door de natuur uitgedaagd. De oude religies zoals die van de Egyptenaren noemden het de waker bij de poort. Wie is daar? Wie zijt gij? zoals de Sanskritisten zeiden. Het Dodenboek spreekt over deze uitdagingen bij de verschillende poorten. Ieder die het wachtwoord kon geven ging erdoor; bedenk dat het bij het geven van het wachtwoord niet ging om een wachtwoord, en dat de deur naar het rijk van de mens geen deur is. Het betekent alleen dat de wetten van de natuur op een bepaald punt in de evolutie beginnen te werken. Dat punt is het midden, het laagste punt van alle zeven ronden – het midden van de vierde in het midden van het Atlantische ras. Alle monaden die op de neergaande boog door de drie ronden waren heengegaan, kwamen nu bij de vierde. Zij die dat konden gingen natuurlijk door en begonnen aan de opgaande boog: het manava rijk, de 3 dhyani-chohanische rijken en het mensenrijk. Toen het om de dieren ging sloot de deur. Zij konden er niet door. Met andere woorden zij konden het mensenrijk niet binnengaan omdat ze nog niet menselijk waren.
Nu een andere vraag! Waarom zijn er nog dieren bij ons? Zoals ik al heb verklaard zijn zij het mensenrijk niet binnengegaan; zij voelen een sterke aantrekking tot de stof. Naarmate de miljoenen jaren verstrijken, naarmate de duizenden jaren verstrijken, wordt hun gang steeds langzamer, ze kunnen niet mee. Na een poosje stoppen ze, sterven uit en gaan het nirvana binnen. Dat is de betekenis van de uitspraak in onze boeken die u heeft gehoord, dat op een enkele uitzondering na het dierenrijk de zevende ronde niet zal bereiken. Waarom? Omdat ze de weg omhoog niet kunnen gaan. De aantrekking is naar omlaag. Ze gaan hun nirvana in en wachten op de volgende ketenbelichaming. Dan zullen ze mens worden. Dat zal hun beloning zijn in een keten die iets hoger is dan deze.
En nu volgt een paradox, een heel vreemde paradox. Enkele van de monaden die in hun evolutie tot aan het dierenrijk zijn gekomen, zullen zelfs de zevende ronde halen waarin ze mens worden. Met andere woorden zij hebben dan zelfbewustzijn bereikt en zullen de lagere mensen van de volgende ketenronde zijn. De dierlijke monaden in ons zullen aan het einde van de zevende ronde de menselijke monaden zijn en de hogere mensen worden in de volgende ketenbelichaming.
U vraagt zich misschien af hoe het met de mensapen staat. Welke plaats nemen zij in op de ladder? Zijn zij het mensenrijk ingegaan? Nee. Ze zijn meer dierlijk dan menselijk. Ze behoren nog tot het dierenrijk. Maar er is iets in de mensapen – ik spreek niet over de gewone apen, ik bedoel de mensapen, er is in de mensapen net genoeg menselijk bloed, van ons afkomstig, waardoor ze in de volgende keten de geestelijke en intellectuele leiders van de dieren kunnen zijn die dan, in de volgende ketenbelichaming, de lagere en laagste mensen zijn. Het dier zal de hoogste zijn van deze tak van het toekomstige mensenrijk.
We hebben dus in feite het mensenrijk, de mensapen als tussenstadium, de dieren; en de dieren zelf hebben veel onderverdelingen – de hoogste, de tussenliggende en de laagste. Er bestaat een enorm verschil tussen de dieren, tussen de mensaap en het insect, of tussen een paard en een ander wezen, een eekhoorn, een wasbeer of een ander dier. Zulke verschillen zijn enorm, zelfs tussen mensen.
En met alles wat ik heb gezegd, doelde ik op monaden, en u kunt zich in dit verband afvragen: Beïnvloedt de evolutie niet ook de lichamen? Het antwoord is ja. Maar, weet u, wetenschappers weten niets van geestelijke evolutie behalve op heel kleine schaal. Hun idee van evolutie is een langzame verbetering van het stoffelijke lichaam in de loop van de eeuwen. Het is juist dat het stoffelijke lichaam in de loop van de eeuwen is vooruitgegaan; dat ontkennen we niet, maar de krachten die van binnenuit op het lichaam werken, het verfijnen, zijn organen verfijnen, zijn vlees verfijnen, brengen deze stoffelijke evolutie tot stand. Maar volgens de wetenschappers is evolutie toeval, een toevallig gebeuren, Darwinisme. Voor ons heeft de deur tot het mensenrijk niets te maken met de uiterlijke vorm van lichamen, van wezens, maar uitsluitend met de innerlijke delen, de monadische delen, de geestelijke, verstandelijke, psychische en astrale en als die veranderen, dan veranderen de lichamen. Ik kan u daarom zeggen, dat zelfs het vlees van een echt goed mens in geringe mate fijner is dan het vlees van een mens die een grof leven leidt. Als daarom de boeddhisten zeggen dat de Boeddha een wonder van mannelijke schoonheid was, dat zelfs zijn lichaam scheen te stralen van geestelijk leven, dat er iets aan hem was dat niet gewoon was, dan is die uitspraak juist. Het is waar. In hem brandde een geestelijk vuur dat door zijn bloed, zijn zenuwen en het weefsel van zijn vlees en beenderen werkte en het voertuig in alle opzichten verfijnde. Er is een feitelijk verschil tussen het vlees van een mens en het vlees van dieren. Ik zeg niet dat scheikundigen dat kunnen ontdekken – eens misschien wel. Maar het is er; zelfs de geur ervan wijst erop.